Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:9467
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/761067 / HA ZA 24-1356 Vonnis van 26 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.M. de Vries, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.J. van de Graaf. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 29 november 2024, - de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie tevens houdende incidentele vordering, met producties, - de conclusie van antwoord in reconventie en in incident tevens akte overlegging producties en voorwaardelijke vermeerdering eis, met producties, - de antwoordakte uitlating voorwaardelijke vermeerdering van eis, - het tussenvonnis in incident van 7 mei 2025 en de daarin vermelde stukken, - het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is de dochter van [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster had sinds 2005 een affectieve relatie met [eiser] . [gedaagde] is geboren uit een eerdere relatie van erflaatster. Erflaatster en [eiser] zijn nooit in het huwelijk getreden of geregistreerd als partners. 2.2. Erflaatster en [eiser] kochten in 2015 tezamen een appartement aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de aankoop van de woning hebben zij een hypotheek afgesloten. 2.3. Erflaatster is op [overlijdensdatum] 2022 overleden. Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. [gedaagde] is op grond van de wet enig erfgenaam van erflaatster. Zij heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap behoorde onder andere de onverdeelde helft van de woning. Door het overlijden van erflaatster werden [eiser] en [gedaagde] dus gezamenlijk gerechtigd tot de woning. 2.4. Na het overlijden van erflaatster is de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] verslechterd. [gedaagde] heeft in maart 2023 de woning verlaten. [eiser] is de woning daarna blijven bewonen en woont daar nog steeds. 2.5. Op 10 maart 2023 werd de levensverzekering die erflaatster en [eiser] hadden afgesloten aan [eiser] uitgekeerd. Een deel van de levensverzekering werd op de bankrekening van [eiser] gestort en een deel, groot € 78.412,42, heeft [eiser] gebruikt om (ongeveer) de helft van de toen openstaande hypothecaire schuld af te lossen. 2.6. In juli 2023 zijn partijen een mediation traject gestart over de verdeling van de woning. Bij aanvang van het mediation traject hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten met de mediator waarin de voorwaarden van het mediation traject zijn vastgelegd (hierna: de mediationovereenkomst). De mediation heeft niet geleid tot de verdeling van de woning. [eiser] en [gedaagde] zijn nu dus nog steeds gezamenlijk eigenaar van de woning. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert samengevat om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen vast te stellen door de woning toe te delen aan [eiser] op voorwaarde van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door de hypotheekverstrekker van [gedaagde] en betaling aan [gedaagde] van een bedrag ad € 67.886,70 ter finale kwijting, en indien [gedaagde] binnen 2 weken na het in deze te wijzen vonnis niet meewerkt aan de akte verdeling en levering het in dezen te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van haar benodigde wilsverklaring daartoe, waaronder, maar niet beperkt tot, de levering van de onverdeelde helft van de woning aan [eiser] , het verrekenen van het voorschot en de overige op de ove Als partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de taxateur/makelaar dit naar beste weten en bindend bepalen, - te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n); - te bepalen dat de alsdan bestaande hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal/zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen, - te bepalen dat iedere partij bij overdracht aan (een) derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen; subsidiair: de wijze van verdeling van de woning vast te stellen als volgt: - te bepalen dat partijen zich binnen twee weken na de datum van dit vonnis zullen wenden tot Makelaardij Van der Linden te Amsterdam, - te bepalen dat de taxateur in aanwezigheid van beide partijen binnen één maand na dit vonnis een waardebepaling van de woning zal verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, - te bepalen dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft, - de woning toe te delen aan [eiser] als [eiser] binnen drie maanden na de taxatie schriftelijk aan [gedaagde] laat weten dat hij de woning kan overnemen en [gedaagde] kan doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, onder de verplichting: - de hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en [gedaagde] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening; - de