Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:8819
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/715999 / HA ZA 22-293 Vonnis van 19 november 2025 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BALLAST NEDAM BOUW & ONTWIKKELING SPECIALE PROJECTEN B.V. , gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. A. Moret te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE LELIE VASTGOED B.V. , gevestigd te Bussum, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam. Partijen zullen hierna BN en DLV worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 en 12 september 2025 en de daarin genoemde stukken; - de akte reactie eisvermeerdering met producties van DLV; - de akte uitlating producties van BN. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Inleiding 2.1. In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie voor zover dat in eerdere (tussen)vonnissen nog niet gebeurd. Het betreft vorderingen die zien op de openstaande posten in de eindafrekening, de over en weer gevorderde vertragingsschade, de bankgaranties, doorlopende kosten, diverse andere kosten, rente over deze posten en verklaringen voor recht. Wat hieraan vooraf ging 2.2. Alvorens hiertoe over te gaan zal de rechtbank eerst kort het verloop van de procedure tot nu toe schetsen. 2.3. In 2018 heeft DLV opdracht aan BN gegeven tot de bouw van de Galaxy Tower in Utrecht, een gebouw van 30 verdiepingen waarvan in de eerste 7 verdiepingen een hotel komt en in de overige verdiepingen 317 appartementen. De uiteindelijke afnemer van het hotel is Amrâth Hotel Jaarbeurs Utrecht B.V. Afnemer van de appartementen is Stichting Pensioenfonds Rail & Openbaar Vervoer. De aanneemsom bedroeg € 71.150.000,- en de oplevertermijn was 8 juni 2021. 2.4. Gedurende de bouw is ernstige vertraging ontstaan. Volgens BN was deze vertraging grotendeels te wijten aan de schorsing van het werk door DLV in 2019, meerwerk en te late verstrekking van informatie door DLV. Volgens DLV was de vertraging juist te wijten aan BN, met name door conflicten met haar onderaannemers en vertraagde uitvoering van het werk. Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de verschuldigdheid van termijnbetalingen. Er zijn over en weer diverse beslagen gelegd en kort gedingen gevoerd. DLV heeft de door BN gestelde bankgarantie uitgewonnen en BN is de onderhavige procedure begonnen die aanvankelijk zag op het krijgen van termijnverlening, meerwerk en schade. De tegenvordering van DLV zag op schade en een boete wegens te late oplevering. BN heeft op 17 februari 2023 het werk (tussentijds) beëindigd en is retentierecht op de bouwplaats gaan uitoefenen. Beide partijen hebben hun vorderingen in deze procedure aangepast aan de situatie na de voortijdige beëindiging (zie hierna onder r.o. 3). 2.5. In het eerste tussenvonnis van 17 mei 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:3228) heeft de rechtbank beslist dat de beëindiging in onvoltooide staat door BN, gerechtvaardigd was. Gevolg hiervan is dat BN op grond van paragraaf 45 lid 2 en 14 lid 10 UAV 2012 recht heeft op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die het gevolg zijn van het niet voltooien van het werk en verminderd met de bespaarde kosten. Daartoe moet een eindafrekening worden opgesteld. Teneinde de vertragingsschade te beoordelen heeft de rechtbank bepaald dat een deskundige de oorzaken en omvang van de vertraging en de daardoor veroorzaakte schade moet onderzoeken. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat de overeengekomen maximum korting voor DLV van € 1.000.000,- vanwege overschrijding van de oplevertermijn door BN, in stand blijft. 2.6. Voor onderzoek naar de vertragingsschade is bij vonnis van 3 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:8949) deskundige ir. J.T. Bresters van Witteveen en Bos (hierna: Bresters) benoemd. 2.7. Bij incidenteel vonnis van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2 DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 784.608,- (de doorlopende (tijdgebonden) kosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 augustus 2025, althans de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; 3.1.8. DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 334.507,76 (de wettelijke rente over de getrokken bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; 3.1.9. DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 84.434,56 (de kosten voor het uitvoeren van de werkzaamheden als retentor), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 augustus 2025, althans de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; 3.1.10. DLV te veroordelen in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening. In reconventie 3.2. Na eiswijziging, laatstelijk