Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-29
ECLI:NL:RBAMS:2026:1379
Civiel recht; Europees civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,610 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 text/xml public 2026-03-12T16:16:06 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-29 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Europees civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 text/html public 2026-03-11T14:06:22 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 Rechtbank Amsterdam , 29-01-2026 / 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Afwijzing vordering. Sanctie in verband met niet voldoen aan essentiële informatieplichten overstijgt het toewijsbare gedeelte van de hoofdsom, vanwege oneerlijke bedingen, zodat de vordering wordt afgewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Vonnis van 29 januari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUURGEMAK B.V. , gevestigd te Steenwijk, eisende partij, hierna te noemen: Huurgemak, gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 oktober 2025, - de akte van Huurgemak. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is Huurgemak in de gelegenheid gesteld, kort gezegd, zich uit te laten over het voornemen tot vernietiging van twee bedingen in de algemene voorwaarden, die als oneerlijk zijn aangemerkt. 2.2. Huurgemak is in haar akte uitgebreid ingegaan op de beoordeling van de naleving van informatieplichten, ondanks dat zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Die gelegenheid heeft Huurgemak al (meerdere keren) gehad en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt. Opvallend in dat kader is dat Huurgemak in haar akte verzoekt de informatieplichten, waaronder de bestelknop, te beoordelen naar de in 2020 geldende richtlijnen, tarieven en percentages in plaats van de meest recente versie van het Sanctiemodel. In 2020 was er nog geen sanctiemodel en werden vorderingen nog integraal afgewezen als de bestelknop niet voldeed. In dit verband wordt ook verwezen naar het tussenvonnis van 4 juli 2024. Het is dan ook in het belang van Huurgemak om de zaak te beoordelen naar (de huidige versie van) het Sanctiemodel. Huurgemak lijkt te suggereren dat de schending van de bestelknopverplichting dubbel wordt bestraft. Dat is onjuist. Er is immers een schending van de bestelknopverplichting, de precontractuele verplichting om [gedaagde] te informeren over de totale prijs, de precontractuele verplichting om [gedaagde] op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over het ontbindingsrecht (aan dat onderstreepte vereiste voldoet een bepaling in de algemene voorwaarden niet) én er zijn meerdere contractuele schendingen van informatieplichten, die gezamenlijk als één schending meetellen. Dat komt neer, gelet op het Sanctiemodel, niet uit op 40% zoals eisende partij schrijft, maar op 60%, zonder dat sprake is van dubbele sanctionering. 2.3. Voor wat betreft de gevolgen van mogelijke ambtshalve vernietiging van de bedingen laat Huurgemak weten dat dit buitenproportionele gevolgen zal hebben, zeker nu partijen daaraan dan niet (meer) gebonden zijn. Nu alle bedingen vooraf zijn verstrekt, duidelijk en transparant zijn geformuleerd en inherent zijn aan de aard van de overeenkomst, ziet eisende partij geen aanleiding om een beding als oneerlijk aan te merken. 2.4. Buitenproportionele gevolgen kunnen niet aan vernietiging van oneerlijke bedingen in de weg staan. Hierover is de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, alsmede de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie helder. Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). 2.5. Het gaat er niet alleen om of bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd of passen bij de aard van de overeenkomst, zoals Huurgemak aanvoert, maar of bedingen oneerlijk zijn. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. 2.6. Gelet op het hiervoor aangehaalde beoordelingskader, in samenhang met de overwegingen in het tussenvonnis van 23 oktober 2025 over de daarin geciteerde bedingen, blijft de kantonrechter bij het oordeel dat die bedingen oneerlijk zijn. De door Huurgemak aangevoerde argumenten maken dat oordeel niet anders. 2.7. De kantonrechter zal dan ook overgaan tot vernietiging van de bedingen die in het tussenvonnis als oneerlijk zijn aangemerkt. Het gevolg hiervan is dat die bedingen [gedaagde] niet binden. Huurgemak kan zich op deze bedingen niet beroepen en evenmin een beroep doen op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de overeenkomst zouden staan. 2.8. Dat betekent dat [gedaagde] géén resterende termijnen verschuldigd is vanaf het moment waarop Huurgemak de overeenkomst heeft willen ontbinden. Uitsluitend de onbetaald gelaten huurtermijnen tot dat moment zijn toewijsbaar. Dat komt neer op een bedrag van € 345,44. De factuur, of subsidiair gevorderd een gedeelte daarvan, waarbij alle resterende termijnen in rekening zijn gebracht, ten bedrage van € 2.284,22 is [gedaagde] niet verschuldigd. 2.9. Nu de sanctie van 60% wordt toegepast over de volledige hoofdsom ten bedrage van € 2.629,66, komt deze neer op een bedrag van € 1.577,79. 2.10. Het sanctiebedrag overstijgt ruimschoots het toewijsbare gedeelte van de vordering van Huurgemak. De vordering wordt daarom integraal afgewezen. 2.11. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] is alleen al vanwege het vernietigde oneerlijke proceskostenbeding in de algemene voorwaarden geen ruimte, maar ook niet bij deze uitkomst van de procedure. Huurgemak wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. wijst de vordering af, 3.2. veroordeelt Huurgemak in de proceskosten, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026. 991
