Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:9099
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11641718 \ CV EXPL 25-5715 Vonnis van 18 november 2025 in de zaak van RCI FINANCIAL SERVICES B.V. , gevestigd te Haarlemmermeer, eisende partij, hierna te noemen: RCI, gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , vertegenwoordigd door: [naam] . De zaak in het kort [gedaagde] heeft van RCI twee auto’s geleaset op basis van aparte financial leaseovereenkomsten. [gedaagde] heeft voor beide auto’s een betalingsachterstand laten ontstaan, waarna RCI de totale openstaande bedragen heeft opgeëist. RCI vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de auto’s terug te geven en de openstaande bedragen te betalen, met rente en kosten. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 28 maart 2025, met producties, - de e-mail van 17 juni 2025 van [gedaagde] , - het instructievonnis van 1 juli 2025, - de dagbepaling van de mondelinge behandeling. 1.2. Op 15 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens RCI is de gemachtigde verschenen. Namens [gedaagde] heeft [naam] (directeur) de zitting, op eigen verzoek, digitaal vanuit het buitenland bijgewoond. 1.3. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die in het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. RCI heeft op 13 juli 2023 met [bedrijf] B.V. en [naam] een financial leaseovereenkomst gesloten ter financiering van een Renault Clio met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Clio) voor de duur van 60 maanden. Partijen zijn voor de Clio een totaalbedrag van € 14.152,80 overeengekomen (inclusief kredietvergoeding) tegen een jaarlijks kostenpercentage van 9,39%. 2.2. Op 18 september 2023 heeft RCI met [gedaagde] en [naam] een financial leaseovereenkomst gesloten ter financiering van een Chevrolet Avalanche met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Avalanche) voor de duur van 36 maanden. Partijen zijn voor de Avalanche een totaalbedrag van € 17.169,12 overeengekomen (inclusief kredietvergoeding) tegen een jaarlijks kostenpercentage van 9,39%. 2.3. Op beide leaseovereenkomsten zijn de “ Algemene voorwaarden – Aflopend krediet | Mobilize Financial Services (MFS) versie 2022 ” (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 7 aanhef en onder a van de algemene voorwaarden is bepaald dat het gehele openstaande bedrag in één keer aan RCI moet worden terugbetaald als er minimaal twee verschuldigde termijnbetalingen na twee maanden nog niet zijn betaald en de betalingsverplichting na ingebrekestelling nog niet nagekomen wordt, mits die twee termijnen samen minimaal één twintigste van de lening bedragen. Verder staat in artikel 8.1 van de algemene voorwaarden dat als de betalingsverplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nagekomen worden, RCI kan vragen om geen gebruik meer te maken van het voertuig en het voertuig in te leveren, waardoor de kredietovereenkomst ontbonden wordt. 2.4. Bij brief van 8 november 2023 is de leaseovereenkomst van de Clio ‘omgezet’ op naam van [gedaagde] . 2.5. Er is ten aanzien van beide voertuigen een betalingsachterstand ontstaan. 2.6. RCI heeft [gedaagde] meerdere betalingsverzoeken gestuurd en haar gesommeerd om de verplichtingen uit de leaseovereenkomsten na te komen. Bij brieven van 15 januari 2025 heeft de gemachtigde van RCI betaling van het openstaande totaalsaldo (“ de lening ”) van beide voertuigen gevorderd, de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] gesommeerd om de voertuigen in te leveren. 2.7. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan en heeft de voertuigen niet bij RCI ingeleverd. RCI heeft daarom aangifte gedaan tegen [gedaagde] van verduistering van de voertuigen. Sindsdien zijn de voertuigen De verschenen rente over de resterende betalingstermijnen over de periode van 17 januari 2025 tot 25 februari 2025 bedraagt volgens RCI in totaal € 229,44. [gedaagde] heeft de hoogte van de verschenen rente niet betwist. Daarnaast blijkt uit de door RCI overgelegde betaaloverzichten dat de (verschenen) rente niet is meegenomen in de vordering van de resterende betalingstermijnen. De gevorderde verschenen rente van wordt dan ook toegewezen, evenals de contractuele rente van 9,39% per jaar vanaf 25 februari 2025. Buitengerechtelijke kosten 4.5. De door RCI gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). RCI stelt dat zij een incassogemachtigde heeft ingeschakeld die voor haar de brieven van 15 januari 2025 heeft verstuurd. De werkzaamheden die RCI noemt moeten op één lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief en moeten daarom worden beschouwd als handelingen ter voorbereiding van de procedure. De kosten daarvan vallen onder de proceskosten en niet onder de buitengerechtelijke (incasso)kosten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft RCI dan ook onvoldoende gesteld ter onderbouwing van haar aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, zodat dat deel van de vordering wordt afgewezen. Afgifte van de voertuigen 4.6. Aangezien [gedaagde] niet aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan was RCI op grond van de algemene voorwaarden ook gerechtigd om de overeenkomsten buitengerechtelijk te ontbinden en teruggave van de voertuigen te vorderen. Dat [gedaagde] heeft voorgesteld om de overeenkomsten door een derde over te laten nemen of, niettegenstaande de reeds ingeroepen ontbinding van de overeenkomsten, na betaling de overeenkomst van de Avalanche voort te zetten, maakt dat niet anders. [gedaagde] is niet gehouden om mee te werken aan een contractsoverneming of de voortzetting van een reeds ontbonden financial leaseovereenkomst als er weer betaald wordt, nog los van de omstandigheid dat [gedaagde] geen enkele betaling meer heeft verricht. 4.7. [gedaagde] heeft zich, ondanks aanschrijving daartoe, niet bereid getoond om de voertuigen aan RCI af te geven. [gedaagde] wordt dan ook veroordeeld om de voertuigen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan RCI af te geven. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat hierbij het bepaalde in artikel 8.4 en 8.5 van de algemene voorwaarden geldt en dat de opbrengsten van de verkoop van de voertuigen door RCI in mindering moeten worden gebracht op de toegewezen vorderingen. 4.8. Ter zitting heeft [naam] verklaard dat beide auto’s zijn gevonden en niet langer als gestolen geregistreerd staan. De Avalanche heeft hij na betaling van € 690,00 aan stallingskosten opgehaald en inmiddels weer onder zich. Hij is bekend met de locatie van het garagebedrijf waar de Clio gestald is, maar die heeft hij niet opgehaald omdat daar van alles mis mee is. RCI heeft aangegeven niet bekend te zijn met de locatie van de Clio en door [naam] alleen geïnformeerd te zijn dat deze bij “een” sleepbedrijf zou staan. Verder is RCI door [naam] geïnformeerd dat hij niet wist waar de Avalanche was. Dat blijkt niet waar te zijn hetgeen [naam] bevestigt met als reden dat RCI ‘zelf kan uitzoeken waar de auto staat’ en ‘hij het werk van de gemachtigde niet gaat doen’. Nu [naam] zodoende bewust informatie over de locatie van de voertuigen heeft achtergehouden toen hij daarover door de gemachtigde van RCI bevraagd werd, ziet de kantonrechter aanleiding om aan de veroordeling tot afgifte een dwangsom te verbinden van € 500,00 per dag per voertuig, met een maximum van € 15.000,00 per voertuig. Voor het geval [gedaagde] de maximale dwangsom(men) heeft laten vollopen, machtigt de kantonrechter RCI om de/het voertuig(en) met behulp van de sterke arm terug te doen halen. Proceskosten 4.9. [gedaagde] is in he