Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:1812
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 81.119064.23 (zaak A) en 81.116462.24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 19 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , gevestigd op het adres [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Visser, en van wat de vertegenwoordigers van verdachte, [persoon 2] en [persoon 3] , en haar raadsman, mr. D.C.O. Ayinla, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 5 februari 2026 ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben, afleveren en/of gebruik maken van valse geschriften, door in opgaven in het E-Lite systeem verschillende visreizen in 2021 en 2022 (zaak A) en 2023 (zaak B) van de [naam vaartuig 1] aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) door te geven. De uiteindelijke tekst van de volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. De dossiers van beide zaken bevatten verschillende uitdraaien uit het vangstregistratiesysteem ERS (E-Lite), waarin onder andere de volgende gegevens zijn geregistreerd: Extern kenteken vertrek datumtijd terugkeer datumtijd [naam vaartuig 1] 9-10-2021 01:00:00 UTC 9-10-2021 15:00:00 UTC [naam vaartuig 1] 16-6-2022 06:00:00 UTC 17-6-2022 03:00:00 UTC [naam vaartuig 1] 27-6-2022 01:00:00 UTC 28-6-2022 10:00:00 UTC [naam vaartuig 1] 4-9-2023 06:00:00 UTC 9-9-2023 06:00:00 UTC [naam vaartuig 1] 11-9-2023 03:00:00 UTC 16-9-2023 14:00:00 UTC Verdachte is eigenaar van het vaartuig [naam vaartuig 1] , met de naam [naam vaartuig 1] . Ter zitting is namens verdachte erkend dat dit vaartuig vanaf 2021 niet meer heeft gevaren, omdat deze kapot was. Maat [persoon 3] heeft als kapitein voornoemde visreizen geregistreerd. 3.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. 3.3. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat verdachte geen vals geschrift voorhanden heeft gehad, heeft afgeleverd of hiervan gebruik heeft gemaakt, omdat pas van een (vals) geschrift sprake is nadat de gegevens die in het E-Lite systeem zijn ingevoerd, naar de RVO zijn verstuurd. Hooguit is sprake van het – niet tenlastegelegde – opmaken van een vals geschrift. De verdediging verzoekt daarnaast verdachte vrij te spreken van het medeplegen. 3.4. Oordeel van de rechtbank Alvorens de bewijsverweren van de verdediging te bespreken zal de rechtbank ter motivering van haar bewijsoordeel – voor zover relevant – het juridisch kader bespreken en ingaan op de aard en werking van het E-Lite systeem. Op grond van artikel 104a van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij (hierna: de Uitvoeringsregeling) dient een vissersvaartuig kleiner dan 10 meter, binnen 24 uur na aanlanding via het zogenaamde E-lite systeem, opgave te doen aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van een aantal gegevens met betrekking tot gemaakte visreizen met het vissersvaartuig. Op grond van artikel 141 van de Uitvoeringsregeling dienen de gegevens, zoals verplicht gesteld in artikel 104 a van de regeling, volledig en naar waarheid te worden bijgehouden of verstrekt. In het E-lite systeem dient onder meer opgegeven te worden de naam van de kapitein, het letterteken en nummer van het 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Zaak A op of omstreeks 9 oktober 2021 en in of omstreeks de periodes van 16 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 en 27 juni 2022 tot en met 28 juni 2022, in Nederland, van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: opgaven in het E-Lite systeem met het vissersvaartuig [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ) voor de visreizen van 9 oktober 2021 en 16 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 en 27 juni tot en met 28 juni 2022, opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die echt en onvervalst, door voornoemde opgaven, met daarin valselijk en in strijd met de waarheid visreizen opgegeven met de [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ), terwijl dat schip die visreizen niet had gemaakt, (digitaal) op te sturen naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Zaak B in of omstreeks de periodes van 4 september 2023 tot en met 9 september 2023 en 11 september 2023 tot en met 16 september 2023, in Nederland, van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten: opgaven in het E-Lite systeem voor het vissersvaartuig [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ) voor de visreizen van 4 september 2023 tot en met 9 september 2023 en 11 september 2023 tot en met 16 september 2023 opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die echt en onvervalst, door voornoemde opgaven, met daarin valselijk en in strijd met de waarheid visreizen opgegeven met de [naam vaartuig 1] ( [naam vaartuig 1] ), terwijl dat schip die visreizen niet had gemaakt, (digitaal) op te sturen naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten 