Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:1391
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-153123-24 (EAB II) Datum uitspraak: 10 februari 2026 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 november 2023 door the Criminal Division II of the Regional Court in Ostrołęka, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, beiden advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 1 maart 2023 uitgevaardigd door the District Court in Ostrołęka , met referentie II Kp 93/23 (PR 4024-0.Ds.1420.2022). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5 Artikel 11 OLW 5.1. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 5.2. Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden in remand prisons De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid. De Each penal institution shall operate a book and press lending service for prisoners and shall provide access to audiovisual equipment in common rooms and living quarters. Convicts may be allowed to form groups for cultural, educational, social and sporting activities. For these reasons, they may also be allowed to establish contacts and cooperate with relevant associations, organisations and institutions. In particular, they may be allowed to undertake work for public purposes, as well as to pursue other socially recognised goals. It is the responsibility of the penal institution administration to ensure that prisoners have appropriate leisure activities, and the rules for participating in the above-mentioned activities are determined by the Director of the penal institution. -- 5. Penal institutions provide compulsory primary education and also offer secondary education and vocational courses. With the consent of Director of the penal institution convicts may attend schools outside the penal facility if they meet the general requirements of public education, behave appropriately and do not threaten the legal order. - 6. Convicts have the right to practise their religion and use religious services, as well as to participate directly in religious services held in the prison on public holidays and to listen to religious services broadcast by the media, and to possess the hooks, writings and objects necessary for this purpose. The convicted person has the right to participate in religious instruction conducted in the prison, to take part in the charitable and social activities of the church or other religious association, as well as to have individual meetings with a clergyman of the church or other religious association to which he or she belongs; these clergymen may visit convicted persons in the rooms where they are staying.” Op 21 januari 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld: “In a previous case, the Court of Amsterdam has considered information similar to the information you provided on 13-01-2026 insufficient, as it falls short of a guarantee that the wanted person can spend on average at least 2 hours per day outside his cell if he chooses to participate in all activities in which he can under normal circumstances . Based on this, can you state how many hours per day [opgeëiste persoon] , on average and under normal circumstances, will be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?” Hierop is geen antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd. Gelet op de detentieomstandigheden – en dan in het bijzonder het aantal uren dat cliënt per dag buiten zijn cel kan doorbrengen – bestaat er een reële kans op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie onvoldoende is om het algemene gevaar weg te nemen. Hoewel uit deze informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering kan beschikken over een persoonlijke celruimte van 3 m2 blijkt niet dat hij twee uur per dag buiten de cel mag verblijven. De officier van justitie heeft daarom verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Hoewel voor de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd, is allereerst niet vermeld waar de opgeëiste persoon na zijn over