Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:1803
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-060860-24 Datum uitspraak: 19 februari 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2023 door the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia , Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Uit het EAB blijkt dat de overlevering wordt verzocht voor zowel de vervolging van de opgeëiste persoon als voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsbenemende straf. Vervolging van de opgeëiste persoon Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Rïga City Centre District Court van 22 oktober 2014 met kenmerk 12507000312. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Lets recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf Het EAB vermeldt een vonnis van the Rïga City Court van 25 januari 2023, met kenmerk 11815002311 (K77-48-23/87). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege schending van het vertrouwensbeginsel. De Letse autoriteiten hebben al in 2014 om de overlevering van de opgeëiste persoon gevraagd. Het EAB is toen rauwelijks afgewezen door het Openbaar Ministerie (OM). Deze afwijzing is bij brief van 1 mei 2017 aan de opgeëiste persoon bevestigd. In die brief heeft het OM geconcludeerd dat de prostitutiefeiten en daarmee ook de daaruit voortvloeiende feiten - het witwassen - niet strafbaar zijn in Nederland. Aan deze conclusie heeft de opgeëiste persoon een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat het OM niet zou overgaan tot overlevering voor de feiten waarvoor destijds zijn overlevering is verzocht. De feiten uit het EAB van 2014 zijn gelijkluidend aan de feiten in het huidige EAB. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De weigeringsgrond van artikel 7 OLW is tegenwoordig facultatief. Daarnaast is er een nieuw EAB uitgevaardigd waarop moet worden beslist. De opgeëiste persoon heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen k the person was not personally served with the judgment, but - the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and - when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and - the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 30 days.” Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, blijkt uit deze garantie ondubbelzinnig wanneer de termijn om verzet of hoger beroep in te stellen begint te lopen, namelijk vanaf het moment dat de beslissing - na feitelijke overlevering - aan de opgeëiste persoon is betekend en waarbij hij over de termijn van 30 dagen zal worden geïnformeerd. Nu sprake is van een afdoende verzetgarantie is het vonnis niet onherroepelijk, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder punt 7. 6 Strafbaarheid 6.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit drie (het witwassen) lichtvaardig is aangekruist als lijstfeit en dat ten aanzien van dat feit daarom de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon geld verdiende binnen zijn legitieme bedrijven maakt niet dat dit geld afkomstig was van zijn werkzaamheden voor het escortbureau. De opgeëiste persoon had een aantal bedrijven waarin winst werd gemaakt, maar die niets met strafbare feiten te maken hadden. Er is dan ook geen sprake van witwassen via deze bedrijven. Daarnaast zijn de prostitutiefeiten niet strafbaar naar Nederlands recht, waardoor de opbrengsten daarvan ook niet als opbrengsten uit een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien was het OM in 2017 kennelijk van oordeel dat het witwasfeit geen strafbaar feit naar Nederlands recht opleverde. De overlevering van de opgeëiste persoon dient daarom op grond van artikel 7 OLW te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit met betrekking tot feit drie in redelijkheid is aangekruist. De dubbele strafbaarheid hoeft daarom niet getoetst te worden. De inhoudelijke toets die ziet op de herkomst van de gelden dient in Letland plaats te vinden. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit drie aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: witwassen van opbrengsten van misdrijven. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Letland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit drie waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 6.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de prostitutiefeiten (feiten één en twee) niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Er is dus niet voldaan aan de voor overlev Aangezien de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en witwassen in Letland een strafbaar feit is, heeft Nederland op grond van artikel 7 Wetboek van Strafrecht (Sr) rechtsmacht over dat feit. Op witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Sr staat een maximale gevangenisstraf van zes jaren, zodat op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren geldt. De laatste handeling jegens de opgeëiste persoon die de verjaring heeft doen stuiten, was het moment waarop hij in Letland uit voorlopige hechtenis werd vrijgelaten. Het enkele feit dat in 2014 een EAB was uitgevaardigd dat door het OM rauwelijks was afgewezen, kan niet gelden als een stuitingshandeling. Het uitvaardigen van een EAB kan niet worden gelijkgesteld aan een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 Sr. