Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:1338
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-107368-24 Datum uitspraak: 5 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2024 door the Prosecutor of the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia , Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2001 in Letland (geboorteplaats onbekend), feitelijk verblijfadres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 2 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 2 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma. advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Letse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 16 december 2025 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank beslist over de grondslag en de inhoud van het EAB (punt 3) en de strafbaarheid van het feit (punt 4). Voorts heeft de rechtbank overwegingen gewijd aan artikel 11 OLW (punt 5), waarna het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 22 januari 2026 Op deze zitting is de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, en door een tolk in de Letse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft. 3 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Inleiding In de tussenuitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de informatie die is gegeven van algemene aard is en niet of nauwelijks ziet op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt enkel informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vraag waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst onvoldoende is beantwoord, waardoor een nader onderzoek naar de concrete situatie in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid terecht zal komen na een overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit niet mogelijk is. Geoordeeld is dat het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon en dat bij deze stand van zaken voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. De rechtbank heeft vervolgens een redelijke termijn van 30 dagen gesteld, zodat kan worden nagegaan of na het verstrijken van deze termijn een wijziging in omstandigheden is opgetreden. Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 22 december 2025 de volgende vragen voorgelegd aan d (…) The action plan included in the report summarizes measures both already implemented and still to be implemented in the following areas: - measures to improve the capacity of Prisons Administration staff (…); - further development of the prisoner resocialization system (…); - measures to improve the infrastructure of places of imprisonment (…); - measures to improve the training of judges. (…) In prisons there is provided a system of uninterrupted 24-hour supervision, which includes video surveillance and regular inspections carried out by the staff. If a risk of violence of degrading treatment is detected, the imprisoned person will be moved to another cell, moreover, in case of any existent endangerment, imprisoned persons can apply to the prison official and request their assistance of protection, furthermore, the use of video surveillance cameras in places of imprisonment reduces the possibility of affecting imprisoned persons and helps to reduce the prevalence of informal hierarchy among imprisoned persons. (…) Arrested persons who, prior to their arrest, have not served a custodial sentence in places of deprivation of liberty are detained separately from other arrested persons. (…) The Administration also informs that imprisoned persons’ safety is assured by carrying out regular inspections and supervision. (…) Video surveillance systems are also in use in order to prevent any violence or other incidents. In addition the Administration informs that in the event of a serious threat any imprisoned person can be isolated from the “source” of a threat, for example, by relocating to another cell or unit, relocating to another block, relocating to another place of imprisonment. (…)” Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De verstrekte aanvullende informatie is nog altijd te algemeen van aard en levert geen wijziging in omstandigheden op. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie van 6 januari 2026 een wijziging van omstandigheden inhoudt, waardoor geen sprake meer is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. In deze aanvullende informatie is namelijk sprake van een nieuw deel dat ziet op gedetineerden die een negatieve invloed op anderen hebben. Die gedetineerden zullen apart worden geplaatst van de andere gedetineerden. Deze toezegging is fundamenteel verschillend van de vorige toezeggingen. Hieruit blijkt dat de Letse autoriteiten de problemen in de detentie-instellingen proberen op te lossen. Gelet op deze aanvullende informatie is het volgens de officier van justitie niet nodig dat informatie wordt verstrekt over de vraag in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na een overlevering aan Letland naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat het IRC naar aanleiding van de tussenuitspraak niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijk zal worden geplaatst. Hierdoor is het voor de rechtbank nog steeds niet mogelijk om nader onderzoek naar de concrete situatie in die detentie-instelling te doen. De rechtbank is voorts van oordeel dat met de aanvullende informatie van 6 januari 2026 onvoldoende antwoord is gegeven op de vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel. De verstrekte informatie vermeldt nog steeds enkel algemene maatregelen die worden genomen waarbij opnieuw wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland. De informatie van 6 januari 2026 levert daarom naar het oordeel van de rechtbank geen wijziging van omstandigheden op. Hierdoor is het reeds vastgestelde reële individuele gevaar zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW voor de opgeëiste per