Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-29
ECLI:NL:RBAMS:2026:1472
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 text/xml public 2026-03-19T10:34:58 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-29 AMS 26/140 en 26/142 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 text/html public 2026-03-16T08:29:58 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 Rechtbank Amsterdam , 29-01-2026 / AMS 26/140 en 26/142 Verzoek om voorlopige voorziening hangende een beroep niet tijdig. De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet tijdig gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 26/140 en 26/142 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 op het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] e.a., uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. J.J.W. Lamme), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. H.J. van der Wal). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: CBRE DRET Development B.V. uit Amsterdam (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. M. Klijnstra). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over beroep niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek en een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Eisers wonen aan het [plaats] . Op 10 februari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het uitbreiden van een bestaand woonwinkelblok met twee woongebouwen, nieuwe verkaveling van de winkels op de begane grond en het verbouwen van het overdekte winkelcentrum op de locatie [locatie] in Amsterdam. 3. De gemachtigde van eisers heeft op 13 november 2025 een e-mail aan het college gestuurd, waarin zij vraagt om handhavend op te treden in afwachting van een gemeentelijk onderzoek naar de veiligheid van het woongebouw en om na te gaan of sprake is van een overtreding van de vergunningvoorschriften en of er conform de aanvraag gewerkt wordt. Op 9 januari 2026 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit handhavingsverzoek. Daarnaast hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 4. De griffier heeft naar aanleiding van het beroep- en verzoekschrift contact opgenomen met het college om te vragen wat de stand van zaken is betreffende het handhavingsverzoek. Het college heeft telefonisch toegelicht dat de mail van 13 november 2025 niet als handhavingsverzoek is aangemerkt. De gemachtigde van eisers had dit namelijk per post met een natte handtekening in moeten dienen. 5. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens bericht voornemens te zijn zonder zitting uitspraak te doen en het college in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 januari 2026 zijn standpunt kenbaar te maken over het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft vervolgens telefonisch aan de griffier laten weten dat het handhavingsverzoek van eisers alsnog in behandeling wordt genomen. Het college zou hierover op uiterlijk 20 januari 2026 meer informatie verstrekken. Het college heeft binnen deze termijn geen besluit op het handhavingsverzoek genomen of laten weten wanneer dit besluit uiterlijk zal worden genomen. 6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in beide procedures zonder zitting uitspraak te doen. Er is in de aanloop naar deze uitspraak veel contact geweest tussen de rechtbank en partijen. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak de balans opmaken over de huidige stand van zaken, te beginnen met het beroep niet tijdig beslissen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het beroep niet tijdig 7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat formeel geen sprake was van een handhavingsverzoek, omdat zo’n verzoek per post met een natte handtekening moet worden ingediend. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet. Uit de e-mail van 13 november 2025 blijkt duidelijk dat de gemachtigde van eisers bedoeld heeft een handhavingsverzoek in te dienen en niet in geschil is dat deze e-mail door het college is ontvangen. Er is geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat handhavingsverzoeken niet per e-mail kunnen worden ingediend. Aan de eis van schriftelijkheid van artikel 4:1 van de Awb is in beginsel ook voldaan indien een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan. Op grond van artikel 4:2 van de Awb moet een aanvraag worden ondertekend, maar een ‘natte handtekening’ is geen vereiste. Indien en voorzover het college van mening was dat de e-mail van 13 november 2025 niet voldeed aan de vereisten van een aanvraag/handhavingsverzoek, had het op haar weg gelegen om (de gemachtigde van) eisers daarover te informeren en in de gelegenheid te stellen dit te herstellen. 9. In de Awb is bepaald dat een beschikking moet worden afgegeven binnen een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van die termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Die redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. 10. Eisers voeren aan dat in dit geval de redelijke termijn korter is dan acht weken, vanwege de ernst van de ervaren overlast. De voorzieningenrechter kan eisers hierin volgen. Nu het gaat om uitvoering van bouwwerkzaamheden waarvan eisers naar eigen zeggen op het moment van indiening van het verzoek ernstige overlast ervaren, is een beslistermijn van maximaal vier weken in deze zaak als redelijk aan te merken. Het college heeft niet binnen die termijn beslist. 11. Na het verstrijken van deze beslistermijn, op 17 december 2025, hebben eisers het college in gebreke gesteld. Het college heeft daarna niet binnen twee weken alsnog beslist. 12. Dit betekent dat het beroep niet-tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond is. De voorzieningenrechter zal het college opdragen alsnog op het handhavingsverzoek van eisers te beslissen. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat dit een voldoende sterke prikkel is. Het verzoek om voorlopige voorziening 13. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat vergunninghouder zich in de periode waarbinnen het college op het handhavingsverzoek moet beslissen, aan de vergunningvoorschriften houdt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dergelijke voorziening te treffen. De verplichting van vergunninghouder om zich aan deze voorschriften te houden volgt al uit de betreffende vergunning. Bovendien kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen die samenhangt met het in de hoofdzaak bestreden besluit (materiële connexiteit). De hoofdzaak is in dit geval het beroep niet tijdig beslissen, waarin niet voorligt of vergunninghouder zich al dan niet aan de vergunningvoorschriften houdt en dat dit niet het geval is, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Het is aan het college om dit in het kader van de te nemen beslissing op het handhavingsverzoek te beoordelen. 