Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:1387
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-006944-26 Datum uitspraak: 10 februari 2026 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2026 door het Federaal Parket in Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (België), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht. Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Uitvaardigende justitiële autoriteit Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt geteld dat het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie, terwijl de beslissing niet vatbaar is voor een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de feitelijke overlevering. Het onderliggende Nationale Aanhoudingsbevel (NAB) is uitgevaardigd door een rechter zonder dat daarbij de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB is getoetst. Deze zaak verschilt daarom niet van de Griekse zaak waarin deze rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld. Verder is het EAB niet uitgevaardigd op verzoek van de opgeëiste persoon. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak verschilt van voornoemde Griekse zaak en dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen daarom niet relevant is voor deze zaak. Allereerst is het EAB het gevolg van het verzoek van de opgeëiste persoon om aanwezig te zijn bij de behandeling van de strafzaak in België. De Belgische rechtbank heeft vervolgens op zitting een bevel aanhouding afgegeven met als doel de aanwezigheid van opgeëiste persoon op de zitting in België, wetende dat de opgeëiste persoon in Nederland gedetineerd zit en dat een EAB nodig is om hem op de zitting aanwezig te laten zijn. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2025 bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, in België overgelegd. Het oordeel van de rechtbank Het gaat in deze zaak om een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd door het Belgische Openbaar Ministerie en dat berust op een door een Belgische rechtbank uitgevaardigd NAB. In voormelde Griekse zaak, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, staat de vraag centraal of naar Grieks recht voorafgaand aan de feitelijke overlevering een rechtelijke toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van een vervolgings-EAB en de evenredigheid daarvan mogelijk is. Hoewel deze vraag ook in deze zaak rijst, is de situatie hier anders dan in de Griekse zaak. De rechtbank licht dit als volgt toe. Naar Belgisch recht mag het Openbaar Ministerie slechts in twee uitzonderingsgevallen een vervolgings-EAB uitvaardigen. Eén van die twee uitzonderingen is de situatie dat het NAB niet door een onderzoeksrechter, maar door de zittingsrechter is uitgevaardigd, iets wat hier het geval is. De Belgische zittingsrechter mag namelijk een NAB uitvaardigen als de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting kan verschijnen vanwege een detentie in het buitenland - waar hier sp Overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag is deze toestemming tot verderlevering daarmee gegeven door de bevoegde autoriteit. Het feit dat de brief is ondertekend door de assistent-staatsecretaris voor Internationale Samenwerking en Justitiële Zaken doet daar niet aan af. De raadsman heeft weliswaar gesteld dat nergens uit blijkt dat deze functionaris bevoegd is tot het nemen van de bewuste beslissing, maar deze enkele stelling biedt – zonder enige concrete onderbouwing – onvoldoende aanknopingspunten om daaraan te twijfelen. Ook het feit dat geen sprake is van een door een beëdigde vertaler opgestelde vertaling is geen reden om aan de inhoud of de juistheid van de brief te twijfelen. De raadsman heeft namelijk niet onderbouwd dat sprake is van een onjuiste vertaling. Het enkele feit dat de naam van de opgeëiste persoon in de vertaalde brief één keer onvolledig is weergegeven, is daartoe onvoldoende. Bovendien wordt de volledige naam van de opgeëiste persoon meerdere keren wel juist genoemd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding conform artikel 28/1 Wet voorlopige hechtenis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren van 2 december 2025. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 6 Strafbaarheid 6.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie. 8 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 27 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden te Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden ? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Mechelen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien De rechtbank beschikt in deze zaak over voornoemde individuele garantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt, alsmede over het interview met de gevangenisdirecteur van 16 december 2025 en het nieuwsbericht van 16 januari 2026 dat door de raadsman is verstrekt. Het vastgestelde algemene gevaar voor de detentie-instellingen in België ziet (onder meer) op de problematiek rondom overbevolking en het niet afgescheiden zijn van het sanitair van de slaapplekken. Voornoemde berichten bevestigen dat deze problematiek nog steeds actueel is. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat nieuwsberichten op zichzelf niet als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens kunnen worden aangemerkt, zoals bedoeld in het arrest Aranyosi en Căldăraru van het Hof van Justitie van de Europese unie, is de rechtbank geconfronteerd met een interview waarin de gevangenisdirecteur en de directeur generale gevangeniswezen zelf uitlatingen doen over de detentieomstandigheden in Mechelen. In het interview wordt de mate van overbevolking in de instelling geconcretiseerd. Per 16 december 2025 worden in Mechelen 151 gedetineerden gehuisvest, terwijl slechts ruimte is voor 84 gedetineerden. De directeur gevangeniswezen stelt dat er doden zullen vallen, als er niets gebeurt. Ook in het door de raadsman overgelegde nieuwsbericht gaat het over de overbevolking in Belgische gevangenissen. In dit nieuwsbericht is een figuur opgenomen met cijfers over de overbevolking per gevangenis, afkomstig van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie. Uit die cijfers blijkt dat per 5 januari 2026 voornoemd aantal van 151 gedetineerden in de gevangenis van Mechelen is opgelopen naar 156 gedetineerden waardoor de bezettingsgraad daar per die datum 185,7% is. Gelet op het voorgaande kan een globale beoordeling van de in deze zaak verstrekte detentiegarantie van 27 januari 2026 niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het eerder vastgestelde algemeen gevaar van onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in de gevangenis van Mechelen wordt weggenomen. De op dit moment beschikbare informatie over de detentieomstandigheden in Mechelen leidt ertoe dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie op de volgende punten: In hoeverre heeft de in het interview van 16 december 2025 verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte garantie? Welke gevolgen zijn dat? Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling? Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling? In het kader van de verdere beoordeling zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit voornoemde vragen te laten beantwoorden, indachtig de omstandigheden op grond waarvan het algemeen gevaar voor gedetineerden in België is aangenomen. 9 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 8 geformuleerde vragen aan de Belgische uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen; BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 19 maart 2026 (einde van de beslistermijn) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. L