ECLI:NL:RBAMS:2026:2009
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12002936 \ KK EXPL 25-846 Vonnis in kort geding van 24 februari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] (Verenigde Staten ), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D. Schreurs, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 december 2025; - de akte vermindering van eis; - de productie 13 van [eiser] ; - de dagbepaling mondelinge behandeling. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, is aan [gedaagde] verstek verleend (zie ook hierna r.o. 4.1) en is alleen de gemachtigde van [eiser] verschenen. Hij heeft spreekaantekeningen overgelegd en vragen van de kantonrechter beantwoord. 2 De uitgangspunten 2.1. Met ingang van 24 september 2025 huurt [gedaagde] van [eiser] de woonruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde). De overeengekomen kale huurprijs van € 5.200,00 per maand moet uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand zijn betaald. Tevens zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] uiterlijk op de ingangsdatum van de tussen hen gesloten huurovereenkomst aan [eiser] een waarborgsom van € 9.000,00 zal betalen. Ook is in de huurovereenkomst bepaald dat alle door [eiser] aan te wijzen personen het gehuurde na overleg met [gedaagde] mogen betreden op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur voor werkzaamheden aan het gehuurde. 2.2. [gedaagde] heeft aanvankelijk geen huurtermijnen betaald en heeft de waarborgsom niet betaald. 2.3. Onder meer bij e-mail van 14 oktober 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand tot betaling van de huurtermijnen en de waarborgsom, en aangekondigd anders ontruiming van het gehuurde te zullen vorderen. In het kader van de vroegsignalering is [gedaagde] aangemeld bij de gemeente Amsterdam. 2.4. Ter voorbereiding op renovatiewerkzaamheden aan (het gebouw waarvan) het gehuurde (deel uitmaakt), heeft een vertegenwoordiger van de betrokken Vereniging van Eigenaren bij e-mail van 28 november 2025 aan [gedaagde] gevraagd of de aannemer op 5 en 8 december 2025 tussen 10.00 en 15.00 uur in het gehuurde kon komen kijken. Op dezelfde datum heeft [gedaagde] gereageerd: “ Nee niemand komt er meer in door jullie eigen toedoen .” De in januari 2026 geplande werkzaamheden zijn hierom uitgesteld. 2.5. In reactie op een e-mail van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] van 2 december 2025, heeft de heer [naam] – die volgens die gemachtigde de echtgenoot of partner van [gedaagde] is – bij e-mail van 17 december 2025 onder meer geschreven dat tijdens de verhuizing inderdaad een kras op een muur is gekomen en aangeboden de daarvoor gemaakte herstelkosten te betalen. Deze kosten zijn niet betaald. 2.6. Op 24 december 2025 is vanaf een bankrekeningnummer op naam van Mothership Holding B.V. een bedrag van € 20.800,00 betaald aan [eiser] , met de omschrijving: “ Okt tm Jan Huur [adres] tbv [gedaagde] ”. Ten tijde van de mondelinge behandeling was de huur over februari 2026 niet betaald. 3 De vorderingen 3.1. Samenvattend vordert [eiser] ontruiming van het gehuurde op grond van wanbetaling, weigering medewerking aan renovatiewerkzaamheden en veroorzaking overlast. Ook vordert zij betaling van de waarborgsom vermeerderd met rente, een gebruikersvergoeding voor het gehuurde van € 5.200,00 per 1 februari 2026, herstelkosten van € 555,90 en de proceskosten vermeerderd met rente. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen dit vonnis meteen uit te voeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. 4 De beoordeling Verlening verstek aan [gedaagde] 4.1. is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Uit de dagvaarding blijkt dat zij correct voor deze zitting was opgeroepen. Daarom is aan haar verstek verleend. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] dan ook toewijzen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Spoedeisend belang 4.2. [eiser] heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in financiële problemen komt door de structurele wanbetaling van [gedaagde] en dat zij binnen afzienbare tijd toegang tot het gehuurde moet krijgen om de renovatiewerkzaamheden alsnog uit te kunnen laten voeren. Ambtshalve onderzoek in verband met het consumentenrecht 4.3. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve (zonder dat partijen daarop een beroep hebben gedaan) onderzocht of sprake is van een huurovereenkomst tussen een handelaar en een consument en is tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval is, omdat [eiser] niet handelt in het kader van haar publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. Ontruimingsvordering 4.4. [gedaagde] is verplicht om de huurprijs en de waarborgsom op tijd en volledig te betalen. Op het moment van dagvaarden bedroeg de betalingsachterstand ruim drie maanden. Ten tijde van de mondelinge behandeling was de waarborgsom nog steeds niet betaald en was opnieuw een huurachterstand ontstaan (van een maand). Verder is [gedaagde] gehouden om de bedoelde aannemer in verband met de renovatiewerkzaamheden toe te laten tot het gehuurde, zodat zij met haar weigering om ook maar iemand toe te laten eveneens ernstig tekortschiet in haar verplichtingen onder de huurovereenkomst. Voor zover uit het dossier blijkt dat sprake zou zijn van betalingsonmacht aan de zijde van [gedaagde] , blijft die voor haar risico. 4.5. De gemachtigde van [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] in het gehuurde verblijft met haar zoon van 15 jaar. De belangen van minderjarige kinderen moeten een eerste overweging vormen op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, ook in dit soort verstekzaken. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting en hun recht om in beginsel niet gescheiden te worden van hun ouders. Toch betekent dat niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit zou mogen worden ontruimd. Hun belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. 4.6. Het behoeft geen toelichting dat ontruiming van het gehuurde voor [gedaagde] en haar minderjarige zoon nadelige gevolgen zal hebben. Het is echter niet concreet gebleken dat (de kans bestaat dat) de zoon gescheiden zal raken van [gedaagde] na ontruiming en/of dat (een kans op) daadwerkelijk(e) dakloosheid dreigt. De gemachtigde van [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] een eigen woning in [woonplaats 3] en daarmee alternatieve woonruimte heeft. Ook andere belangen van de zoon zijn niet concreet gebleken. Daarbij komt dat geen concreet zicht bestaat op het inlopen van de betalingsachterstand, terwijl die aanzienlijk en – voor wat betreft de waarborgsom – langdurig te noemen is en blijkbaar verder oploopt. Verder is van belang dat [gedaagde] categorisch medewerking aan renovatiewerkzaamheden weigert en volgens [eiser] overlast veroorzaakt. 4.7. [eiser] heeft voldaan aan haar de informatie- en meldplicht als bedoeld in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. 4.8. Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen in een bodemprocedure, zodat de ontruimingsvordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarom zal deze vordering daarop vooruitlopend worden toegewezen. Anders dan gevorderd, wordt de ontruimingstermijn gesteld op de gebruikelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagde] is gehouden om de huurtermijnen tot en met het einde van de maand waarin de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt te betalen. Betaling waarborgsom en schadevergoeding 4.9. De vorderingen tot betaling van de waarborgsom en van de reparatiekosten komen niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen. Proceskosten 4.10.