Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:9023
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenbeschikking
4,692 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13-173457-24
RK nummers: 009035-25 en 009036-25
TUSSENBESCHIKKING
op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren te [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. S.J. Römer, [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
1Procesgang
Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 7 april 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, voor de vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de overleveringsprocedure alsmede de standaardvergoeding van € 340,- voor de kosten die verband houden met het opstellen en indienen van het verzoek, te vermeerderen met € 340,- in geval sprake is van een mondelinge behandeling.
De zitting van 31 juli 2025
De rechtbank heeft op 31 juli 2025 de gemachtigd raadsman van verzoeker, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen.
De tussenbeschikking van 14 augustus 2025
In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen. Bij brief van 30 oktober 2024 verstrekte informatie volgt namelijk niet of het vonnis van 15 juli 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarmee of de overlevering ten behoeve van de vervolging van verzoeker feitelijk (on)mogelijk was. Ook blijkt niet of in België nog een vrijheidsbenemende straf open staat en zo ja, of de overleveringsdetentie die verzoeker in Nederland heeft ondergaan, in mindering zal worden gebracht op die openstaande straf.
De zitting van 5 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van de verzoekschriften op de zitting van 5 november 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat. De rechtbank heeft de gemachtigd raadsman van verzoeker, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen.
2De tussenbeschikking van 14 augustus 2025
In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank reeds de voorgeschiedenis besproken (paragraaf 2), over de ontvankelijkheid van de verzoeker geoordeeld (paragraaf 3), de verzoeken en het toetsingskader besproken (paragraaf 4 en paragraaf 6). Wat de rechtbank hierover aldaar heeft opgenomen en overwogen, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
3. Tenuitvoerlegging vatbaar vonnis en feitelijke (on)mogelijkheid van de overlevering; heropening
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 14 augustus 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden eveneens als hier herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat in de zaak van verzoeker sprake was van een vervolgings-EAB, dat is ‘ingehaald’ door een veroordelend vonnis. Het was de rechtbank echter niet duidelijk of het betreffende vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarmee of de overlevering ten behoeve van de vervolging van verzoeker feitelijk (on)mogelijk was. Uit de brief van het Parket van de procureur des Konings, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Unit Gerechtelijk Onderzoek (GNT) van 30 oktober 2024 valt op te maken dat het vervolgings-EAB is ingetrokken, omdat het ‘zonder voorwerp is geworden gelet op het tussenkomende vonnis van 15 juli 2024 ten gevolge waarvan betrokkene zodoende in vrijheid gesteld mag worden’. Voorts staat in die brief dat ‘betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden’. Uit die brief blijkt evenwel niet of er in België nog een vrijheidsbenemende straf open staat en zo ja, of de overleveringsdetentie die verzoeker in Nederland heeft ondergaan in het kader van het vervolgings-EAB, in mindering is of zal worden gebracht op die openstaande straf. Een en ander is wel relevant voor de beoordeling van de verzoeken tot schadevergoeding.
In een mailbericht van 22 oktober 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie onder verwijzing naar de tussenbeschikking van 14 augustus de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
Is met het vonnis van 15 juli 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent, sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis?
Zo ja, staat er in België nog een resterende vrijheidsstraf open van de gevangenisstraf van 10 maanden die aan verzoeker is opgelegd in voormeld vonnis? Zo ja, hoe lang resteert er nog van die straf?
Worden de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering gebracht op die resterende vrijheidsstraf?
Het Parket van de procureur des Konings, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft op 23 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In Antwoord op uw onderstaande vragen kunnen wij u het volgende melden.
Ja
Er staat in België geen resterende vrijheidsstraf open op de gevangenisstraf van 10 maanden.
De dagen overleveringsdetentie werden in mindering gebracht op de gevangenisstraf van 10 maanden.”
Standpunt raadsman
De raadsman bepleit primair dat de verzoeken moeten worden toegewezen. Volgens verzoeker heeft hij tien maanden in België in voorarrest gezeten en is aldaar een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest opgelegd. Hierdoor is het onmogelijk dat de dagen die verzoeker in Nederland in overleveringsdetentie heeft vastgezeten in mindering zijn of zullen worden gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf van tien maanden in België. Subsidiair verzoekt de raadsman aanvullende vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten, zodat duidelijk wordt hoe lang de verzoeker exact in België in voorarrest heeft gezeten en nog sprake is van een resterend strafrestant.
Standpunt officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan uit de aanvullende informatie van 23 oktober 2025 worden afgeleid dat de dagen die verzoeker in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, zijn afgetrokken van de straf die in België is opgelegd. Om die reden verzoekt de officier van justitie om de verzoeken af te wijzen. Het verstrekken van een schadevergoeding zal volgens de officier van justitie een dubbele “beloning” opleveren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat op 24 mei 2024 een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent in België. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht de overlevering vanwege het vermoeden dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Op 15 juli 2024 is vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent in België waarin verzoeker voor dit strafbare feit is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden.
Dictum
De rechtbank HEROPENT het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 3 geformuleerde vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALT dat de zaak weer op een openbare raadkamerzitting zal worden aangebracht en behandeld op een nader te bepalen datum tijdstip.
