Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:9714
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,752 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-229024-25
Datum uitspraak: 18 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 augustus 2025 door de onderzoeksrechter in rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] (Suriname),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Klunder, advocaat in Amsterdam (waarnemend voor mr. R.M.F.R. Ketwaru, eveneens advocaat in Amsterdam).
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek van 28 augustus 2025, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft verzocht om de overlevering te weigeren, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 sub e, OLW. Volgens de raadsvrouw wordt uit het EAB onvoldoende duidelijk wat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is bij het strafbare feit. Daarnaast is niet gebleken dat het aangetroffen vuurwapen gebruikt is bij de omschreven schietpartij en kán de opgeëiste persoon volgens de raadsvrouw niet betrokken zijn geweest bij de schietpartij in [plaats] gelet op het tijdsverloop tussen de schietpartij en de aanhouding van de opgeëiste persoon in Breda, 179 km daarvandaan.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is in onderdeel e) van het EAB omschreven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de opgeëiste persoon verdenkt van betrokkenheid als (mede-) dader bij – kort gezegd – een schietincident in een woning in [plaats] op 28 augustus 2025 waarbij het slachtoffer levensbedreigend is verwond. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving daarmee voldoet aan de eisen die de OLW daaraan stelt. De rechtbank overweegt verder dat artikel 2 OLW niet de eis stelt dat in het EAB wordt omschreven waarop de verdenking is gebaseerd. Bewijsverweren kunnen in geval van overlevering pas aan de orde komen in de Belgische strafprocedure. De overleveringsrechter treedt immers niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking. Het genoegzaamheidsverweer wordt verworpen.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat geen terugkeergarantie is verstrekt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon zou verblijfsrecht hebben door het verblijf bij zijn moeder en is bezig met een nieuwe aanvraag voor verblijf bij zijn partner en kind.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het beroep op artikel 6 OLW niet slaagt. De opgeëiste persoon heeft de Surinaamse nationaliteit en heeft verklaard dat hij in augustus 2024 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Aan het eerste vereiste van artikel 6, derde lid, OLW is dus niet voldaan. Het verweer wordt verworpen.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 10 september 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
"1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punt 89.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-229024-25
Datum uitspraak: 18 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 augustus 2025 door de onderzoeksrechter in rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] (Suriname),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Klunder, advocaat in Amsterdam (waarnemend voor mr. R.M.F.R. Ketwaru, eveneens advocaat in Amsterdam).
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek van 28 augustus 2025, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft verzocht om de overlevering te weigeren, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 sub e, OLW. Volgens de raadsvrouw wordt uit het EAB onvoldoende duidelijk wat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is bij het strafbare feit. Daarnaast is niet gebleken dat het aangetroffen vuurwapen gebruikt is bij de omschreven schietpartij en kán de opgeëiste persoon volgens de raadsvrouw niet betrokken zijn geweest bij de schietpartij in [plaats] gelet op het tijdsverloop tussen de schietpartij en de aanhouding van de opgeëiste persoon in Breda, 179 km daarvandaan.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is in onderdeel e) van het EAB omschreven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de opgeëiste persoon verdenkt van betrokkenheid als (mede-) dader bij – kort gezegd – een schietincident in een woning in [plaats] op 28 augustus 2025 waarbij het slachtoffer levensbedreigend is verwond. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving daarmee voldoet aan de eisen die de OLW daaraan stelt. De rechtbank overweegt verder dat artikel 2 OLW niet de eis stelt dat in het EAB wordt omschreven waarop de verdenking is gebaseerd. Bewijsverweren kunnen in geval van overlevering pas aan de orde komen in de Belgische strafprocedure. De overleveringsrechter treedt immers niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking. Het genoegzaamheidsverweer wordt verworpen.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat geen terugkeergarantie is verstrekt als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon zou verblijfsrecht hebben door het verblijf bij zijn moeder en is bezig met een nieuwe aanvraag voor verblijf bij zijn partner en kind.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het beroep op artikel 6 OLW niet slaagt. De opgeëiste persoon heeft de Surinaamse nationaliteit en heeft verklaard dat hij in augustus 2024 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Aan het eerste vereiste van artikel 6, derde lid, OLW is dus niet voldaan. Het verweer wordt verworpen.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 10 september 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
"1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punt 89.