Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:9360
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11451554 \ CV EXPL 24-16020 Vonnis van 27 november 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] , gemachtigde: K&B Finance B.V., tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IB KREDIET B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: IB Krediet, gemachtigde: mr. G.J.L. Bergervoet. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 3 december 2024,- de conclusie van antwoord, met producties, - het instructievonnis van 6 maart 2025,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek, met producties. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet gereageerd op de producties bij de conclusie van dupliek. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 9 april 2009 hebben [eiser 1] en [eiser 2] met IB Krediet een doorlopende kredietovereenkomst gesloten (hierna: kredietovereenkomst 1). Op 9 april 2009 is een nieuwe doorlopende kredietovereenkomst gesloten (hierna: kredietovereenkomst 2). Beide kredietovereenkomsten zijn met bemiddeling van een tussenpersoon tot stand gekomen. 2.2. In kredietovereenkomst 1 staat: Aan Kredietnemer wordt door Kredietgever een krediet verleend tot een maximum bedrag van Kredietlimiet voluit (zegge): vijftigduizend Euro 00/100 Kredietnemer is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaand saldo. De effectieve rente op jaarbasis bedraagt Kredietlimiet € 50.000,00 Kredietvergoeding 0,639 % thans per maandag Effectieve rente op 7,9 % jaarbasis In kredietovereenkomst 2 staat: Aan Kredietnemer wordt door Kredietgever een krediet verleend tot een maximum bedrag van Kredietlimiet voluit (zegge): vijftigduizend Euro 00/100 Kredietnemer is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaand saldo. De effectieve rente op jaarbasis bedraagt Kredietlimiet € 55.550,00 Kredietvergoeding 0,561 % thans per maandag Effectieve rente op 6,9 % jaarbasis Deze geciteerde gedeeltes worden hierna aangeduid als: ‘de rentebepaling’. 2.3. Op beide kredietovereenkomsten zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In deze voorwaarden staat in artikel 3, onder b: “De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo en kan door Kredietgever, met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima, worden gewijzigd. Kredietgever zal Kredietnemer van iedere wijziging schriftelijk in kennis stellen.” Deze bepaling wordt hierna aangeduid als ‘de wijzigingsbepaling’. 2.4. Aan [eiser 1] en [eiser 2] zijn prospectussen verstrekt met daarin informatie over de producten en financiële diensten. In deze prospectusssen staat in hoofdstuk 4, dat gaat over doorlopende financieringsvormen, over rente en aflossing: “Gedurende de looptijd kan de rente wijzigen.” In de toelichting over de algemene voorwaarden, vermeldt de prospectus over de rente: “De rente, welke door de kredietgever aan de kredietnemer over het debetsaldo in rekening wordt gebracht, kan door de kredietgever worden aangepast. Wijzingen van het rentepercentage zullen kenbaar gemaakt worden op het overzicht van de kredietnemer.” 2.5. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de schuld uit hoofde van de kredietovereenkomst 1 in één keer afgelost op 15 februari 2011. De schuld uit hoofde van de kredietovereenkomst 2 is eveneens afgelost door een kwijting op 10 januari 2023. 3 Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – na eiswijziging – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Primair een verklaring voor recht dat de doorlo Dat maakt dat deze overeenkomsten onder het toepassingsbereik vallen van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). 4.4. IB Krediet stelt zich op het standpunt dat de rentebepaling buiten het toepassingsbereik van de richtlijn valt en voert daartoe het volgende aan. 4.5. Volgens IB Krediet is over de rentebepaling onderhandeld, althans moet daar volgens haar vanuit worden gegaan. Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 2 van de richtlijn wordt een beding echter steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandelingen te zijn geweest wanneer het van tevoren is opgesteld en de consument daardoor geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen uitoefenen. De kredietvergoeding is door IB Krediet van tevoren opgesteld. De bewijslast dat een beding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling rust op de handelaar. Dat staat ook in artikel 3 lid 2 van de richtlijn. IB Krediet heeft echter geen (begin van) bewijs geleverd van haar standpunt dat over de rentebepaling is onderhandeld. Ook de verwijzing naar het Airbnb-arrest gaat niet op, omdat een dergelijke feitelijke situatie zich in dit geval niet heeft voorgedaan. Bovendien is een kredietvergoeding - zijnde de kern van de prestatie - anders dan servicekosten waarop de door de Hoge Raad beantwoorde prejudiciële vraag zag, geen vast bedrag en evenmin een vast percentage. Het beroep op het Airbnb-arrest gaat dan ook niet op. 