Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:1038
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-275535-25 (EAB I) Datum uitspraak: 3 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 21 oktober 2025, gecorrigeerd op 4 november 2025 en 7 november 2025, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 april 2023 door de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division], Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 10 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 20 januari 2026 om het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de originele vonnissen en de antwoorden met betrekking tot artikel 12 OLW af te wachten. De rechtbank heeft de beslistermijn eveneens verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 20 januari 2026 De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een judgement issued at Sąd Okręgowy w Krakowie VI Wydział Karny [District Court in Krakow, Third Criminal Division] on 18 May 2022, which became final on 26 May 2022, met referentie VI K 68/19; en een judgement issued at Sąd Rejonowy dla Krakowa-Podgórza w Krakowie Wydział II Karny [Krakow-Podgórze Regional Court in Krakow Second Criminal Division] on 12 December 2019, which became final on 11 February 2020 , met referentie II K 1259/19/P. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaar en vier maanden voor het vonnis met referentie VI K 68/19 en tien maanden voor het vonnis met referentie II K 1259/19/P, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de straf voor het vonnis met referentie II K 1259/19/P resteren volgens het EAB nog vier maanden en achttien dagen. De straf voor het vonnis met referentie VI K 68/19 resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd voor het vonnis met kenmerk VI K 68/19. De opgeëiste persoon betwist dat hij bij de behandeling van zijn zaak die heeft geleid tot deze veroordeling aanwezig is gewee Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde De rechtbank is, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 2 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon door de strafrechtelijke feiten niet zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: deelneming aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven; (poging tot) medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig verstrekken van gegevens of aanwijzingen, waartoe ingevolge de belastingwet verplicht zijnde, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd; medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd; witwassen, meermalen gepleegd; openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen. Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van