Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:974
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
6,356 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/605
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] namens [verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoeker
(gemachtigden: mr. M. Kashyap en mr. H.J.B. Hilberts),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Boermans en [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van een exploitatievergunning voor het bedrijf [verzoekster] afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingediend. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt geschorst in die zin dat verweerder tot zes weken na de beslissing op bezwaar verzoekster dient te behandelen als ware zij in het bezit van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning.
1.3.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van verzoeker, de gemachtigden van verweerder, de overkoepelend manager, [naam 3] , en de horecaprofessional, de heer [naam 4] .
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Verzoeker exploiteert drie horecagelegenheden. Hij exploiteert restaurant [naam restaurant] aan de [adres 1] en de [naam club] aan de [adres 2] . In 2023 heeft verzoeker restaurant [verzoekster] aan de [adres 3] overgenomen. Voor de overname van [verzoekster] heeft verzoeker een koopprijs betaald van € 650.000,-. Na de overname van de zaak heeft verzoeker tijdig een horecaexploitatievergunning aangevraagd, waardoor hij hangende de beslissing op de aanvraag mocht starten met de exploitatie van [verzoekster] . Bij de behandeling van de vergunningaanvraag heeft verweerder aan verzoeker verzocht aanvullende stukken aan te leveren met betrekking tot de financiering van de overnamesom voor [verzoekster] , met name ten behoeve van de Bibob-toets. Naar mening van verweerder heeft verzoeker niet tijdig en/of volledig de verzochte stukken aangeleverd. In verband hiermee is de vergunningaanvraag bij besluit van 4 juni 2024 buiten behandeling gesteld. Op grond hiervan heeft verzoeker de exploitatie van [verzoekster] per direct moeten staken. Voor verzoeker werd dit gevolg van de buitenbehandelingstelling op 12 juni 2024 duidelijk, waarna hij per direct met de exploitatie is gestaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde exploitatievergunning geweigerd. Na de ingediende zienswijze door verzoeker is in dit besluit niet artikel 3, zesde lid, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), vanwege valsheid in geschrifte, aan de weigering ten grondslag gelegd. Wel meent verweerder dat de wijze van bedrijfsvoering van verzoeker dusdanig slecht is dat de aanvraag voor een exploitatievergunning voor [verzoekster] moet worden geweigerd op grond van artikel 3.11, tweede en derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Amsterdam (APV). De klachten van omwonenden en bestuurlijke maatregelen ten aanzien van de zaken van verzoeker geven verweerder voldoende reden om te twijfelen aan de wijze van bedrijfsvoering en daarmee geen vertrouwen in verzoeker als exploitant, aldus verweerder. Het feit dat verzoeker achteraf de problemen heeft aangepakt, maakt dit voor verweerder niet anders. Verweerder verwacht van een ondernemer dat hij vooraf zijn zaak op orde heeft en niet pas handelt nadat toezichthouders overtredingen hebben geconstateerd. Gelet op de geconstateerde overtredingen in de drie zaken van verzoeker ziet verweerder een patroon van slechte bedrijfsvoering dat dusdanig slecht is dat de aanvraag voor [verzoekster] moet worden geweigerd vanwege de onevenredig nadelige invloed van [verzoekster] op het woon- en leefklimaat. Ongeacht of verzoeker de [naam club] verkoopt, heeft verweerder er geen vertrouwen in dat verzoeker zijn bedrijfsvoering pro actief op orde heeft
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.2.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.3.