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 text/xml public 2026-03-12T16:16:06 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-29 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Europees civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 text/html public 2026-03-11T14:06:22 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:1379 Rechtbank Amsterdam , 29-01-2026 / 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Afwijzing vordering. Sanctie in verband met niet voldoen aan essentiële informatieplichten overstijgt het toewijsbare gedeelte van de hoofdsom, vanwege oneerlijke bedingen, zodat de vordering wordt afgewezen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 9062650 \ CV EXPL 21-3522 Vonnis van 29 januari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUURGEMAK B.V. , gevestigd te Steenwijk, eisende partij, hierna te noemen: Huurgemak, gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 23 oktober 2025, - de akte van Huurgemak. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is Huurgemak in de gelegenheid gesteld, kort gezegd, zich uit te laten over het voornemen tot vernietiging van twee bedingen in de algemene voorwaarden, die als oneerlijk zijn aangemerkt. 2.2. Huurgemak is in haar akte uitgebreid ingegaan op de beoordeling van de naleving van informatieplichten, ondanks dat zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Die gelegenheid heeft Huurgemak al (meerdere keren) gehad en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt. Opvallend in dat kader is dat Huurgemak in haar akte verzoekt de informatieplichten, waaronder de bestelknop, te beoordelen naar de in 2020 geldende richtlijnen, tarieven en percentages in plaats van de meest recente versie van het Sanctiemodel. In 2020 was er nog geen sanctiemodel en werden vorderingen nog integraal afgewezen als de bestelknop niet voldeed. In dit verband wordt ook verwezen naar het tussenvonnis van 4 juli 2024. Het is dan ook in het belang van Huurgemak om de zaak te beoordelen naar (de huidige versie van) het Sanctiemodel. Huurgemak lijkt te suggereren dat de schending van de bestelknopverplichting dubbel wordt bestraft. Dat is onjuist. Er is immers een schending van de bestelknopverplichting, de precontractuele verplichting om [gedaagde] te informeren over de totale prijs, de precontractuele verplichting om [gedaagde] op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over het ontbindingsrecht (aan dat onderstreepte vereiste voldoet een bepaling in de algemene voorwaarden niet) én er zijn meerdere contractuele schendingen van informatieplichten, die gezamenlijk als één schending meetellen. Dat komt neer, gelet op het Sanctiemodel, niet uit op 40% zoals eisende partij schrijft, maar op 60%, zonder dat sprake is van dubbele sanctionering. 2.3. Voor wat betreft de gevolgen van mogelijke ambtshalve vernietiging van de bedingen laat Huurgemak weten dat dit buitenproportionele gevolgen zal hebben, zeker nu partijen daaraan dan niet (meer) gebonden zijn. Nu alle bedingen vooraf zijn verstrekt, duidelijk en transparant zijn geformuleerd en inherent zijn aan de aard van de overeenkomst, ziet eisende partij geen aanleiding om een beding als oneerlijk aan te merken. 2.4. Buitenproportionele gevolgen kunnen niet aan vernietiging van oneerlijke bedingen in de weg staan. Hierover is de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, alsmede de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie helder. Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). 2.5. Het gaat er niet alleen om of bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd of passen bij de aard van de overeenkomst, zoals Huurgemak aanvoert, maar of bedingen oneerlijk zijn. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. 2.6. Gelet op het hiervoor aangehaalde beoordelingskader, in samenhang met de overwegingen in het tussenvonnis van 23 oktober 2025 over de daarin geciteerde bedingen, blijft de kantonrechter bij het oordeel dat die bedingen oneerlijk zijn. De door Huurgemak aangevoerde argumenten maken dat oordeel niet anders. 2.7. De kantonrechter zal dan ook overgaan tot vernietiging van de bedingen die in het tussenvonnis als oneerlijk zijn aangemerkt. Het gevolg hiervan is dat die bedingen [gedaagde] niet binden. Huurgemak kan zich op deze bedingen niet beroepen en evenmin een beroep doen op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de overeenkomst zouden staan. 2.8. Dat betekent dat [gedaagde] géén resterende termijnen verschuldigd is vanaf het moment waarop Huurgemak de overeenkomst heeft willen ontbinden. Uitsluitend de onbetaald gelaten huurtermijnen tot dat moment zijn toewijsbaar. Dat komt neer op een bedrag van € 345,44. De factuur, of subsidiair gevorderd een gedeelte daarvan, waarbij alle resterende termijnen in rekening zijn gebracht, ten bedrage van € 2.284,22 is [gedaagde] niet verschuldigd. 2.9. Nu de sanctie van 60% wordt toegepast over de volledige hoofdsom ten bedrage van € 2.629,66, komt deze neer op een bedrag van € 1.577,79. 2.10. Het sanctiebedrag overstijgt ruimschoots het toewijsbare gedeelte van de vordering van Huurgemak. De vordering wordt daarom integraal afgewezen. 2.11. Voor een proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] is alleen al vanwege het vernietigde oneerlijke proceskostenbeding in de algemene voorwaarden geen ruimte, maar ook niet bij deze uitkomst van de procedure. Huurgemak wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. wijst de vordering af, 3.2. veroordeelt Huurgemak in de proceskosten, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026. 991