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verjaring en dat de overlevering kan worden toegestaan. De verjaringstermijn van witwassen is naar Nederlands recht twaalf jaar. In geval van vervolgingsverjaring geldt de uitvaardiging van een EAB als een stuitingshandeling. Er is dus een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen toen het eerdere EAB van 23 december 2014 werd uitgevaardigd. Oordeel van de rechtbank Eerder in deze uitspraak heeft de rechtbank al vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat ingevolge artikel 7, eerste lid, Sr sprake is van rechtsmacht ten aanzien van het witwasfeit. Om te bepalen of het recht tot strafvervolging voor dit feit verjaard is, moet daarom worden gekeken naar Nederlands recht. Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr vervalt het recht tot strafvervolging voor dit feit na twaalf jaren. Uitgaande van de datum waarop het feit voor het eerst zou zijn gepleegd, namelijk 23 april 2010, zou de verjaringstermijn op 23 april 2022 zijn verlopen. De vraag is vervolgens of deze verjaringstermijn is gestuit als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr en, zo ja, of die stuitingshandeling tot gevolg heeft gehad dat de verjaringstermijn op dit moment nog loopt. Al eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitvaardiging van een EAB in ieder geval als stuitingshandeling gezien moet worden. Dit betekent dat met de uitvaardiging van het eerdere EAB op 23 december 2014 de verjaring is gestuit. Na deze stuitingshandeling is vervolgens een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren aangevangen, zodat het recht tot strafvervolging op dit moment nog niet is verjaard Evenmin is sprake van verjaring naar Nederlands recht op de grond dat vanaf de aanvang van de verjaringsperiode op 23 april 2010 een periode van twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn van twaalf jaar is verstreken. De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is dus niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 9 Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank heeft, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 en 19 september 2024 , geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld. Het algemene gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg. Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering aan Letland. The Department of Imprisonment Institutions in Riga heeft op 16 januari 2026 - voor zover van belang - in antwoord op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) gestelde vragen van 29 december 2025, de volgende informatie verstrekt: “ In reply to 1st question “In which p De beantwoording van The Department of Imprisonment Institutions is onvoldoende om het algemeen gevaar op onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Daarnaast loopt de opgeëiste persoon extra gevaar in de Letse detentie-instelling, omdat hij buitenlander is en wordt verdacht van feiten die hem onderaan het kastensysteem plaatsen. Voorts is gewezen op zijn gezondheidssituatie. De opgeëiste persoon is afhankelijk van een aanzienlijke hoeveelheid medicatie en periodieke controles, maar onduidelijk is in hoeverre de Letse autoriteiten daarin kunnen voorzien. De raadsman heeft de rechtbank vervolgens verzocht geen redelijke termijn te stellen, aangezien niet de verwachting bestaat dat een wijziging in omstandigheden zal optreden. Subsidiair moet aan de Letse autoriteiten een redelijke termijn worden gesteld. Meer subsidiair moeten aanvullende vragen worden gesteld aan de Letse autoriteiten in verband met de medische situatie van de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een redelijke termijn van 30 dagen te stellen om de Letse autoriteiten in de gelegenheid te stellen concrete en op de opgeëiste persoon toegespitste aanvullende informatie te verstrekken. The Department of Imprisonment Institutions heeft met de aanvullende informatie onvoldoende concreet antwoord gegeven op de vragen met betrekking tot de inter-prisoner violence , het kastenstelsel en de individuele veiligheid van de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank heeft The Department of Imprisonment Institutions met de verstrekte informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie geplaatst wordt. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt alleen informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt er gesproken over negen detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 20 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of binnen de redelijke termijn een wijziging in de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 6 maart 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn met 60 dagen verlengen,