Uit een e-mailbericht van verhuurder Heineken blijkt dat wordt gedreigd met een ontruimingsprocedure als verzoeker het voorstel van Heineken om de inventaris van [verzoekster] op te kopen niet accepteert. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker toegelicht dat hij dit voorstel niet heeft geaccepteerd. De inventaris is namelijk niet veel waard in vergelijking tot de investering die verzoeker heeft gedaan en dreigt te verliezen. Heineken heeft toegezegd te wachten met de ontruimingsprocedure tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Bij een negatieve afloop voor verzoeker zal Heineken ontruiming vorderen in een kort geding. Verweerder heeft het spoedeisend belang niet betwist. De voorzieningenrechter ziet daarom in het bovenstaande voldoende spoedeisend belang om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat het gelet op de voorgeschiedenis van verzoeker met de vele overtredingen enerzijds begrijpelijk is dat verweerder in het bestreden besluit de aanvraag van de exploitatievergunning heeft geweigerd op grond van artikel 3.11., tweede en derde lid, van de APV vanwege de onevenredig nadelige invloed die [verzoekster] zal hebben op het woon- en leefklimaat door de wijze van bedrijfsvoering. Anderzijds heeft verzoeker hier tegenover gesteld, en met stukken onderbouwd, dat hij allerlei bedrijfsverbeteringen heeft doorgevoerd die ervoor zullen zorgen dat geen overtredingen meer zullen plaatsvinden in de toekomst. Zo heeft verzoeker bij alle horecazaken extra leidinggevenden ingeschreven, een overkoepelend manager, [naam 3] , aangenomen, schotten op de terrassen aangebracht zodat deze niet meer kunnen uitwaaieren, zowel bij [verzoekster] als de [naam club] een verzegelde geluidsbegrenzer geplaatst om geluidsoverlast te voorkomen, in de [naam club] een afzuigsysteem geïnstalleerd tegen de geur- of stankoverlast en een externe horecaprofessional, de heer [naam 4] , ingehuurd om te kijken naar de bedrijfsvoering en verdere (mogelijke) verbeteringen daarin. De doorgevoerde verbeteringen zijn uiteengezet in een bedrijfsplan dat door de heer [naam 4] is opgesteld. In dit bedrijfsplan staat verder uitgelegd dat er voor de horecabedrijven een klachtenprocedure is ingericht, zodat adequaat kan worden omgegaan met (eventuele) klachten van omwonenden. Verder heeft de heer [naam 4] op de zitting toegelicht dat hij door middel van personeelstrainingen meer structuur heeft aangebracht in de bedrijfsvoering van verzoekers horecazaken. In reactie op verweerders verklaring op de zitting dat er onrust en boosheid bij de omwonenden zal ontstaan als [verzoekster] (tijdelijk) open gaat, heeft de heer [naam 4] toegelicht dat er proactief contact is en ook zal worden gezocht met omwonenden, zodat zij weten waar zij terecht kunnen met eventuele klachten en deze klachten dan ook kunnen worden onderzocht. Hieruit blijkt dat ook op het punt van contact met de buurt en omwonenden er verbeteringen zijn aangebracht.
5. Omtrent de onderbouwde verbeteringen in de bedrijfsvoering heeft verzoeker op jurisprudentie gewezen die de voorzieningenrechter kan volgen. Hieruit blijkt dat door verweerder moet worden onderzocht of verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de stappen heeft gezet die leiden tot een deugdelijke bedrijfsvoering en of dit opweegt tegen de overtredingen uit het verleden. Verweerder heeft hierover wel al een en ander overwogen in het bestreden besluit, maar de bezwaarfase biedt bij uitstek de mogelijkheid om gedegen te onderzoeken of de doorgevoerde bedrijfsverbeteringen doen waarvoor ze bedoeld zijn: geen overtredingen meer en geen klachten meer van omwonenden. In het licht van deze jurisprudentie is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij hervatting van de exploitatie van [verzoekster] zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij de bescherming van het woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter heeft bij dit oordeel ook betrokken dat er zich bij horecazaak [naam restaurant] al sinds 2023 geen overtredingen en klachten meer hebben voorgedaan. Verzoeker moet een kans worden geboden om het vertrouwen van verweerder te herwinnen. Verweerder kan de tijd tot de beslissing op bezwaar zien als een soort proeftijd. Als het goed blijft gaan en er geen overtredingen plaatsvinden kan verweerder daaraan consequenties ten gunste van verzoeker verbinden in de beslissing op bezwaar. Als er wel nieuwe overtredingen plaatsvinden ook, maar dan ten nadele van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe en bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning voor [verzoekster] .
6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Op zitting is aan de orde gekomen, hoewel dit geen grond voor afwijzing is in het bestreden besluit, dat er bij verweerder twijfels zijn over een deel van de herkomst van het oorspronkelijke in [verzoekster] ingebrachte vermogen van verzoeker. Op de zitting is besproken dat de hoorzitting tijdens de bezwaarfase optimaal benut kan worden om hierover helderheid te verkrijgen. De gemachtigde van verzoeker heeft toegezegd volledige medewerking te willen en zullen verlenen en in dat kader alle stukken te verstrekken die verweerder nodig acht.
Conclusie
7.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor het bedrijf [verzoekster] .
