Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:9046
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11451568 \ CV EXPL 24-16022 Vonnis van 18 november 2025 in de zaak van 1 [eiser] , wonende te [woonplaats] ,2. [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , gemachtigde: K&B Finance B.V., tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IB KREDIET B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: IB Krediet, gemachtigden: mr. G.J.L. Bergervoet en mr. C. Spierings. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het instructievonnis van 25 februari 2025, waarbij is beslist dat schriftelijk verder zal worden geprocedeerd en de zaak is verwezen naar de rol voor repliek, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek, - de rolmededeling van 22 juli 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. [eisers] zijn verschenen bij mr. R.A. van den Braak, namens de gemachtigde. IB Krediet is verschenen bij [naam] , mr. C. Spierings en mr. S.H.A.M. Hendrix. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. IB Krediet heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op 7 februari 2006 hebben [eisers] met (de rechtsvoorganger van) IB Krediet een doorlopende kredietovereenkomst gesloten. De kredietovereenkomst is met bemiddeling van een tussenpersoon tot stand gekomen. 2.2. In de kredietovereenkomst staat: “Artikel 1. Aan Cliënt wordt door kredietgever een krediet verleend tot een maximum bedrag van EUR 47.000.00 (Zegge: zevenenveertigduizendeuro 00/100). Cliënt is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaand saldo. Kredietvergoeding thans per maand 0.521 % De effectieve rente op jaarbasis bedraagt 6,4 %” Hierna zal deze bepaling worden aangeduid als: ‘de rentebepaling’. 2.3. Op de kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In deze voorwaarden staat in artikel 3, onder b: “De kredietvergoeding wordt van dag tot dag berekend en kan door kredietgever, met inachtneming van de krachtens de wet gestelde maxima, worden gewijzigd. Kredietgever zal Cliënt van iedere wijziging schriftelijk in kennis stellen.” Hierna zal deze bepaling worden aangeduid als ‘de wijzigingsbepaling’. 2.4. Aan [eisers] is een prospectus verstrekt met daarin informatie over de producten en financiële diensten. Hierin staat, bij het product doorlopend krediet, onder meer: “De rente die u betaalt, hangt af van uw kredietlimiet en van de rentestand op dat moment. Zodra die rentestand verandert, verandert uw rente mee. (…) De rente wordt berekend over het opgenomen bedrag volgens de algemeen geldende dagelijkse methode. Omdat het voor u prettig is om op de hoogte te blijven van de stand van zaken, ontvangt u elke maand een maandoverzicht. Hierop vindt u alle mutaties van de desbetreffende maand, betalingen, opnames, de berekende rente, de effectieve rente op jaarbasis, het bedrag dat u nog kunt opnemen en het bedrag dat u, los van de rente, nog schuldig bent.” 2.5. [eisers] hebben de schuld uit hoofde van de kredietovereenkomst in één keer afgelost op 23 maart 2012. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Primair een verklaring voor recht dat de doorlopende kredietovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd door de verklaring bij dagvaarding, althans deze te vernietigen, veroordeling van IB Krediet tot (terug)betaling aan [eisers] van de door hen krachtens de kredietovereenkomst betaalde kredietvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, Subsidiair de rentebepaling in de kredietovereenkomst en de wijzigin IB Krediet wijst ook op de uitzondering van artikel 1 lid 2 van de richtlijn, waarin is bepaald dat de richtlijn niet van toepassing is op bedingen waarin dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen zijn overgenomen. De rentebepaling betreft volgens IB Krediet uitvoering van dwingend recht. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Het gaat (hooguit) om uitvoering, niet om het (letterlijk) overnemen van wettelijke bepalingen. Daarmee is het ook niet gelijk te stellen. De rentebepaling valt dan ook niet onder deze uitzondering. 4.6. Tot slot voert IB Krediet hierover aan dat de rentebepaling een kernbeding is en daarom op grond van artikel 4 lid 2 van de richtlijn is uitgezonderd van toetsing op oneerlijkheid. Kernbedingen zijn echter alleen uitgezonderd van toetsing aan de richtlijn als ze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en dus transparant zijn. Beoordeeld moet daarom worden of de rentebepaling een kernbeding is en zo ja, of het transparant is. 4.7. Ter beantwoording van die vraag volgt de kantonrechter IB Krediet niet in het door haar gemaakte onderscheid tussen de rentebepaling, dat volgens haar een kernbeding is, en de wijzigingsbepaling, die volgens haar geen kernbeding is. Ook niet na de nadere toelichting van IB Krediet ter zitting en de verwijzing daarbij naar het Matei-arrest. In dat arrest wordt overigens expliciet het voorbehoud gemaakt van ‘de omstandigheden als in het hoofdgeding’ (dus de concrete zaak die daar aan de orde was, zijnde, anders dan hier aan de orde, twee kredietovereenkomsten met een vaste rente). Daarnaast staat in het oordeel dat het steeds aan de rechter is om de juistheid van de kwalificatie van contractuele bedingen te onderzoeken, rekening houdend met de aard, algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomst, alsmede de juridische en feitelijke context van de bedingen. 