helft van de eventuele overwaarde van de woning, deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht aan [eiser] , aan [gedaagde] te vergoeden, - te bepalen dat een eventuele onderwaarde door partijen ieder voor de helft moet worden gedragen, - te bepalen dat de kosten van het notariële transport van de woning door beide partijen gedragen moet worden, ieder voor de helft, meer subsidiair: de (wijze van) verdeling van de woning vast te stellen met inachtneming van hetgeen [gedaagde] daarover heeft gesteld, B. [eiser] te veroordelen om bij wijze van gebruiksvergoeding een in goede justitie te bepalen bedrag aan [gedaagde] te betalen, voor iedere maand dat [eiser] na 1 maart 2023 alleen in de woning verbleef en verblijft, een ingegane maand voor een hele gerekend, tot aan de dag van levering van de woning aan een koper dan wel de dag van toedeling/levering van de woning aan [eiser] te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024, dan wel 22 november 2024, dan wel 12 februari 2025; C. [eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 2.052,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 februari 2025; D. [eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 6.246,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 februari 2025; E. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en [eiser] te veroordelen in de nakosten. 3.6. [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] . 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Vanwege de samenhang van de vorderingen beoordeelt de rechtbank deze hierna gezamenl Aangezien de peildatum wordt vastgesteld op de dag van verdeling (zie hiervoor) en dus ná januari 2024 komt de rechtbank toe aan het beroep van [eiser] op een betalingsregeling. 4.10. Een betalingsregeling bij de verdeling van een eenvoudige gemeenschap - eventueel met zekerheidstelling - is een ultimum remedium voor het geval er zonder betalingsregeling geen verdeling tot stand kan komen. Van die situatie is hier geen sprake. De woning kan namelijk ook worden verdeeld doordat deze wordt verkocht aan een derde en de overwaarde tussen de deelgenoten wordt verdeeld. Er is dan ook onvoldoende reden om [gedaagde] tegen haar wil een betalingsregeling op te leggen. 4.11. Dit is te meer het geval omdat de bank, volgens [eiser] , uitsluitend bereid is om maximaal circa € 80.000,00 aan hem te lenen. Dit is dus volgens de bank de maximale leencapaciteit die [eiser] heeft. In het geval dat de rechtbank [eiser] daarnaast ook nog een betalingsregeling zou toestaan voor de aankomende vijf jaar voor het restantbedrag dat hij aan [gedaagde] dient te betalen, gaat dit de financiële mogelijkheden die [eiser] volgens zijn eigen stellingen heeft te boven. [gedaagde] heeft recht op betaling van haar overbedelingsvordering. In het geval van een betalingsregeling is er voor [gedaagde] - zelfs met zekerheidstelling - onvoldoende waarborg dat zij het volledige bedrag zonder problemen betaald krijgt. [eiser] heeft daarbij ook onvoldoende inzicht getoond in zijn financiële situatie. [eiser] brengt weliswaar naar voren dat hij bij de bank in ieder geval maximaal € 80.000,00 kan lenen, maar de rechtbank kan dit niet vaststellen omdat [eiser] daar geen stukken van heeft overgelegd. Het financiële belang van [gedaagde] bij voldoening ineens van de waarde van haar aandeel in de woning weegt in de gegeven omstandigheden daarom zwaarder dan het belang van [eiser] om in de woning te blijven. 4.12. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] om de woning te verkopen zal toewijzen. De vordering van [eiser] om de woning aan hem toe te delen wijst de rechtbank af. Deze beslissing houdt in dat de rechtbank beslist over de manier van verdeling van de eenvoudige gemeenschap, waarbij de rechtbank partijen een ‘spoorboekje’ geeft om de feitelijke verdeling van de gemeenschap zelf af te handelen. Hoe partijen dit moeten doen staat in de beslissing in rov. 5.1 tot en met 5.3. [gedaagde] moet het aan haar betaalde voorschot op een overbedelingsvordering terugbetalen 4.13. [eiser] heeft op 1 augustus 2023 een voorschot op de overbedelingsvordering van [gedaagde] aan haar betaald, er vanuit gaande dat de woning aan hem zou worden toebedeeld. Het voorschot bedroeg € 40.000,00. Aangezien de woning moet worden verkocht en niet aan [eiser] zal worden toebedeeld, moet [gedaagde] dit bedrag als onverschuldigd betaald aan [eiser] terugbetalen, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [eiser] moeten worden betrokken. Peildatum hypotheek is moment van verdeling 4.14. Bij de aankoop van de woning door erflaatster en [eiser] in 2015 hebben zij een hypotheek afgesloten. Deze hypotheek is nog niet volledig afgelost. Doordat [gedaagde] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard is zij tezamen met [eiser] hoofdelijk medeschuldenaar geworden van deze hypotheekschuld. 4.15. Tussen partijen is niet in geschil dat zij beiden de helft van de hypotheekschuld moeten betalen. Wel is tussen partijen in geschil per welke datum de schuld in aanmerking moet worden genomen. 4.16. Gelet op het hiervoor bepaalde ten aanzien van de peildatum van de waarde van de woning, sluit de rechtbank voor de hoogte van de schuld op de woning eveneens aan bij het moment van verdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hypotheekschuld te waarderen per het moment van overlijden van erflaatster of enig ander moment voorafgaand aan de aflossing van 10 maart 2023, zoals [eiser] betoogt. Tijdens de mondelinge behandeling is geble De rechtbank bepaalt daarom dat [eiser] een bedrag van € 2.052,00 moet terugbetalen aan [gedaagde] , althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [gedaagde] moeten worden betrokken. [eiser] hoeft de uitbetaling UWV niet aan [gedaagde] te vergoeden 4.25. Na het overlijden van erflaatster is door het UWV een bedrag van € 3.167,73 overgemaakt op de bankrekening van erflaatster. [gedaagde] stelt dat dit bedrag tot de nalatenschap behoort en dat [eiser] dit bedrag daarom aan haar moet betalen. 4.26. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] recht heeft op dit bedrag, omdat het UWV [eiser] op grond van de desbetreffende regeling bestempelt als nabestaande van erflaatster. De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] tot betaling aan haar van het door het UWV gestorte bedrag af. [eiser] moet de uitbetaling Nationale Nederlanden aan [gedaagde] betalen 4.27. Ook de Nationale Nederlanden heeft ten gevolge van het overlijden van erflaatster een bedrag van € 3.125,00 overgemaakt op de bankrekening van [eiser] , als restitutie van betaalde premies. [gedaagde] vindt dat dit bedrag haar toekomt als enig erfgenaam en dat [eiser] dit aan haar moet betalen. Volgens [eiser] heeft hij recht op deze premierestitutie omdat hij ook bij de Nationale Nederlanden als nabestaande wordt aangemerkt. 4.28. De rechtbank gaat niet met [eiser] mee in zijn redenering. [eiser] heeft betoogd dat hij voldoet aan het partnercriterium van Nationale Nederlanden als ongeregistreerde partner die ongehuwd is, minimaal een half jaar een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met de deelnemer (erflaatster) en niet in de rechte lijn of tweede graad aanverwant is. 4.29. Uit de overgelegde brief van de Nationale Nederlanden blijkt dat nog een vierde vereiste geldt voor een ongeregistreerde partner, namelijk dat tussen de partners een notarieel samenlevingscontract moet zijn opgemaakt. Dat hebben [eiser] en erflaatster niet bij een notaris laten maken. Uit de brief van de Nationale Nederlanden blijkt dat het gaat om cumulatieve vereisten, dus dat [eiser] ook aan het vierde vereiste moet voldoen. Aangezien [eiser] geen notarieel samenlevingscontract heeft gesloten met erflaatster, voldoet [eiser] niet aan het partnerbegrip van de Nationale Nederlanden. Hierdoor komt het bedrag dat de Nationale Nederlanden heeft betaald toe aan [gedaagde] . [eiser] moet daarom het bedrag van € 3.125,00 aan [gedaagde] betalen, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [gedaagde] moeten worden betrokken. De roodstand op de bankrekening van erflaatster moet voor rekening van [gedaagde] komen 4.30. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat op het moment van overlijden van erflaatster sprake was van roodstand op haar bankrekening. Volgens [gedaagde] bedroeg deze roodstand € 763,73. [gedaagde] vordert namelijk het aan [eiser] in bewaring gegeven bedrag van € 7.009,73 (bestaande uit € 3.167,73 uitkering UWV, € 717,00 teruggave belastingdienst en € 3.125,00 premierestitutie Nationale Nederlanden) verminderd met de roodstand. Zij komt dan uit op een vordering van € 6.246,00. Het verschil tussen deze bedragen komt neer op een bedrag aan roodstand van € 763,73. 4.31. Deze roodstand is een schuld van de nalatenschap. [gedaagde] heeft haar vorderingen ten aanzien van de bedragen die de belastingdienst, het UWV en de Nationale Nederlanden hebben gestort verminderd met deze roodstand. Daarmee heeft zij erkend dat deze schuld voor haar rekening komt. 4.32. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vorderingen op de uitkeringen UWV, belastingdienst en Nationale Nederlanden geen rekening gehouden met de schuld aan roodstand op de bankrekening van erflaatster. Na het overlijden van erflaatster is deze roodstand betaald met de bedragen die de belastingdienst en het UWV op de bankrekening van erflaatster hebben gestort. De rechtbank heeft bepaald dat [eiser] het door de belasti