7.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor het bedrijf [verzoekster] ;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2352.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/605
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] namens [verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoeker
(gemachtigden: mr. M. Kashyap en mr. H.J.B. Hilberts),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Boermans en [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van een exploitatievergunning voor het bedrijf [verzoekster] afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingediend. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt geschorst in die zin dat verweerder tot zes weken na de beslissing op bezwaar verzoekster dient te behandelen als ware zij in het bezit van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning.
1.3.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van verzoeker, de gemachtigden van verweerder, de overkoepelend manager, [naam 3] , en de horecaprofessional, de heer [naam 4] .
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Verzoeker exploiteert drie horecagelegenheden. Hij exploiteert restaurant [naam restaurant] aan de [adres 1] en de [naam club] aan de [adres 2] . In 2023 heeft verzoeker restaurant [verzoekster] aan de [adres 3] overgenomen. Voor de overname van [verzoekster] heeft verzoeker een koopprijs betaald van € 650.000,-. Na de overname van de zaak heeft verzoeker tijdig een horecaexploitatievergunning aangevraagd, waardoor hij hangende de beslissing op de aanvraag mocht starten met de exploitatie van [verzoekster] . Bij de behandeling van de vergunningaanvraag heeft verweerder aan verzoeker verzocht aanvullende stukken aan te leveren met betrekking tot de financiering van de overnamesom voor [verzoekster] , met name ten behoeve van de Bibob-toets. Naar mening van verweerder heeft verzoeker niet tijdig en/of volledig de verzochte stukken aangeleverd. In verband hiermee is de vergunningaanvraag bij besluit van 4 juni 2024 buiten behandeling gesteld. Op grond hiervan heeft verzoeker de exploitatie van [verzoekster] per direct moeten staken. Voor verzoeker werd dit gevolg van de buitenbehandelingstelling op 12 juni 2024 duidelijk, waarna hij per direct met de exploitatie is gestaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde exploitatievergunning geweigerd. Na de ingediende zienswijze door verzoeker is in dit besluit niet artikel 3, zesde lid, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), vanwege valsheid in geschrifte, aan de weigering ten grondslag gelegd. Wel meent verweerder dat de wijze van bedrijfsvoering van verzoeker dusdanig slecht is dat de aanvraag voor een exploitatievergunning voor [verzoekster] moet worden geweigerd op grond van artikel 3.11, tweede en derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Amsterdam (APV). De klachten van omwonenden en bestuurlijke maatregelen ten aanzien van de zaken van verzoeker geven verweerder voldoende reden om te twijfelen aan de wijze van bedrijfsvoering en daarmee geen vertrouwen in verzoeker als exploitant, aldus verweerder. Het feit dat verzoeker achteraf de problemen heeft aangepakt, maakt dit voor verweerder niet anders. Verweerder verwacht van een ondernemer dat hij vooraf zijn zaak op orde heeft en niet pas handelt nadat toezichthouders overtredingen hebben geconstateerd. Gelet op de geconstateerde overtredingen in de drie zaken van verzoeker ziet verweerder een patroon van slechte bedrijfsvoering dat dusdanig slecht is dat de aanvraag voor [verzoekster] moet worden geweigerd vanwege de onevenredig nadelige invloed van [verzoekster] op het woon- en leefklimaat. Ongeacht of verzoeker de [naam club] verkoopt, heeft verweerder er geen vertrouwen in dat verzoeker zijn bedrijfsvoering pro actief op orde heeft
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.2.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
3.3.