4.6. IB Krediet voert ook aan dat de rentebepaling een kernbeding is en daarom op grond van artikel 4 lid 2 van de richtlijn is uitgezonderd van toetsing op oneerlijkheid. Kernbedingen zijn echter alleen uitgezonderd van toetsing aan de richtlijn als ze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en dus transparant zijn. Beoordeeld moet daarom worden of de rentebepaling een kernbeding is en zo ja, of het transparant is. 4.7. Ter beantwoording van die vraag volgt de kantonrechter IB Krediet niet in het door haar gemaakte onderscheid tussen de rentebepaling, dat volgens haar een kernbeding is, en de wijzigingsbepaling, die volgens haar geen kernbeding is. De rentebepaling en de wijzigingsbepaling zijn weliswaar twee los van elkaar staande bepalingen, waarbij de rentebepaling in de kredietovereenkomst staat en de wijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden, maar van belang is of deze bepalingen afzonderlijk of in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Anders gezegd, kunnen de bepalingen van elkaar worden gescheiden of zijn ze zodanig met elkaar verbonden dat ze tezamen één (kern)beding vormen. 4.8. De (on)scheidbaarheid van contractuele bedingen wordt bepaald door de inhoud of functie van de specifieke bepalingen en niet door de manier waarop ze in de overeenkomst worden gepresenteerd. Het maakt daarom niet uit waar of hoe ze in de overeenkomst staan. Gedeeltelijke schrapping van een beding is niet mogelijk als twee (of meer) delen van een contractueel beding zodanig verband met elkaar houden dat het schrappen van één deel de inhoud van het resterende beding zou beïnvloeden. Het is in dit verband mogelijk dat twee paragrafen, nummers of zelfs bepalingen in verschillende documenten staan, maar zij gezien hun inhoud of functie, één contractueel beding vormen. 4.9. Bij kredietovereenkomsten kan worden gekozen voor een vaste of een variabele rente. Bij een vaste rente wordt het rentepercentage bij het sluiten van de overeenkomst voor een bepaalde duur vastgesteld. In dat geval wordt de rente voor een langere periode op een bepaald percentage vastgesteld. De consument verkiest dan zekerheid boven onzekerheid en betaalt daar (middels een hogere rente) ook voor. Bij een variabele rente staat het rentepercentage niet vast, maar is dat afhankelijk van onder meer de marktrente (de rente die de kredietverstrekker moet betalen voor het ingekochte geld). In dat geval kan het in de overeenkomst genoemde percentage snel na het ingaan van de overeenkomst stijgen of dalen, naargelang de omstandig Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg over de bedoeling. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen. 4.13. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat als bedingen als oneerlijk zijn aan te merken, deze in zijn geheel moeten worden geschrapt uit de overeenkomst en niet mogen worden herzien, bijvoorbeeld door alleen het oneerlijke gedeelte eruit te halen. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Het overige deel van de overeenkomst blijft wel bindend voor partijen, mits de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan blijven voortbestaan. 4.14. De onderhavige bepalingen moeten dus in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het kernbeding (dus de rentebepaling en de wijzigingsbepaling tezamen) niet transparant is en om die reden op oneerlijkheid moet worden getoetst. De kantonrechter licht dit toe. 4.15. In de kredietovereenkomst wordt zowel het begrip ‘rente’ als ‘kredietvergoeding’ gebruikt, terwijl het begrip kredietvergoeding alle kosten van het krediet omvat. De nominale rente, dat wil zeggen de overeengekomen rente bij aanvang van de kredietovereenkomst zonder kosten, is noch in de kredietovereenkomst, noch in de algemene voorwaarden opgenomen. [eiser 1] en [eiser 2] worden dus bij aanvang van de overeenkomst niet geïnformeerd over de hoogte van de nominale rente en de kosten die IB Krediet daarnaast in rekening brengt of kan brengen. Die kosten zijn bovendien niet nader gespecificeerd. 4.16. IB Krediet vermeldt in de prospectus dat de rente kan veranderen. Als [eiser 1] en [eiser 2] al op deze informatie zijn gewezen, mochten zij er als gemiddelde consument op basis van de verstrekte informatie in de prospectus vanuit gaan dat bij een dalende of stijgende marktrente de te betalen rente daarin meebeweegt. IB Krediet heeft zichzelf echter een eenzijdige bevoegdheid gegeven om niet alleen de nominale rente te wijzigen, maar ook de kosten van het krediet, op ieder door IB Krediet te bepalen moment. Dat IB Krediet de kosten in kredietovereenkomst 2 heeft gewijzigd staat vast. Dat blijkt uit het overzicht bij punt 3.4 van de conclusie van dupliek. Hoewel dat de toepassing van het beding betreft, die niet meeweegt bij de beoordeling van de transparantie van het beding, geeft het wel het belang aan om bij aanvang van de kredietovereenkomst duidelijk en transparant te zijn over de percentages en de bedragen aan nominale rente en de