4.8. De rentebepaling en de wijzigingsbepaling zijn weliswaar twee los van elkaar staande bepalingen, waarbij de rentebepaling in de kredietovereenkomst staat en de wijzigingsbepaling in de algemene voorwaarden, maar van belang is of deze bepalingen afzonderlijk of in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Anders gezegd, kunnen de bepalingen van elkaar worden gescheiden of zijn ze zodanig met elkaar verbonden dat ze tezamen één (kern)beding vormen. 4.9. De (on)scheidbaarheid van contractuele bedingen wordt bepaald door de inhoud of functie van de specifieke bepalingen en niet door de manier waarop ze in de overeenkomst worden gepresenteerd. Het maakt daarom niet uit waar of hoe ze in de overeenkomst staan. Gedeeltelijke schrapping van een beding is niet mogelijk als twee (of meer) delen van een contractueel beding zodanig verband met elkaar houden dat het schrappen van één deel de inhoud van het resterende beding zou beïnvloeden. Het is in dit verband mogelijk dat twee paragrafen, nummers of zelfs bepalingen in verschillende documenten staan, maar zij gezien hun inhoud of functie, één contractueel beding vormen. 4.10. Bij kredietovereenkomsten kan worden gekozen voor een vaste of een variabele rente. Bij een vaste rente wordt het rentepercentage bij het sluiten van de overeenkomst voor een bepaalde duur vastgesteld. In dat geval wordt de rente voor een langere periode op een bepaald percentage vastgesteld. De consument verkiest dan zekerheid boven onzekerheid en betaalt daar (middels een hogere rente) ook voor. Bij een variabele rente staat het rentepercentage niet vast, maar is dat afhankelijk van onder meer de marktrente (de rente die de kredietverstrekker moet betalen voor het ingekochte geld). In dat geval kan het in de overeenkomst genoemde percentage snel na het ingaan van de overeenkomst stijgen of dalen, naargelang de omstandigheden in de markt. Het genoemde rentepercentage in de kredietovereenkomst zal daarom in de regel slechts kortstondig tussen partijen gelden (zie ook het woord “thans” in de bepaling). Op grond van het wijzigingsmechanisme van de wijzigingsbepaling wordt het daadwerkelijk te b Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg over de bedoeling. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen. 4.14. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat als bedingen als oneerlijk zijn aan te merken, deze in zijn geheel moeten worden geschrapt uit de overeenkomst en niet mogen worden herzien, bijvoorbeeld door alleen het oneerlijke gedeelte eruit te halen. Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Het overige deel van de overeenkomst blijft wel bindend voor partijen, mits de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan blijven voortbestaan. 4.15. De onderhavige bepalingen moeten dus in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het kernbeding (dus de rentebepaling en de wijzigingsbepaling tezamen) niet transparant is en om die reden op oneerlijkheid moet worden getoetst. De kantonrechter licht dit toe. 4.16. In de kredietovereenkomst wordt zowel het begrip ‘rente’ als ‘kredietvergoeding’ gebruikt, terwijl het begrip kredietvergoeding alle kosten van het krediet omvat. De nominale rente, dat wil zeggen de overeengekomen rente bij aanvang van de kredietovereenkomst zonder kosten, is noch in de kredietovereenkomst, noch in de algemene voorwaarden opgenomen. [eisers] worden dus bij aanvang van de overeenkomst niet geïnformeerd over de hoogte van de nominale rente en de kosten die IB Krediet daarnaast in rekening brengt of kan brengen. Die kosten zijn bovendien niet nader gespecificeerd. 4.17. IB Krediet vermeldt in de prospectus dat de rente kan veranderen. Als [eisers] al op deze informatie zijn gewezen, mochten zij er als gemiddelde consument op basis van de verstrekte informatie in de prospectus vanuit gaan dat bij een dalende of stijgende marktrente de te betalen rente daarin meebeweegt. IB Krediet heeft zichzelf echter een eenzijdige bevoegdheid gegeven om niet alleen de nominale rente te wijzigen, maar ook de kosten van het krediet, op ieder door IB Krediet te bepalen moment. Dat IB Krediet de kosten heeft gewijzigd staat vast. Dat blijkt uit het overzicht bij punt 3.4 van de conclusie van antwoord. Hoewel dat de toepassing van het beding betreft, die niet meeweegt bij de beoordeling van de transparantie van het beding, geeft het wel het belang aan om bij aanvang van de kredietovereenkomst duidelijk en transparant te zijn over de percentages en de bedragen aan nominale rente en de kosten die in de kredietvergoeding begrepen zijn, zodat [eisers] bij aanvang van de kredietovereenkomst inzicht hebben in de ontwikkeling daarvan. Als gemiddelde consument zullen zij immers verwachten dat bij een variabele rente de rente meebeweegt met ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt en deze dus daalt als de marktrente daalt. Dat laatste was (en is) gebruikelijk. In dat opzicht wijkt de kredietovereenkomst ten nadele van [eisers] af van gangbare marktpraktijken. In ieder geval is het voor [eisers] niet goed mogelijk om op grond van de rentebepaling en de wijzigingsbepaling alle financiële consequenties in te schatten die voor hen daaruit voortvloeien. 