Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:8894
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-204714-25
Datum uitspraak: 13 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2021 door de Procureur van de Republiek te Bobigny, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 26 augustus 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Sranan taal.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de antwoorden op de gestelde vragen met betrekking tot de detentieomstandigheden af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 10 september 2025
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 10 september 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Sranan taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 24 september 2025
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 24 september 2025 het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 11 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet met dertig dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 15 oktober 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Sranan taal.
Tussenuitspraak van 23 oktober 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in Frankrijk. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van veertien dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 13 november 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsman, mr. M.P.M. Balemans.
2Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 24 september 2025 – heeft de rechtbank al geoordeeld over de identiteit van de opgeëiste persoon, de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de dubbele strafbaarheid. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in de tussenuitspraken van 24 september 2025 en 23 oktober 2025 over de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op de hoogte gesteld van de tussenuitspraak van 23 oktober 2025 en verzocht binnen de gegeven redelijke termijn in kennis te worden gesteld van eventuele wijzigingen in de detentieomstandigheden die zouden maken dat de opgeëiste persoon niet langer het gevaar loopt te worden blootgesteld aan een mogelijke schending van zijn grondrechten.
Vervolgens heeft de Deputy head of the office for international affairs van het Ministerie van Justitie in Frankrijk op 5 november 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“All the details that the French authorities are able to provide you with regarding [de opgeëiste persoon] 's future imprisonment in France have been provided in the two letters of guarantee that we have sent you. We are unable to make any commitments on matters beyond our control, given the changes in occupancy rates at the prison concerned. Nevertheless, we hope that [de opgeëiste persoon] can be surrendered in view of the information provided, and we would be grateful if you could keep us informed of the decision taken.”
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Na de tussenuitspraak van 23 oktober 2025 heeft zich geen wijziging van de omstandigheden voorgedaan. Het eerder vastgestelde individuele gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon is niet weggenomen met de aanvullende informatie van 5 november 2025.
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 oktober 2025 vastgesteld dat de Franse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon zal beschikken over een persoonlijke ruimte van minimaal 3 m2. Evenmin was er een (toereikend) antwoord is gekomen op de andere vragen met betrekking tot de overige omstandigheden in de penitentiaire inrichting die het sterke vermoeden van schending van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling die dat met zich brengt, kon wegnemen. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet werd uitgesloten en heeft ook een individueel gevaar aangenomen.
Conclusie
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. De overleveringsdetentie wordt opgeheven.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
Dictum
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT op de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rb Amsterdam 24 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7132.
Rb Amsterdam 23 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8309.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-204714-25
Datum uitspraak: 13 november 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 17 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2021 door de Procureur van de Republiek te Bobigny, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 26 augustus 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Sranan taal.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de antwoorden op de gestelde vragen met betrekking tot de detentieomstandigheden af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 10 september 2025
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 10 september 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Sranan taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 24 september 2025
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 24 september 2025 het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen met betrekking tot de toetsing aan artikel 11 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet met dertig dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 15 oktober 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Sranan taal.
Tussenuitspraak van 23 oktober 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in Frankrijk. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van veertien dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen over de verzochte overlevering op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 13 november 2025
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsman, mr. M.P.M. Balemans.
2Tussenuitspraak
Bij tussenuitspraak van 24 september 2025 – heeft de rechtbank al geoordeeld over de identiteit van de opgeëiste persoon, de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de dubbele strafbaarheid. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in de tussenuitspraken van 24 september 2025 en 23 oktober 2025 over de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op de hoogte gesteld van de tussenuitspraak van 23 oktober 2025 en verzocht binnen de gegeven redelijke termijn in kennis te worden gesteld van eventuele wijzigingen in de detentieomstandigheden die zouden maken dat de opgeëiste persoon niet langer het gevaar loopt te worden blootgesteld aan een mogelijke schending van zijn grondrechten.
Vervolgens heeft de Deputy head of the office for international affairs van het Ministerie van Justitie in Frankrijk op 5 november 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“All the details that the French authorities are able to provide you with regarding [de opgeëiste persoon] 's future imprisonment in France have been provided in the two letters of guarantee that we have sent you. We are unable to make any commitments on matters beyond our control, given the changes in occupancy rates at the prison concerned. Nevertheless, we hope that [de opgeëiste persoon] can be surrendered in view of the information provided, and we would be grateful if you could keep us informed of the decision taken.”
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Na de tussenuitspraak van 23 oktober 2025 heeft zich geen wijziging van de omstandigheden voorgedaan. Het eerder vastgestelde individuele gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon is niet weggenomen met de aanvullende informatie van 5 november 2025.
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 oktober 2025 vastgesteld dat de Franse autoriteiten niet kunnen garanderen dat de opgeëiste persoon zal beschikken over een persoonlijke ruimte van minimaal 3 m2. Evenmin was er een (toereikend) antwoord is gekomen op de andere vragen met betrekking tot de overige omstandigheden in de penitentiaire inrichting die het sterke vermoeden van schending van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling die dat met zich brengt, kon wegnemen. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet werd uitgesloten en heeft ook een individueel gevaar aangenomen.
Conclusie
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. De overleveringsdetentie wordt opgeheven.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
Dictum
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT op de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Rb Amsterdam 24 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7132.
Rb Amsterdam 23 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8309.