Uit een e-mailbericht van verhuurder Heineken blijkt dat wordt gedreigd met een ontruimingsprocedure als verzoeker het voorstel van Heineken om de inventaris van [verzoekster] op te kopen niet accepteert. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker toegelicht dat hij dit voorstel niet heeft geaccepteerd. De inventaris is namelijk niet veel waard in vergelijking tot de investering die verzoeker heeft gedaan en dreigt te verliezen. Heineken heeft toegezegd te wachten met de ontruimingsprocedure tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. Bij een negatieve afloop voor verzoeker zal Heineken ontruiming vorderen in een kort geding. Verweerder heeft het spoedeisend belang niet betwist. De voorzieningenrechter ziet daarom in het bovenstaande voldoende spoedeisend belang om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat het gelet op de voorgeschiedenis van verzoeker met de vele overtredingen enerzijds begrijpelijk is dat verweerder in het bestreden besluit de aanvraag van de exploitatievergunning heeft geweigerd op grond van artikel 3.11., tweede en derde lid, van de APV vanwege de onevenredig nadelige invloed die [verzoekster] zal hebben op het woon- en leefklimaat door de wijze van bedrijfsvoering. Anderzijds heeft verzoeker hier tegenover gesteld, en met stukken onderbouwd, dat hij allerlei bedrijfsverbeteringen heeft doorgevoerd die ervoor zullen zorgen dat geen overtredingen meer zullen plaatsvinden in de toekomst. Zo heeft verzoeker bij alle horecazaken extra leidinggevenden ingeschreven, een overkoepelend manager, [naam 3] , aangenomen, schotten op de terrassen aangebracht zodat deze niet meer kunnen uitwaaieren, zowel bij [verzoekster] als de [naam club] een verzegelde geluidsbegrenzer geplaatst om geluidsoverlast te voorkomen, in de [naam club] een afzuigsysteem geïnstalleerd tegen de geur- of stankoverlast en een externe horecaprofessional, de heer [naam 4] , ingehuurd om te kijken naar de bedrijfsvoering en verdere (mogelijke) verbeteringen daarin. De doorgevoerde verbeteringen zijn uiteengezet in een bedrijfsplan dat door de heer [naam 4] is opgesteld. In dit bedrijfsplan staat verder uitgelegd dat er voor de horecabedrijven een klachtenprocedure is ingericht, zodat adequaat kan worden omgegaan met (eventuele) klachten van omwonenden. Verder heeft de heer [naam 4] op de zitting toegelicht dat hij door middel van personeelstrainingen meer structuur heeft aangebracht in de bedrijfsvoering van verzoekers horecazaken. In reactie op verweerders verklaring op de zitting dat er onrust en boosheid bij de omwonenden zal ontstaan als [verzoekster] (tijdelijk) open gaat, heeft de heer [naam 4] toegelicht dat er proactief contact is en ook zal worden gezocht met omwonenden, zodat zij weten waar zij terecht kunnen met eventuele klachten en deze klachten dan ook kunnen worden onderzocht. Hieruit blijkt dat ook op het punt van contact met de buurt en omwonenden er verbeteringen zijn aangebracht.
5. Omtrent de onderbouwde verbeteringen in de bedrijfsvoering heeft verzoeker op jurisprudentie gewezen die de voorzieningenrechter kan volgen. Hieruit blijkt dat door verweerder moet worden onderzocht of verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de stappen heeft gezet die leiden tot een deugdelijke bedrijfsvoering en of dit opweegt tegen de overtredingen uit het verleden. Verweerder heeft hierover wel al een en ander overwogen in het bestreden besluit, maar de bezwaarfase biedt bij uitstek de mogelijkheid om gedegen te onderzoeken of de doorgevoerde bedrijfsverbeteringen doen waarvoor ze bedoeld zijn: geen overtredingen meer en geen klachten meer van omwonenden. In het licht van deze jurisprudentie is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij hervatting van de exploitatie van [verzoekster] zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij de bescherming van het woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter heeft bij dit oordeel ook betrokken dat er zich bij horecazaak [naam restaurant] al sinds 2023 geen overtredingen en klachten meer hebben voorgedaan. Verzoeker moet een kans worden geboden om het vertrouwen van verweerder te herwinnen. Verweerder kan de tijd tot de beslissing op bezwaar zien als een soort proeftijd. Als het goed blijft gaan en er geen overtredingen plaatsvinden kan verweerder daaraan consequenties ten gunste van verzoeker verbinden in de beslissing op bezwaar. Als er wel nieuwe overtredingen plaatsvinden ook, maar dan ten nadele van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe en bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning voor [verzoekster] .
6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Op zitting is aan de orde gekomen, hoewel dit geen grond voor afwijzing is in het bestreden besluit, dat er bij verweerder twijfels zijn over een deel van de herkomst van het oorspronkelijke in [verzoekster] ingebrachte vermogen van verzoeker. Op de zitting is besproken dat de hoorzitting tijdens de bezwaarfase optimaal benut kan worden om hierover helderheid te verkrijgen. De gemachtigde van verzoeker heeft toegezegd volledige medewerking te willen en zullen verlenen en in dat kader alle stukken te verstrekken die verweerder nodig acht.
Conclusie
7.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor het bedrijf [verzoekster] .
7.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning voor het bedrijf [verzoekster] ;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2352.