4.18. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat een vergelijkbaar beding een niet transparant kernbeding is. Niettemin heeft het gerechtshof het beding niet als oneerlijk aangemerkt. Het gerechtshof heeft, ook in het latere arrest, onder meer geoordeeld dat in de kredietovereenkomst staat dat het dwingendrechtelijke wettelijke maximum in acht moet worden genomen en de wijzigingsmogelijkheden in zoverre beperkt zijn. Daarnaast kent het gerechtshof waarde toe aan de omstandigheid dat de consument de kredietovereenkomst ‘kosteloos’ kan opzeggen bij een wijziging van de kredietvergoeding. IB Krediet verwijst naar deze uitspraken van het gerechtshof. 4.19. Wat echter niet in de beoordeling van het gerechtshof terugkomt is dat all Zelfs als het dwingendrechtelijke maximum van de kredietvergoeding zou hebben gegolden, maakt het enkele feit dat er in de wijzigingsbepaling wordt gerefereerd aan een wettelijk maximum, ook in combinatie met het opzeggingsrecht, de bedingen nog niet eerlijk. IB Krediet beschikt immers over de mogelijkheid om direct na ingaan van de overeenkomst de kredietvergoeding op het wettelijke maximum te zetten en dit niet meer te wijzigen. Dat zij dit in de praktijk wel of niet doet is voor de beoordeling op oneerlijkheid niet relevant. Het gaat erom dat [eisers] op grond van het beding zoals dat nu is opgesteld niet de economische gevolgen die voor hen uit de kredietovereenkomst voortvloeiden op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria hebben kunnen beoordelen. Dat die financiële gevolgen een bepaald maximum niet zouden overstijgen is daarvoor geen compensatie. Die redenering zou betekenen dat elk beding dat niet transparant en oneerlijk is, door het enkele noemen van ‘het wettelijk maximum’ op eenvoudige manier aan de toets en de gevolgen van oneerlijkheid kan ontsnappen. Dus ook de meest gunstige uitleg voor de consument, zoals IB Krediet ter zitting onder de aandacht heeft gebracht, doet aan het voorgaande niet af. 4.23. Als er geen wijzigingsmogelijkheid was overeengekomen, dan zou IB Krediet de kredietovereenkomst op grond van het nationale recht uitsluitend kunnen wijzigen bij wederzijdse instemming of onder zeer bijzondere omstandigheden met een beroep op onvoorziene omstandigheden of de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De kredietovereenkomst is in dat opzicht nadeliger voor [eisers] . 4.24. Uit het voorgaande blijkt dat het beoordelingskader en daarmee ook de uitkomst van de arresten waarnaar IB Krediet verwijst niet in overeenstemming zijn met (uitleg van) het EU-recht. Het is dan, op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aan de bevoegde rechter om die uitspraken niet te volgen, maar de consument (alsnog) te voorzien van een doeltreffende voorziening in rechte, ter bescherming van diens rechten. 4.25. Concluderend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de rentebepaling en de wijzigingsbepaling samen één kernbeding vormen. Dat kernbeding is niet transparant, zodat het op oneerlijkheid moet worden getoetst. Het kernbeding wordt, om de hiervoor in overwegingen 4.16 tot en met 4.23 aangehaalde redenen, ook als oneerlijk aangemerkt, omdat het beding het evenwicht tussen de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk verstoort ten nadele van [eisers] . 4.26. De rentebepaling en de wijzigingsbepaling moeten daarom in hun geheel worden vernietigd. Vernietiging leidt ertoe dat [eisers] geen kredietvergoeding zijn verschuldigd. Oneerlijke bedingen binden de consument immers niet. Nu de kredietovereenkomst op 23 maart 2012 volledig is afgelost, behoeft de vraag of de kredietovereenkomst na vernietiging van het beding al dan niet in stand kan blijven in dit geval niet te worden beantwoord. 4.27. Bij deze uitkomst wordt de primaire vordering van [eisers] afgewezen. De subsidiaire vordering is toewijsbaar als in de beslissing vermeld, met dien verstande dat met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente het volgende van belang is. [eisers] vorderen wettelijke rente vanaf de dag van de betalingen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de voldoening. IB Krediet heeft in dat verband terecht aangevoerd dat pas op het moment dat een nulstand is bereikt sprake kan zijn van onverschuldigde betaling. Die nulstand is bereikt op 23 maart 2012. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf die datum. 4.28. IB Krediet heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis, vanwege een mogelijk restitutierisico als het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Een restitutierisico is inherent aan het stelsel van hoger beroep. Nu IB Krediet niets c