Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:2056
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,085 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 text/xml public 2026-03-20T13:54:18 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-27 AMS 25/7478 en 25/7484 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 text/html public 2026-03-20T13:48:33 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 Rechtbank Amsterdam , 27-02-2026 / AMS 25/7478 en 25/7484 Vovo hangende beroep. Voorziening getroffen waarbij openbaarmaking boetebesluiten vanwege overtreding WAV en WAADI opgeschort. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/7478 en 25/7484 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaken tussen [bedrijf] B.V., te [plaats] , verzoekster (gemachtigden: mrs. J.R. van Angeren, M. Jovović en D. de Groot), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. M.M. de Lange). Procesverloop 1.1. De minister heeft met de besluiten van 24 januari 2025 bestuurlijke boetes opgelegd aan verzoekster vanwege overtredingen van de Wav en de Waadi en op grond van die wetten besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Met de bestreden besluiten van 16 december 2025 op de bezwaren van verzoekster is de minister bij deze besluiten gebleven. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen op 29 december 2025 beroepen ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen. Verzoekster heeft op 16 januari 2026 een nadere onderbouwing ingediend van de verzoeken om voorlopige voorziening. 1.3. De minister heeft op 29 december 2025 bevestigd dat de openbaarmaking overeenkomstig de Wav en de Waadi wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan. 1.4. De minister heeft op 13 februari 2026 op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van de minister. 1.6. Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om behandeling met gesloten deuren. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het belang van een goede rechtspleging, dat zich in het algemeen niet verzet tegen berechting in het openbaar van misdrijven en overtredingen van allerlei aard, in dit geval geschaad zou worden door de behandeling in het openbaar van de verzoeken om voorlopige voorziening tegen de boetebesluiten die hier aan de orde zijn. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat er een wezenlijk verschil is tussen de beslissing tot actieve openbaarmaking van een boetebesluit en de mogelijkheid dat een derde door de openbaarheid van een rechtszitting van het bestaan van zo’n boetebesluit op de hoogte zou komen. 1.7. De voorzieningenrechter wijst er verder op dat ingevolge artikel 8:78 van de Awb haar beslissing in het openbaar wordt uitgesproken. Bij publicatie van die uitspraak op rechtspraak.nl vindt pseudonimisering plaats volgens de daarvoor geldende richtlijnen. Dit betekent dat daarmee tegemoetgekomen wordt aan het verzoek van verzoekster aangaande publicatie van de uitspraak op rechtspraak.nl. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Verzoekster heeft verzocht de openbaarmaking van de inspectiegegevens zoals vastgelegd in de primaire besluiten van 24 januari 2025 en de beslissingen op bezwaar van 16 december 2025 na een belangenafweging te schorsen. Verzoekster heeft aangevoerd dat de boetebesluiten in rechte geen stand zullen houden. De openbaarmaking is daarmee evident onrechtmatig, in elk geval niet evident rechtmatig. 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Rechtmatigheid 4.1. De vraag of de boetes terecht zijn opgelegd vergt een indringende toets. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of de boetes rechtmatig zijn opgelegd. Het betreft complexe materie en verzoekster heeft bovendien alleen nog pro forma beroep ingesteld en nog geen aanvullende beroepsgronden tegen de in bezwaar gehandhaafde boetes ingediend. De voorzieningenrechter blijft gelet hierop weg van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de boetes. 4.2. Wat betreft de rechtmatigheid van de openbaarmaking heeft de minister er terecht op gewezen dat de Wav en de Waadi in beginsel dwingend voorschrijven dat het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd openbaar wordt gemaakt, behoudens bijzondere omstandigheden. Op dat niveau vindt ten aanzien van de openbaarmaking door de minister in beginsel geen individuele belangenafweging plaats. De voorzieningenrechter zal zich verder niet uitlaten over de rechtmatigheid van de openbaarmaking, dat zal in de beroepsprocedures worden beoordeeld. Belangenafweging 5.1. De voorzieningenrechter kan echter wel in het kader van de verzoeken om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb de betrokken belangen tegen elkaar afwegen. Daartoe beperkt de voorzieningenrechter zich dan ook. 5.2. De minister heeft gewezen op het algemeen belang van transparantie over de naleving van de wet en inzicht in de uitvoering van het toezicht, het informeren en beschermen van anderen. Meer in het bijzonder heeft de minister gewezen op het informeren van het parlement over de ontwikkelingen in de praktijk, ook in het kader van de actuele problematiek rond arbeidsmigratie en lopende wetgevingstrajecten daaromtrent. 5.3. De voorzieningenrechter heeft oog voor het door de minister naar voren gebrachte belang. Zij is evenwel van oordeel dat op dit moment in de procedure het individuele belang van verzoekster dient te prevaleren. Bekendmaking van de inspectiegegevens aan het publiek hangende de beroepen kan onomkeerbare gevolgen hebben. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van de boetebesluiten ernstige (reputatie)schade tot gevolg zal hebben. Dat bij openbaarmaking wordt aangegeven dat de boete nog niet onherroepelijk is doet daar niet aan af. Of de minister terecht de boetes heeft opgelegd en is overgegaan tot openbaarmaking betreft complexe materie waarin op meerdere gebieden, zowel juridisch als politiek, veel in beweging is. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk om na te noemen voorzieningen te treffen. Conclusie en gevolgen 6.1. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorzieningen dat de bestreden besluiten en de besluiten van 24 januari 2025 zijn geschorst tot twee weken na verzending van de uitspraak op het beroep. 6.2. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. Er is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. De gemachtigden hebben een verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst de bestreden besluiten en de besluiten van 24 januari 2025 tot twee weken na verzending van de uitspraak op het beroep; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 770,- (2 x € 385,-) aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 text/xml public 2026-03-20T13:54:18 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-27 AMS 25/7478 en 25/7484 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 text/html public 2026-03-20T13:48:33 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2056 Rechtbank Amsterdam , 27-02-2026 / AMS 25/7478 en 25/7484 Vovo hangende beroep. Voorziening getroffen waarbij openbaarmaking boetebesluiten vanwege overtreding WAV en WAADI opgeschort. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/7478 en 25/7484 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaken tussen [bedrijf] B.V., te [plaats] , verzoekster (gemachtigden: mrs. J.R. van Angeren, M. Jovović en D. de Groot), en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. M.M. de Lange). Procesverloop 1.1. De minister heeft met de besluiten van 24 januari 2025 bestuurlijke boetes opgelegd aan verzoekster vanwege overtredingen van de Wav en de Waadi en op grond van die wetten besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Met de bestreden besluiten van 16 december 2025 op de bezwaren van verzoekster is de minister bij deze besluiten gebleven. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen op 29 december 2025 beroepen ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen. Verzoekster heeft op 16 januari 2026 een nadere onderbouwing ingediend van de verzoeken om voorlopige voorziening. 1.3. De minister heeft op 29 december 2025 bevestigd dat de openbaarmaking overeenkomstig de Wav en de Waadi wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan. 1.4. De minister heeft op 13 februari 2026 op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van de minister. 1.6. Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om behandeling met gesloten deuren. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het belang van een goede rechtspleging, dat zich in het algemeen niet verzet tegen berechting in het openbaar van misdrijven en overtredingen van allerlei aard, in dit geval geschaad zou worden door de behandeling in het openbaar van de verzoeken om voorlopige voorziening tegen de boetebesluiten die hier aan de orde zijn. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat er een wezenlijk verschil is tussen de beslissing tot actieve openbaarmaking van een boetebesluit en de mogelijkheid dat een derde door de openbaarheid van een rechtszitting van het bestaan van zo’n boetebesluit op de hoogte zou komen. 1.7. De voorzieningenrechter wijst er verder op dat ingevolge artikel 8:78 van de Awb haar beslissing in het openbaar wordt uitgesproken. Bij publicatie van die uitspraak op rechtspraak.nl vindt pseudonimisering plaats volgens de daarvoor geldende richtlijnen. Dit betekent dat daarmee tegemoetgekomen wordt aan het verzoek van verzoekster aangaande publicatie van de uitspraak op rechtspraak.nl. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Verzoekster heeft verzocht de openbaarmaking van de inspectiegegevens zoals vastgelegd in de primaire besluiten van 24 januari 2025 en de beslissingen op bezwaar van 16 december 2025 na een belangenafweging te schorsen. Verzoekster heeft aangevoerd dat de boetebesluiten in rechte geen stand zullen houden. De openbaarmaking is daarmee evident onrechtmatig, in elk geval niet evident rechtmatig. 3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Rechtmatigheid 4.1. De vraag of de boetes terecht zijn opgelegd vergt een indringende toets. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of de boetes rechtmatig zijn opgelegd. Het betreft complexe materie en verzoekster heeft bovendien alleen nog pro forma beroep ingesteld en nog geen aanvullende beroepsgronden tegen de in bezwaar gehandhaafde boetes ingediend. De voorzieningenrechter blijft gelet hierop weg van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de boetes. 4.2. Wat betreft de rechtmatigheid van de openbaarmaking heeft de minister er terecht op gewezen dat de Wav en de Waadi in beginsel dwingend voorschrijven dat het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd openbaar wordt gemaakt, behoudens bijzondere omstandigheden. Op dat niveau vindt ten aanzien van de openbaarmaking door de minister in beginsel geen individuele belangenafweging plaats. De voorzieningenrechter zal zich verder niet uitlaten over de rechtmatigheid van de openbaarmaking, dat zal in de beroepsprocedures worden beoordeeld. Belangenafweging 5.1. De voorzieningenrechter kan echter wel in het kader van de verzoeken om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb de betrokken belangen tegen elkaar afwegen. Daartoe beperkt de voorzieningenrechter zich dan ook. 5.2. De minister heeft gewezen op het algemeen belang van transparantie over de naleving van de wet en inzicht in de uitvoering van het toezicht, het informeren en beschermen van anderen. Meer in het bijzonder heeft de minister gewezen op het informeren van het parlement over de ontwikkelingen in de praktijk, ook in het kader van de actuele problematiek rond arbeidsmigratie en lopende wetgevingstrajecten daaromtrent. 5.3. De voorzieningenrechter heeft oog voor het door de minister naar voren gebrachte belang. Zij is evenwel van oordeel dat op dit moment in de procedure het individuele belang van verzoekster dient te prevaleren. Bekendmaking van de inspectiegegevens aan het publiek hangende de beroepen kan onomkeerbare gevolgen hebben. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van de boetebesluiten ernstige (reputatie)schade tot gevolg zal hebben. Dat bij openbaarmaking wordt aangegeven dat de boete nog niet onherroepelijk is doet daar niet aan af. Of de minister terecht de boetes heeft opgelegd en is overgegaan tot openbaarmaking betreft complexe materie waarin op meerdere gebieden, zowel juridisch als politiek, veel in beweging is. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk om na te noemen voorzieningen te treffen. Conclusie en gevolgen 6.1. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorzieningen dat de bestreden besluiten en de besluiten van 24 januari 2025 zijn geschorst tot twee weken na verzending van de uitspraak op het beroep. 6.2. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. Er is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. De gemachtigden hebben een verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst de bestreden besluiten en de besluiten van 24 januari 2025 tot twee weken na verzending van de uitspraak op het beroep; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 770,- (2 x € 385,-) aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.