BEVEELT de oproeping van verzoeker tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze beslissing is gegeven op 19 november 2025 en in het openbaar uitgesproken door:
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en J.J.M. Graat, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
Rb. Amsterdam 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6496.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13-173457-24
RK nummers: 009035-25 en 009036-25
TUSSENBESCHIKKING
op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren te [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. S.J. Römer, [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
1Procesgang
Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 7 april 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, voor de vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in de overleveringsprocedure alsmede de standaardvergoeding van € 340,- voor de kosten die verband houden met het opstellen en indienen van het verzoek, te vermeerderen met € 340,- in geval sprake is van een mondelinge behandeling.
De zitting van 31 juli 2025
De rechtbank heeft op 31 juli 2025 de gemachtigd raadsman van verzoeker, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen.
De tussenbeschikking van 14 augustus 2025
In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen. Bij brief van 30 oktober 2024 verstrekte informatie volgt namelijk niet of het vonnis van 15 juli 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarmee of de overlevering ten behoeve van de vervolging van verzoeker feitelijk (on)mogelijk was. Ook blijkt niet of in België nog een vrijheidsbenemende straf open staat en zo ja, of de overleveringsdetentie die verzoeker in Nederland heeft ondergaan, in mindering zal worden gebracht op die openstaande straf.
De zitting van 5 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van de verzoekschriften op de zitting van 5 november 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat. De rechtbank heeft de gemachtigd raadsman van verzoeker, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen.
2De tussenbeschikking van 14 augustus 2025
In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank reeds de voorgeschiedenis besproken (paragraaf 2), over de ontvankelijkheid van de verzoeker geoordeeld (paragraaf 3), de verzoeken en het toetsingskader besproken (paragraaf 4 en paragraaf 6). Wat de rechtbank hierover aldaar heeft opgenomen en overwogen, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
3. Tenuitvoerlegging vatbaar vonnis en feitelijke (on)mogelijkheid van de overlevering; heropening
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 14 augustus 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden eveneens als hier herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat in de zaak van verzoeker sprake was van een vervolgings-EAB, dat is ‘ingehaald’ door een veroordelend vonnis. Het was de rechtbank echter niet duidelijk of het betreffende vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is en daarmee of de overlevering ten behoeve van de vervolging van verzoeker feitelijk (on)mogelijk was. Uit de brief van het Parket van de procureur des Konings, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Unit Gerechtelijk Onderzoek (GNT) van 30 oktober 2024 valt op te maken dat het vervolgings-EAB is ingetrokken, omdat het ‘zonder voorwerp is geworden gelet op het tussenkomende vonnis van 15 juli 2024 ten gevolge waarvan betrokkene zodoende in vrijheid gesteld mag worden’. Voorts staat in die brief dat ‘betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden’. Uit die brief blijkt evenwel niet of er in België nog een vrijheidsbenemende straf open staat en zo ja, of de overleveringsdetentie die verzoeker in Nederland heeft ondergaan in het kader van het vervolgings-EAB, in mindering is of zal worden gebracht op die openstaande straf. Een en ander is wel relevant voor de beoordeling van de verzoeken tot schadevergoeding.
In een mailbericht van 22 oktober 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie onder verwijzing naar de tussenbeschikking van 14 augustus de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
Is met het vonnis van 15 juli 2024 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent, sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis?
Zo ja, staat er in België nog een resterende vrijheidsstraf open van de gevangenisstraf van 10 maanden die aan verzoeker is opgelegd in voormeld vonnis? Zo ja, hoe lang resteert er nog van die straf?
Worden de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering gebracht op die resterende vrijheidsstraf?
Het Parket van de procureur des Konings, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft op 23 oktober 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In Antwoord op uw onderstaande vragen kunnen wij u het volgende melden.
Ja
Er staat in België geen resterende vrijheidsstraf open op de gevangenisstraf van 10 maanden.
De dagen overleveringsdetentie werden in mindering gebracht op de gevangenisstraf van 10 maanden.”
Standpunt raadsman
De raadsman bepleit primair dat de verzoeken moeten worden toegewezen. Volgens verzoeker heeft hij tien maanden in België in voorarrest gezeten en is aldaar een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest opgelegd. Hierdoor is het onmogelijk dat de dagen die verzoeker in Nederland in overleveringsdetentie heeft vastgezeten in mindering zijn of zullen worden gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf van tien maanden in België. Subsidiair verzoekt de raadsman aanvullende vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten, zodat duidelijk wordt hoe lang de verzoeker exact in België in voorarrest heeft gezeten en nog sprake is van een resterend strafrestant.
Standpunt officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan uit de aanvullende informatie van 23 oktober 2025 worden afgeleid dat de dagen die verzoeker in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, zijn afgetrokken van de straf die in België is opgelegd. Om die reden verzoekt de officier van justitie om de verzoeken af te wijzen. Het verstrekken van een schadevergoeding zal volgens de officier van justitie een dubbele “beloning” opleveren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat op 24 mei 2024 een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent in België. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht de overlevering vanwege het vermoeden dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Op 15 juli 2024 is vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent in België waarin verzoeker voor dit strafbare feit is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden.
Dictum
De rechtbank HEROPENT het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 3 geformuleerde vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALT dat de zaak weer op een openbare raadkamerzitting zal worden aangebracht en behandeld op een nader te bepalen datum tijdstip.
BEVEELT de oproeping van verzoeker tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze beslissing is gegeven op 19 november 2025 en in het openbaar uitgesproken door:
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en J.J.M. Graat, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
Rb. Amsterdam 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6496.