Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:9048
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11590893 \ CV EXPL 25-4278 Vonnis van 20 november 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] , gemachtigde: K&B Finance B.V., tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IB KREDIET B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: IB Krediet, gemachtigde: mr. G.J.L. Bergervoet. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 februari 2025,- de conclusie van antwoord, met producties, - de rolmededeling van 5 juni 2025, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op het verzoek van IB Krediet tot aanhouding van de procedure, - de akte uitlaten verzoek tot aanhouding van [eiser 1] en [eiser 2] , - de rolmededeling van 11 juli 2025, waarbij het verzoek tot aanhouding is afgewezen, de kantonrechter heeft beslist dat schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd en de zaak is verwezen naar de rol voor repliek. 1.2. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet gerepliceerd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 30 juli 2008 hebben [eiser 1] en [eiser 2] met IB Krediet een doorlopende kredietovereenkomst gesloten. De kredietovereenkomst is met bemiddeling van een tussenpersoon tot stand gekomen. 2.2. In de kredietovereenkomst staat onder meer: Artikel 1. Aan Cliënt wordt door kredietgever een krediet tot een maximum bedrag van Kredietlimiet voluit (zegge): vijftigduizend Euro 00/100 Cliënt is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo. De effectieve rente op jaarbasis bedraagt Kredietlimiet € 50.000,00 Kredietvergoeding 0,498 % thans per maandag Effectieve rente op 6,1 % jaarbasis Hierna zal dit gedeelte worden aangeduid als ‘de rentebepaling’. 2.3. Op de kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In deze voorwaarden staat in artikel 3, onder b: “De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend over het uitstaande saldo en kan door Kredietgever, met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima, worden gewijzigd. Kredietgever zal Cliënt van iedere wijziging schriftelijk in kennis stellen.” Hierna zal deze bepaling worden aangeduid als ‘de wijzigingsbepaling’. 2.4. Aan [eiser 1] en [eiser 2] is een prospectus verstrekt met daarin informatie over de producten en financiële diensten. Hierin staat onder meer: “Het tarief dat u betaalt is afhankelijk van uw persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld uw inkomsten en vaste lasten, de hoogte van uw kredietlimiet en van de rentestand op dat moment. Zodra die rentestand verandert, verandert uw rente mee. Daardoor kan het zijn dat het iets langer of iets korter duurt voordat uw krediet is afgelost.” “De effectieve rente op jaarbasis is de prijsaanduiding voor het krediet. Hierin komen alle kosten van het krediet tot uitdrukking.” 2.5. De kredietovereenkomst tussen partijen loopt nog. 3 Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Primair een verklaring voor recht dat de doorlopende kredietovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd door de verklaring bij dagvaarding, althans deze te vernietigen, veroordeling van IB Krediet tot (terug)betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van de door hen krachtens de kredietovereenkomst betaalde kredietvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, Subsidiair de rentebepaling in de kredietovereenkomst en de wijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden te vernietigen en IB Krediet te gebieden alle door [eiser 1] en [eiser 2] betaalde bedragen op basis van rentes aan hen (terug) te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, met in alle gevallen veroordeling van IB Krediet in de proceskos Het zijn weliswaar twee los van elkaar staande bepalingen, waarbij de rentebepaling in de kredietovereenkomst staat en de wijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden, maar van belang is of deze bepalingen afzonderlijk of in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Anders gezegd, kunnen de bepalingen van elkaar worden gescheiden of zijn deze zodanig met elkaar verbonden dat deze tezamen één (kern)beding vormen. 4.6. De (on)scheidbaarheid van contractuele bedingen wordt bepaald door de inhoud of functie van de specifieke bepalingen en niet door de manier waarop ze in de overeenkomst worden gepresenteerd. Het maakt dus niet uit waar of hoe ze in de overeenkomst staan. Gedeeltelijke schrapping van een beding is niet mogelijk als twee (of meer) delen van een contractueel beding zodanig verband met elkaar houden dat het schrappen van één deel de inhoud van het resterende beding zou beïnvloeden. Het is in dit verband mogelijk dat twee paragrafen, nummers of zelfs bepalingen in verschillende documenten staan, maar zij gezien hun inhoud of functie, één contractueel beding vormen. 4.7. Bij kredietovereenkomsten kan worden gekozen voor een vaste of een variabele rente. Bij een vaste rente wordt het rentepercentage bij het sluiten van de overeenkomst voor een bepaalde duur vastgesteld. In dat geval wordt de rente voor een langere periode op een bepaald percentage vastgesteld. De consument verkiest dan zekerheid boven onzekerheid en betaalt daar (middels een hogere rente) ook voor. Bij een variabele rente, zoals in deze zaak het geval is, staat het rentepercentage niet vast, maar is dat afhankelijk van onder meer de marktrente (de rente die de kredietverstrekker moet betalen voor het ingekochte geld). In dat geval kan het in de overeenkomst genoemde percentage snel na het ingaan van de overeenkomst stijgen of dalen, naargelang de omstandigheden in de markt. Het genoemde rentepercentage in de kredietovereenkomst zal daarom in de regel slechts kortstondig tussen partijen gelden (zie ook het woord “thans” in de bepaling). Op