Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:1192
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2540 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 op het verzet van [opposant] , uit Amsterdam, opposant (gemachtigde: [naam] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2025 in het geding tussen opposant en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam , geopposeerde (gemachtigde: mr. S. Johannes-Daha). Inleiding 1. Op 15 januari 2025 heeft opposant meerdere WOO-verzoeken ingediend bij geopposeerde. 2. Op 18 april 2025 heeft opposant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn WOO-verzoeken. Opposant heeft ook verzocht om vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. 3. In het besluit van 14 juli 2025 heeft geopposeerde op de WOO-verzoeken van opposant beslist – in het kort – een aantal (passages) van de door opposant gevraagde informatie niet openbaar te maken en een deel in het geheel niet openbaar te maken. 4. Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft opposant de rechtbank bericht dat hij zijn verzoeken om griffierecht en proceskostenvergoeding handhaaft en aanvullend verzoekt om schadevergoeding van de staat wegens overschrijding van de redelijke termijn door het te laat uitspraak doen door de rechtbank. 5. In de uitspraak van 31 juli 2025 (de beroepsuitspraak) heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard, geopposeerde veroordeelt om aan opposant het griffierecht te vergoeden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 6. Opposant heeft tegen de beroepsuitspraak verzet ingesteld en verzocht te worden gehoord. 7. De rechtbank heeft het verzet op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde. Beoordeling door de rechtbank over het verzet 8. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het verzet van opposant tegen de beroepsuitspraak gegrond is. 9. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder voorafgaande zitting. 10. Opposant heeft verzetsgronden gericht tegen (het achterwege blijven van) de nevendicta in de beroepsuitspraak, namelijk over de schadevergoeding en de proceskosten. Opposant heeft geen verzetsgronden gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. 11. Als iemand tegen een buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Richten de verzetsgronden zich niet tegen het eindoordeel, maar uitsluitend tegen nevendicta, dan staat de vraag centraal of (het ontbreken van) het oordeel van de rechtbank over die nevenvorderingen buiten redelijke twijfel stond. Dat laatste is in deze verzetszaak aan de orde. 12. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is voor wat betreft het ontbreken van een oordeel over de proceskostenvergoeding. De andere verzetsgrond slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het verzoek om schadevergoeding terecht buiten zitting afgedaan? 13. Opposant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de verzochte schadevergoeding heeft afgewezen in een buiten-zittinguitspraak. Volgens hem bestaat nog geen rechtspraak over de vraag of de redelijke termijn wordt overschreden wanneer de rechtbank niet binnen de termijn van acht weken uit artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb uitspraak doet. Opposant doelt hierbij op de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij betoogt dat daarom niet buiten redelijke twijfel stond dat de schadevergoeding moest worden afgewezen en dat hij de mogelijkheid had moeten krijgen om deze principiële discussie tijdens een