5.1. Standpunt van de verdediging De verdediging stelt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat artikel 225 Sr, waarop de tenlastelegging is toegesneden, buiten toepassing moet worden verklaard. De verdediging stelt dat de artikelen 104a en 141 van Uitvoeringsregeling gezien moeten worden als een geprivilegieerde logische specialis, subsidiair als een systematische specialis van artikel 225 Sr, de generalis. De verdediging stelt dat bij de bepalingen uit de Uitvoeringsregeling sprake is van een bijzondere vorm van valsheid in geschrift, namelijk valsheid in geschrift van specifieke gegevens. Door het vervolgen voor de generalis wordt verdachte benadeeld, omdat het overtreden van de bepalingen van de Uitvoeringsregeling geen misdrijf, maar een overtreding met een lagere strafbedreiging opleveren. 5.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat geen sprake is van een specialis-verhouding, omdat beide bepalingen verschillende belangen dienen. 5.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een generalis-specialisverhouding. Voor een (geprivilegieerde) logische specialis is vereist dat de specialis alle bestanddelen van de generalis bevat en daarnaast nog één of meer bijzondere bestandsdelen. Daarvan is geen sprake, in het bijzonder ontbreekt in de bijzondere bepaling een bestandsdeel dat opzet impliceert. Als geen sprake is van een logische specialis kan sprake zijn van een systematische specialis. Dat daarvan sprake is moet worden opgemaakt uit de bedoeling van de wetgever, bijvoorbeeld door aanwijzingen in de wetgeschiedenis, samenhang van de betreffende strafbepalingen of de materieelrechtelijke kwalificatie van de delicten. De wetgeschiedenis van de Uitvoeringsregeling geeft echter geen aanwijzingen dat de wetgever een specialis-verhouding heeft beoogd ten opzichte van valsheid in geschrift. Daarnaast is het doel van beide regelingen anders. Het doel van de Uitvoeringsregeling is met name het monitoren van de visstand, terwijl de strafbaarstelling van valsheid in geschrift in het bijzonder het vertrouwen van b Zo is tijdens de visreis van 11 tot en met 16 september 2023 twee keer per dag gekeken of de bijboot lag afgemeerd bij de Noordervoorhaven van de sluis van Hansweert, wat steeds het geval was. De stelling van de verdediging dat deze boot precies op tijdstippen is gebruikt waarop niet is gecontroleerd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze waarnemingen bevestigen ook de anonieme meldingen in het dossier dat met de [naam vaartuig 2] grote hoeveelheden zeebaars worden gevangen. Van die visreizen hebben verbalisanten vastgesteld dat geen grote zeebaars-vangsten geregistreerd zijn op de [naam vaartuig 2] , maar wel op de (kapotte) [naam vaartuig 1] . De rechtbank zal hiermee rekening houden in de strafmaat. Strafmaat De rechtbank legt aan verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op van € 25.000,-. Daarvoor is het volgende van belang. Verdachte heeft gedurende een langere periode niet gemaakte visreizen door de [naam vaartuig 1] doorgegeven aan de RVO en heeft vervolgens zeebaarsvangsten van de [naam vaartuig 2] op de ten onrechte geregistreerde visreizen weggeschreven. Verdachte is zo in staat geweest om zeebaars die door de [naam vaartuig 2] gevangen is alsnog te verkopen, terwijl die volgens de vismachtiging voor zeebaars van de [naam vaartuig 2] niet verkocht kon worden. Daarmee is sprake van sterk financieel gedreven delicten. Dat verdachte de (opgetelde) totaalquota van de [naam vaartuig 1] en [naam vaartuig 2] niet heeft overschreden doet aan die conclusie niet af. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank, net als de officier van justitie, ermee rekening dat ook sprake is van een ontnemingsprocedure waarin de rechtbank een betalingsverplichting voor het wederrechtelijk verkregen voordeel aan verdachte oplegt. Gelet daarop is voor de rechtbank het voornaamste doel van de op te leggen straf om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een onvoorwaardelijk strafdeel in aanvulling op de ontnemingsmaatregel. Gelet daarop zal de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf geheel voorwaardelijk aan verdachte opleggen. 8 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 51, 57 en 225 Sr. 9 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Zaak A en zaak B, telkens: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro). Bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter, mrs. M. Smit en M. Nieuwenhuijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026. [...] Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan de zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste (document)nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn, tenzij anders vermeld, geschriften. DOC 3001, p. 143 (zaak A). DOC 7002, p. 182 (zaak A) DOC 9001, p. 188 (zaak A). Bijlage 9, p. 71 (zaak B; e