grond van het wijzigingsmechanisme van de wijzigingsbepaling wordt het daadwerkelijk te betalen bedrag aan rente gedurende de loop van de overeenkomst bepaald. De rentebepaling en de wijzigingsbepaling hangen daardoor dusdanig met elkaar samen, dat beide bepalingen samen telkens de betalingsverplichting van de consument kenmerken. De wijzigingsbepaling bepaalt in grote mate de economische verplichting van de consument en welke (financiële) risico’s hij loopt. Het rentepercentage dat genoemd wordt in de kredietovereenkomst geldt alleen op het moment van afsluiten van de overeenkomst, tot aan de eerste wijziging. Het onderhavige wijzigingsbeding heeft dan ook een andere strekking dan een prijswijzigingsbeding, zoals gebruikelijk bij duurovereenkomsten. Daar gaat het om periodieke aanpassing, op gezette momenten, waarin de betalingsverplichting kan worden aangepast in verband met inflatie of eventuele andere prijsstijgingen. Dat is van een andere orde dan de (constante) fluctuatie van de variabele rente, die bovendien naar boven en beneden kan worden aangepast. Geoordeeld wordt dan ook dat de rentebepaling en de wijzigingsbepaling één onlosmakelijk geheel vormen en samen de prestatie van de consument bepalen. Beide bepalingen vormen samen dus één kernbeding. Kernbeding is niet transparant 4.8. Beoordeeld moet worden of dat (kern)beding transparant is. Uitsluitend als tot het oordeel wordt gekomen dat dit niet het geval is, kan het beding worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. 4.9. Bij de beoordeling van transparantie gaat het om een ruimere opvatting dan slechts formele en grammaticale begrijpelijkheid. Onder het vereiste dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, moet worden begrepen dat het ook gebiedt dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft en, in voorkomend geval, de verhouding tussen dit mechanism Als [eiser 1] en [eiser 2] al op deze informatie zijn gewezen, mochten zij er als gemiddelde consument op basis van de verstrekte informatie in de prospectus van uitgaan dat bij een dalende of stijgende marktrente de te betalen nominale rente daarin meebeweegt. IB Krediet heeft zichzelf echter een eenzijdige bevoegdheid gegeven om niet alleen de nominale rente te wijzigen, maar ook de kosten van het krediet, op ieder door IB Krediet te bepalen moment. Dat IB Krediet de kosten heeft gewijzigd staat vast. Dat blijkt uit het overzicht bij punt 3.4 van de conclusie van antwoord. Hoewel dat de toepassing van het beding betreft, die niet meeweegt bij de beoordeling van de transparantie van het beding, geeft het wel het belang aan om bij aanvang van de kredietovereenkomst duidelijk en transparant te zijn over de percentages en de bedragen aan nominale rente en de kosten die in de kredietvergoeding begrepen zijn, zodat [eiser 1] en [eiser 2] bij aanvang van de kredietovereenkomst inzicht hebben in de ontwikkeling daarvan. Als gemiddelde consument zullen zij immers verwachten dat bij een variabele rente de rente meebeweegt met ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt en deze dus daalt als de marktrente daalt. Dat laatste was (en is) gebruikelijk. In dat opzicht wijkt de kredietovereenkomst ten nadele van [eiser 1] en [eiser 2] af van gangbare marktpraktijken. In ieder geval is het voor [eiser 1] en [eiser 2] niet goed mogelijk om op grond van de rentebepaling en de wijzigingsbepaling alle financiële consequenties in te schatten die voor hen daaruit voortvloeien. Dat maakt het kernbeding niet transparant, zodat het op oneerlijkheid moet worden getoetst. Kernbeding is oneerlijk 4.15. Het gerechtshof Amsterdam heeft eveneens geoordeeld dat een vergelijkbaar beding een niet transparant kernbeding is. Niettemin heeft het gerechtshof het beding niet als oneerlijk aangemerkt. Het gerechtshof heeft, ook in het latere arrest, onder meer geoordeeld dat in de kredietovereenkomst staat dat het dwingendrechtelijke wettelijke maximum in acht moet worden genomen en de wijzigingsmogelijkheden in zoverre beperkt zijn. Daarnaast kent het gerechtshof waarde toe aan de omstandigheid dat de consument de kredietovereenkomst ‘kosteloos’ kan opzeggen bij een wijziging van de kredietvergoeding. IB Krediet verwijst naar deze uitspraken van het gerechtshof. 4.16. Wat echter niet in de beoordeling van het gerechtshof terugkomt is dat allereerst moet worden beoordeeld of het wijzigingsbeding (ook) een kernbeding is. Bij een wijzigingsbeding moet worden beoordeeld of sprake is van een geldige, in de overeenkomst vermelde reden om eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen (verwezen wordt ook naar de indicatieve lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt, de bijlage behorend bij artikel 3 lid 3 van de richtlijn). Een uitzondering is gemaakt voor leveranciers van financiële diensten, zoals bijvoorbeeld IB Krediet, die zich in de overeenkomst het recht hebben voorbehouden de door de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle andere op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits die dienstverlener verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij en laatstgenoemde partij vrij is onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen. Die geldige, in de overeenkomst vermelde reden wordt door het Hof van Justitie van de Europese Unie als cruciaal gezien, maar ontbreekt in de onderhavige rentebepaling en de wijzigingsbepaling. Ook de andere bedingen in de kredietovereenkomst vermelden geen reden voor wijziging van de kredietvergoeding. 4.17. De kantonrechter is van oordeel dat het kernbeding (nogmaals, de rentebepaling en de wijzigingsbepaling tezamen) alleen al om die reden niet eerlijk is. De onevenwichtigheid wordt niet gecompenseerd door de bevoegdheid van [eiser 1] en [eiser 2] om de kredietovereenkomst te beëindigen bij een