Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:1035
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-275593-25 (EAB II) Datum uitspraak: 3 februari 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2021 door de Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 10 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 20 januari 2026 om de certificaten zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de originele vonnissen en de antwoorden met betrekking tot artikel 12 OLW af te wachten. De rechtbank heeft tevens de beslistermijn nogmaals verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen. Zitting 20 januari 2026 De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: judgement by the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) [Sąd Rejonowy dla Warszawy Śródmieścia w Warszawie] of 19 February 2018 met referentie X K 482/17; en a judgement by the Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie] of 7 October 2019 met referentie IX Ka 809/19; en a decision by the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) of 25 September 2020 . Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat het arrest met referentie IX Ka 809/19 een procedure in hoger beroep betreft van het vonnis met referentie X K 482/17. Daarnaast blijkt ook dat de beslissing van 25 september 2020 een tenuitvoerleggingsbeslissing is van de in de procedure in hoger beroep opgelegde voorwaardelijke straf. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het arrest van 7 oktober 2019. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat de informatie ten aanzien van de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen onvolledig is. Zo ontbreekt er een duidelijke vertaling van het antwoord op de vraag of de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest. De raadsman verzoekt primair de overlevering te weigeren. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak nog een keer aan te houden om een duidelijk vertaald antwoord op die vraag te krijgen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden om een is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden? f. Wie heeft/hebben het hoger beroep ingesteld? Ten aanzien van de beslissing van 25 september 2020 Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 december 2025 blijkt dat de vrijheidsbenemende straf van 6 maanden bij de veroordeling van 19 februari 2018 (met kenmerk X K 482/17) voorwaardelijk is opgelegd. Deze veroordeling is bekrachtigd in hoger beroep bij beslissing van 7 oktober 2019 (met kenmerk IX Ka 809/19). Vervolgens is deze voorwaardelijk opgelegde straf tenuitvoergelegd bij beslissing van 25 september 2020, omdat de opgeëiste persoon in de tussentijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Voor deze strafbare feiten is hij veroordeeld bij de beslissingen van the District Court in Brezsko van 10 december 2019 (met kenmerk II K 584/19), van de the District Court for Cracow Podgórze in Cracow van 12 december 2019 (met kenmerk II K 1259/19) en van de District Court in Sucha Beskidza van onbekende datum (met kenmerk II K 382/19). Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis van 12 december 2019 met kenmerk II K 1259/19 Ten aanzien van de veroordeling met kenmerk II K 1259/19 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie verstrekt over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in het kader van een ander EAB (EAB-I) dat gelijktijdig met onderhavig EAB in behandeling is bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat uit de tussenuitspraak van EAB-I blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure die tot de veroordeling met kenmerk II K 1259/19 heeft geleid aanwezig is geweest en artikel 12 OLW niet aan de orde is. Ten aanzien van het vonnis van 10 december 2019 (II K 584/19) en het vonnis van onbekende datum met kenmerk II K 382/19) Over het verloop van de procedure en de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in de procedures met de kenmerken II K 584/19 en II K 382/19 is niets bekend. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, en daartoe de volgende vragen te stellen: I – ten aanzien van de veroordeling met kenmerk II K 382/19: wat is de datum van het vonnis? II – ten aanzien van beide procedures II K 382/19 en II K 584/19: Kunt u sectie D van het EAB invullen ten aanzien van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, zowel ten aanzien van eerste aanleg als ten aanzien van het hoger beroep (indien daar sprake van is geweest)? Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden: a. was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid? Zo ja, hoe? b. heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten? c. zo ja, op welk moment in de procedure is dat geweest? En is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten moest doorgeven? d. is hij er expliciet op gewezen dat deze zogenoemde ‘adresinstructie’ gold voor de gehele procedure, dus ook voor een eventueel hoger beroep? e. is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden? f. Is er hoger beroep ingesteld? Zo ja, door wie? Kunt u voornoemde vragen eveneens voor die procedure beant De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ EU – kort samengevat – volgt dat alvorens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden en procedure van Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. Een en ander wordt door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. Hoewel de behandeling van de zaak op 10 december 2025 daartoe is aangehouden, zijn de certificaten en een afschrift van de originele vonnissen in onderhavige zaak nog niet van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest CJ van het HvJ EU de ontvangst van de reeds het reeds aangevraagde ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de originele vonnissen van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en een afschrift van de originele vonnissen in het kader van een mogelijke strafovername door Nederland als bedoeld in artikel 6a OLW aan het dossier toe te voegen en tevens om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 4 geformuleerde vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen; BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 19 maart 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG713124186950µÈ G713124186950 Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ). Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (