Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-07-08
ECLI:NL:RBAMS:2025:9430
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter fno: 33623 Zaaknummer: 11733767 \ CV EXPL 25-7992 Vonnis van 8 juli 2025 in de zaak van WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, eisende partij, gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. Verloop van de procedure Eiseres heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde is niet verschenen. Tegen gedaagde is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 1. De overeenkomst die in deze procedure centraal staat, is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). 2. De kantonrechter moet in iedere procedure ten aanzien van ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Bij die beoordeling is van belang of bedingen waaraan een consument gebonden is, zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. Of eiseres de consument ook daadwerkelijk aan die afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is in dit verband niet relevant. 3. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 4. In de algemene voorwaarden staan een aantal bedingen die – kort gezegd – de verhuurder de mogelijkheid geven de huur aan te passen aan de markt (markthuurprijsherziening). Deze aanpassing kan voor het eerst plaatsvinden nadat 5 jaren zijn verstreken sinds de huuringangsdatum. De huurovereenkomst is ingegaan op 7 september 2022. De artikelen met betrekking tot de huurprijsherziening (5.4 t/m 5.9 van de algemene voorwaarden) kunnen daarom niet aan de vordering ten grondslag liggen en hoeven niet getoetst te worden. 5. Het huurprijswijzigingsbeding in de huurovereenkomst is wel getoetst. Dit artikel luidt als volgt: Verhuurder verhoogt de huurprijs jaarlijks op 1 juli zonder voorafgaande aanzegging. Hiervoor volgt verhuurder een consumentenprijsindex die het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert. De precieze naam van deze indexreeks is: “CPI – Alle huishoudens”. Daarbij geldt dat de huurprijsverhoging minimaal gelijk is aan de (gemiddelde) huurverhoging voor niet geliberaliseerde zelfstandige woonruimte. (...) 6. Verder zijn de artikelen 5.3 en 18.1 van de algemene voorwaarden getoetst. Deze artikelen luiden als volgt: Artikel 5 – Over de huur Betaling (...) 3. Verhuurder verhoogt de huurprijs alsmede de bijkomende vergoedingen zoals opgenomen in artikel 4 en 5 van de huurovereenkomst jaarlijks op 1 juli zonder voorafgaande aanzegging. Hiervoor volgt verhuurder een consumentenprijsindex die het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert. De precieze naam van deze indexreeks is: ‘reeks CPI – Alle huishoudens’. Daarbij geldt dat de huurprijsverhoging minimaal gelijk is aan de (gemiddelde) huurverhoging voor niet geliberaliseerde zelfstandige woonruimte. (...) Artikel 18 – In verzuim zijn 1% rente per maand 1. Als huurder verzuimt tijdig en volledig de huursom of andere afgesproken bedragen te betalen is hij 1% rente per maand verschuldigd. (...) 7. De kantonrechter overweegt dat de hiervoor geciteerde huurverhogingsbedingen feitelijk bestaan uit twee bepalingen, namelijk een indexatiebeding en een beding dat het mogelijk maakt om de huurverhoging in voorkomend geval ‘op te hogen’ tot minimaal de (gemiddelde) huurverhoging voor niet geliberaliseerde zelfstandige woonruimte (hierna: verhogingsbeding). Op grond van he