Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:19
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-058901-22 Datum uitspraak: 7 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2022 door the District Court in Koszalin II Criminal Department , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Pools taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: enforceable judgment of the Local Court in Białogard van 20 maart 2015, met kenmerk II K 616/14; enforceable judgment of the Local Court in Bialogard van 17 juni 2015, met kenmerk II K 181/15; enforceable judgment of the Local Court in Białogard 8, van 16 februari 2018, met kenmerk II K 435/17. Daarnaast hebben de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van 18 november 2025 vermeld dat tegen het vonnis van 16 februari 2018 met kenmerk II K 435/17 hoger beroep is ingesteld en dat in het hoger beroep op 21 mei 2018 een arrest is gewezen door the District Court in Koszalin, V Appeal Department met kenmerk V Ka 245/18. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen voor de duur van: één jaar en zes maanden (II K 616/14), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteren volgens het EAB één jaar, drie maanden en elf dagen; één jaar (II K 181/15), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteren volgens het EAB negen maanden en twintig dagen; één jaar en één maand (II K 435/17), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. Uit het EAB blijkt voorts dat de straffen in de vonnissen met kenmerk II K 616/14 en II K 181/15 aanvankelijk in voorwaardelijke vorm opgelegd zijn, met bepaling van een proeftijd. Bij beslissingen van de Local Court in Bialogard van 14 november 2018 (voor het vonnis met kenmerk II K 616/14) en van 12 september 2018 (voor het vonnis met kenmerk IIK 181/15) is de tenuitvoerlegging van de straffen bevolen, omdat de opgeëiste persoon tijdens de proeftijd de hem opgelegde verplichtingen niet was nagekomen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen en arrest. Deze vonnissen en arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden. Bij de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen met kenmerk II K 616/14 en II K 181/15 is hij aanwezig geweest. Tegen het vonnis met kenme