kosten die in de kredietvergoeding begrepen zijn, zodat [eiser 1] en [eiser 2] bij aanvang van de kredietovereenkomst inzicht hebben in de ontwikkeling daarvan. Als gemiddelde consument zullen zij immers verwachten dat bij een variabele rente de rente meebeweegt met ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt en deze dus daalt als de marktrente daalt. Dat laatste was (en is) gebruikelijk. In dat opzicht wijkt de kredietovereenkomst ten nadele van [eiser 1] en [eiser 2] af van gangbare marktpraktijken. In ieder geval is het voor [eiser 1] en [eiser 2] niet goed mogelijk om op grond van de rentebepaling en de wijzigingsbepaling alle financiële consequenties in te schatten die voor hen daaruit voortvloeien. Dat maakt het kernbeding niet transparant, zodat het op oneerlijkheid moet worden getoetst. 4.17. Het gerechtshof Amsterdam heeft eveneens geoordeeld dat een vergelijkbaar beding een niet transparant kernbeding is. Niettemin heeft het gerechtshof het beding niet als oneerlijk aangemerkt. Het gerechtsho De Wet op het Consumentenkrediet (oud) en het daarop gebaseerde Besluit Kredietvergoeding zijn echter uitsluitend van toepassing bij kredieten tot € 40.000,00. In het onderhavige geval is het aan [eiser 1] en [eiser 2] verstrekte krediet hoger dan het destijds geldende maximum van € 40.000,00 zodat dit wettelijke maximum in het geval van [eiser 1] en [eiser 2] niet geldt. 4.21. Dat betekent, anders dan de wijzigingsbepaling doet vermoeden, er geen begrenzing is. Zelfs als het dwingendrechtelijke maximum van de kredietvergoeding zou hebben gegolden, maakt het enkele feit dat er in de wijzigingsbepaling wordt gerefereerd aan een wettelijk maximum, ook in combinatie met het opzeggingsrecht, de bedingen nog niet eerlijk. IB Krediet beschikt immers over de mogelijkheid om direct na ingaan van de overeenkomst de kredietvergoeding op het wettelijke maximum te zetten en dit niet meer te wijzigen. Dat zij dit in de praktijk wel of niet doet is voor de beoordeling op oneerlijkheid niet relevant. Het gaat erom dat [eiser 1] en [eiser 2] op grond van het beding, zoals dat nu is opgesteld, niet de economische gevolgen die voor hen uit de kredietovereenkomst voortvloeiden op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria hebben kunnen beoordelen. Dat die financiële gevolgen een bepaald maximum niet zouden overstijgen is daarvoor geen compensatie. Die redenering zou betekenen dat elk beding dat niet transparant en oneerlijk is, door het enkele noemen van ‘het wettelijk maximum’ op eenvoudige manier aan de toets en de gevolgen van oneerlijkheid kan ontkomen. 4.22. Als er geen wijzigingsmogelijkheid was overeengekomen, dan zou IB Krediet de kredietovereenkomst op grond van het nationale recht uitsluitend kunnen wijzigen bij wederzijdse instemming of onder zeer bijzondere omstandigheden met een beroep op onvoorziene omstandigheden of de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De kredietovereenkomst is in dat opzicht nadeliger voor [eiser 1] en [eiser 2] . 4.23. Uit het voorgaande blijkt dat het beoordelingskader en daarmee ook de uitkomst van de arresten waarnaar IB Krediet verwijst niet in overeenstemming zijn met (uitleg van) het EU-recht. Het is dan, op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aan de bevoegde rechter om die uitspraken niet te volgen en de consument (alsnog) te voorzien van een doeltreffende voorziening in rechte, ter bescherming van diens rechten. 4.24. Resumerend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de rentebepaling en de wijzigingsbepaling samen één kernbeding vormen. Dat kernbeding is niet transparant, zodat het op oneerlijkheid moet worden getoetst. Het kernbeding wordt, om de hiervoor in overwegingen 4.15 tot en met 4.22 aangehaalde redenen, ook als oneerlijk aangemerkt, omdat het beding het evenwicht tussen de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoort ten nadele van [eiser 1] en [eiser 2] . 4.25. De rentebepaling en de wijzigingsbepaling moeten daarom in hun geheel worden vernietigd. Vernietiging leidt ertoe dat [eiser 1] en [eiser 2] geen kredietvergoeding zijn verschuldigd. Oneerlijke bedingen binden de consument immers niet. Nu kredietovereenkomst 1 op 15 februari 2011 en kredietovereenkomst 2 op 10 januari 2023 volledig is afgelost, behoeft de vraag of de kredietovereenkomsten na vernietiging van het beding al dan niet in stand kunnen blijven in dit geval niet te worden beantwoord. 4.26. Bij deze uitkomst wordt de primaire vordering van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen. De subsidiaire vordering is toewijsbaar als in de beslissing vermeld, met dien verstande dat met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente het volgende van belang is. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen wettelijke rente vanaf de dag van de betalingen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de voldoening. IB Krediet heeft in dat verband terecht aangevoerd dat pas op het moment dat een nulstan