Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:1814
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81.020435.25 Datum uitspraak: 19 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] B.V. , gevestigd op het adres [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.A. Bekke, en van wat de vertegenwoordigers van verdachte, [persoon 1] en [persoon 2] , en de raadsman van verdachte, mr. R.A. Kaarls, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting van 5 februari 2026 – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het als medepleger opzettelijk onjuist vermelden van de van toepassing zijnde code van de afvalstoffenlijst (de Europese afvalstoffenlijst; Eural) op in totaal 27 begeleidingsbrieven. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 3 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat het niet opportuun is om administratieve vergissingen en interpretatiediscussies over de te gebruiken Eural-codes strafrechtelijk te handhaven. De officier van justitie stelt dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Vanuit de zaaksvisie van het Openbaar Ministerie rechtvaardigen de omvang van de verdenking en de milieubelangen een strafrechtelijke handhaving. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Dat zou slechts anders zijn als het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot vervolging had kunnen overgaan. Daarvan is in dit geval geen sprake. De ernst van het verwijt zoals dat is tenlastegelegd en wat het Openbaar Ministerie aan verdachte maakt, brengt mee dat het Openbaar Ministerie op grond van de aan haar toekomende beoordelingsvrijheid tot strafrechtelijke handhaving heeft kunnen overgaan. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte als medepleger onjuiste Eural-codes op de begeleidingsbrieven heeft gezet. In plaats van 19.12.12 (of 19.12.11*) had verdachte de toepasselijke code 16.01.21* moeten vermelden. Naar het oordeel van de officier van justitie is geen sprake van een administratieve fout, maar van calculerend gedrag en dus opzettelijk handelen, omdat verdachte als afvalverzamelaar wel bevoegd was afvalstoffen met Eural-code 19.12.12 of 19.12.11* in te nemen, maar geen afvalstoffen met Eural-code 16.01.21*. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat het vermelden van Eural-code 19.12.12 een administratieve fout/vergissing is en dat er geen sprake was van opzettelijk handelen. Het is altijd de bedoeling geweest op de begeleidingsbrieven Eural-code 19.12.11* te vermelden en volgens die code is het afval feitelijk ook verwerkt (dus als gevaarlijk afval). De keuze voor deze Eural-code (19.12.11*) is in de Eural-systematiek niet onbegrijpelijk, hoewel de door de verbalisant gestelde toepasselijke Eural-code 16.01.21* mogelijk ook gekozen had kunnen worden. 4.3. Beoordeling door de rechtbank 4.3.1. Onjuiste Eural-code De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Het dossier bevat 27 begeleidingsbrieven voor transporten van afval(stoffen) naar verdachte in de periode van 15 januari 2024 tot en met 2 februari 2024. Op deze begeleidingsbrieven zijn telkens afvalstroomnummer [nummer] en de Eural-code 19.12.12 vermeld. Voor zover dit in de scans/kopieën in het dossier van de rechtbank niet meer goed leesbaar is, is namens verdachte erkend dat deze Eural-code inderdaad op alle 27 begeleidingsbrieven is vermeld. Namens verdachte i In de Europese afvalstoffenlijst EURAL handleiding wordt bij afvalbeheer vermeld: “ het indelen van afvalstoffen onder EURAL-hoofdstuk 19 impliceert niet automatisch dat het over een afvalverwerkingsinrichting gaat. Ook bedrijven die sorteren met het oog op betere afvoer van hun afvalstoffen, kunnen onder dit EURAL-hoofdstuk bepaalde afvalstoffen indelen. Het moet hier dan echter wel duidelijk over een sorteer- of scheidingsactiviteit gaan. ” In de handleiding wordt over subhoofdstuk 19 12 aangegeven: “ Het gaat hier bijvoorbeeld over activiteiten zoals sorteren, breken en verdichten van afval en afval van PST-installaties (post shredder technologie). Dergelijke activiteiten kunnen bij elk productiebedrijf voorkomen. ” De rechtbank kan op basis van de informatie in het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat Eural-code 16 01 21* als enige code op de door verdachte getransporteerde afvalstroom van toepassing is. Weliswaar heeft verbalisant [verbalisant] in een aanvullend proces-verbaal vermeld dat van code 16 01 21* moet worden uitgegaan, maar die conclusie lijkt te zijn gebaseerd op (deels) andersoortig afval dan waarvan verdachte uitgaat terwijl in dit proces-verbaal noch elders in het dossier is gerelateerd hoe de verbalisant tot die vaststelling is gekomen. Evenmin lijkt in die bevindingen te zijn meegewogen de stelling van verdachte dat sprake is van 19 12 11*-afval, omdat het residu betreft nadat het afval aan boord van het schip (mechanisch) is gesorteerd. Uit het dossier blijkt niet dat daar onderzoek naar is gedaan. Omdat in de Eural-systematiek pas bij een hoofdstuk 16-code kan worden uitgekomen als de codes uit de andere hoofdstukken, waaronder 19 12 11*, niet van toepassing zijn, laat de informatie in het dossier ruimte voor de juistheid van de stelling van de verdediging. Gelet op dit alles zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat inhoudt dat 16.01.21* de juiste Eural-code is. 4.3.3. Opzet Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet tot de conclusie dat verdachte moedwillig (calculerend) een onjuiste Eural-code heeft gehanteerd. ‘Zuiver’ opzet is daarom niet bewezen. Wel is voorwaardelijk opzet bewezen. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat het bedrijfsproces kennelijk zo was ingericht dat als éénmaal een verkeerde Eural-code aan de planning wordt doorgegeven, dan wel dat de doorgegeven Eural-code door de planning verkeerd wordt overgenomen, en aan een afvalstroomnummer wordt gekoppeld, alle begeleidingsbrieven zonder nadere controle die verkeerde Eural-code bevatten. Door het ontbreken van minimale controlemechanismen in het bedrijfsproces van verdachte, is sprake van een zodanig kwetsbaar systeem dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het onjuist vermelden van de toepasselijke Eural-code. 4.3.4. Medeplegen Uit de bewijsmiddelen (onder meer de verklaring van [persoon 1] namens verdachte en de verklaring van [persoon 3] namens [medeverdachte] B.V. ) volgt dat verdachte bij het bepalen en vervolgens vermelden van de Eural-code nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] B.V. Gelet op de samenwerking is daarom sprake van medeplegen tussen verdachte en [medeverdachte] B.V. 4.3.5. Conclusie Bewezen is dat verdachte in samenwerking met een ander een onjuiste Eural-code op de begeleidingsbrieven heeft gezet. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 15 januari 2024 tot en met 2 februari 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, als afvalstoffeninzamelaar onder [nummer] was vermeld op de NIWO-lijst van afvalstoffeninzamelaars, zijnde een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a van de Wet milieubeheer die krachtens artikel 10.45 van de Wet milieubeheer bevoegd was de betrokken afvalstoffen in te zamelen, opzettelijk, meermalen in strijd met krachtens artikel 10.41 van de Wet milieubeheer ges