14.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 text/xml public 2026-03-19T10:34:58 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-29 AMS 26/140 en 26/142 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 text/html public 2026-03-16T08:29:58 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:1472 Rechtbank Amsterdam , 29-01-2026 / AMS 26/140 en 26/142 Verzoek om voorlopige voorziening hangende een beroep niet tijdig. De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet tijdig gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 26/140 en 26/142 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 op het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] e.a., uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. J.J.W. Lamme), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. H.J. van der Wal). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: CBRE DRET Development B.V. uit Amsterdam (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. M. Klijnstra). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over beroep niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek en een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Procesverloop 2. Eisers wonen aan het [plaats] . Op 10 februari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het uitbreiden van een bestaand woonwinkelblok met twee woongebouwen, nieuwe verkaveling van de winkels op de begane grond en het verbouwen van het overdekte winkelcentrum op de locatie [locatie] in Amsterdam. 3. De gemachtigde van eisers heeft op 13 november 2025 een e-mail aan het college gestuurd, waarin zij vraagt om handhavend op te treden in afwachting van een gemeentelijk onderzoek naar de veiligheid van het woongebouw en om na te gaan of sprake is van een overtreding van de vergunningvoorschriften en of er conform de aanvraag gewerkt wordt. Op 9 januari 2026 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit handhavingsverzoek. Daarnaast hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 4. De griffier heeft naar aanleiding van het beroep- en verzoekschrift contact opgenomen met het college om te vragen wat de stand van zaken is betreffende het handhavingsverzoek. Het college heeft telefonisch toegelicht dat de mail van 13 november 2025 niet als handhavingsverzoek is aangemerkt. De gemachtigde van eisers had dit namelijk per post met een natte handtekening in moeten dienen. 5. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens bericht voornemens te zijn zonder zitting uitspraak te doen en het college in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 januari 2026 zijn standpunt kenbaar te maken over het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft vervolgens telefonisch aan de griffier laten weten dat het handhavingsverzoek van eisers alsnog in behandeling wordt genomen. Het college zou hierover op uiterlijk 20 januari 2026 meer informatie verstrekken. Het college heeft binnen deze termijn geen besluit op het handhavingsverzoek genomen of laten weten wanneer dit besluit uiterlijk zal worden genomen. 6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in beide procedures zonder zitting uitspraak te doen. Er is in de aanloop naar deze uitspraak veel contact geweest tussen de rechtbank en partijen. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak de balans opmaken over de huidige stand van zaken, te beginnen met het beroep niet tijdig beslissen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het beroep niet tijdig 7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat formeel geen sprake was van een handhavingsverzoek, omdat zo’n verzoek per post met een natte handtekening moet worden ingediend. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet. Uit de e-mail van 13 november 2025 blijkt duidelijk dat de gemachtigde van eisers bedoeld heeft een handhavingsverzoek in te dienen en niet in geschil is dat deze e-mail door het college is ontvangen. Er is geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat handhavingsverzoeken niet per e-mail kunnen worden ingediend. Aan de eis van schriftelijkheid van artikel 4:1 van de Awb is in beginsel ook voldaan indien een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan. Op grond van artikel 4:2 van de Awb moet een aanvraag worden ondertekend, maar een ‘natte handtekening’ is geen vereiste. Indien en voorzover het college van mening was dat de e-mail van 13 november 2025 niet voldeed aan de vereisten van een aanvraag/handhavingsverzoek, had het op haar weg gelegen om (de gemachtigde van) eisers daarover te informeren en in de gelegenheid te stellen dit te herstellen. 9. In de Awb is bepaald dat een beschikking moet worden afgegeven binnen een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van die termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Die redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. 10. Eisers voeren aan dat in dit geval de redelijke termijn korter is dan acht weken, vanwege de ernst van de ervaren overlast. De voorzieningenrechter kan eisers hierin volgen. Nu het gaat om uitvoering van bouwwerkzaamheden waarvan eisers naar eigen zeggen op het moment van indiening van het verzoek ernstige overlast ervaren, is een beslistermijn van maximaal vier weken in deze zaak als redelijk aan te merken. Het college heeft niet binnen die termijn beslist. 11. Na het verstrijken van deze beslistermijn, op 17 december 2025, hebben eisers het college in gebreke gesteld. Het college heeft daarna niet binnen twee weken alsnog beslist. 12. Dit betekent dat het beroep niet-tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond is. De voorzieningenrechter zal het college opdragen alsnog op het handhavingsverzoek van eisers te beslissen. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat dit een voldoende sterke prikkel is. Het verzoek om voorlopige voorziening 13. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat vergunninghouder zich in de periode waarbinnen het college op het handhavingsverzoek moet beslissen, aan de vergunningvoorschriften houdt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dergelijke voorziening te treffen. De verplichting van vergunninghouder om zich aan deze voorschriften te houden volgt al uit de betreffende vergunning. Bovendien kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen die samenhangt met het in de hoofdzaak bestreden besluit (materiële connexiteit). De hoofdzaak is in dit geval het beroep niet tijdig beslissen, waarin niet voorligt of vergunninghouder zich al dan niet aan de vergunningvoorschriften houdt en dat dit niet het geval is, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Het is aan het college om dit in het kader van de te nemen beslissing op het handhavingsverzoek te beoordelen. 14.