bij akte van 12 december 2023, vordert DLV, uitvoerbaar bij voorraad: 3.2.1. te verklaren voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst en: a. dat DLV terecht de korting als bedoeld in artikel 12 van de aanneemovereenkomst tot een bedrag van € 1.000.000, heeft ingehouden op de termijnen van de aanneemsom; b. dat BN op de voet van art. 6:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de door DLV geleden en te lijden schade als gevolg van de overschrijding van de contractuele oplevertermijn voor zover deze schade het bedrag van € 1.000.000,- te boven gaat, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 3.2.2. te verklaren voor recht dat BN niet gerechtigd was over te gaan tot beëindiging van het werk in onvoltooide staat en uitoefening van het retentierecht per 17 februari 2023 en aansprakelijk is voor de schade die DLV dientengevolge heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 3.2.3. te verklaren voor recht dat BN tekort is geschoten in de nakoming van haar coördinatieverplichtingen met betrekking tot de realisatie van Galaxy Tower en aansprakelijk is voor de schade die DLV dientengevolge heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 3.2.4. BN te veroordelen tot betaling aan DLV van € 401.640,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het in deze procedure te wijzen vonnis; 3.2.5. BN te veroordelen het retentierecht op (de bouwplaats) van Galaxy Tower op te heffen en opgeheven te houden en alle door BN ten laste van DLV gelegde conservatoire beslagen op te heffen; 3.2.6. BN te verbieden ten laste van DLV aanvullende/nieuwe conservatoire beslagen te (doen) leggen; 3.2.7. BN te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de uitspraak en indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van de uitspraak. In conventie en in reconventie 3.3. Bij de beoordeling van de vorderingen zal de rechtbank de bedragen op hele euro’s afronden. Verdere beoordeling in conventie 4 De eindafrekening 4.1. In het navolgende wordt bij behandeling van de resterende posten van de eindafrekening de volgorde van het tussenvonnis van 5 juni 2024 aangehouden. Tenzij anders vermeld, wordt in dit hoofdstuk 4 met ‘tussenvonnis’ verwezen naar het tussenvonnis van 5 juni 2024. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar rechtsoverwegingen. 4.2. In het tussenvonnis is reeds vastgesteld dat de aanneemsom € 71.150.000,- bedraagt en dat DLV van de aanneemsom een bedrag van € 51.344.182,- heeft betaald. In beginsel staat daarmee dus nog een bedrag van € 19.805.818,- open. In het kader van de eindafrekening moet daarbij een aantal posten worden o Volgens DLV hebben partijen op verzoek van BN afgesproken dat de wanden van het trappenhuis niet in kalksteen, maar metal-stud zouden worden uitgevoerd. DLV heeft niet ingestemd met de door BN in verband hiermee in rekening gebrachte extra kosten van € 205.418,- en is op grond van het bestek daartoe ook niet gehouden omdat de wijziging op verzoek van BN heeft plaatsgevonden, aldus DLV. 4.12. BN is in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten. BN betwist dat de wijziging op haar verzoek heeft plaatsgevonden. Zij beroept zich op de door DLV ondertekende offerte. Dat DLV daarop een voorbehoud heeft gemaakt, doet daar niet aan af omdat BN het niet eens was met dit voorbehoud. 4.13. De rechtbank volgt het standpunt van DLV. Op de offerte (die ook op andere onderwerpen ziet) heeft DLV bij dit onderdeel expliciet vermeld dat het gaat om een voorstel van BN en dat DLV de kosten daarom niet hoeft te betalen. Dit betekent dat het aanbod van BN om de kosten van de aanpassing door DLV te laten betalen op dit punt door DLV niet is geaccepteerd. Het gevolg hiervan is dat een bedrag van € 205.418,- in het kader van de eindafrekening in mindering zal komen op het meerwerk. [post 4] en [post 5] premie CAR-verzekering, r.o. 3.3.1 en 3.3.2 4.14. In r.o. 3.3.1 en 3.3.2 van het tussenvonnis is vastgesteld dat DLV opdracht heeft gegeven tot aanvullende CAR-verzekering voor nevenaannemers en dat de daarmee gemoeide bedragen bij de aanneemsom zullen worden opgeteld. Voor het overige is het onderwerp behandeld in het kader van de besparingen en de vertragingsschade en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over door BN daadwerkelijk betaalde premie en een eventuele besparing op de CAR verzekering. Uit de aktes blijkt dat de premie voor een lager bedrag moet worden opgenomen in het meer- en minderwerk dan in het tussenvonnis voorzien. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.15. In artikel 19, eerste lid, van de aanneemovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de Construction All Risk (CAR) verzekering door BN wordt afgesloten. In datzelfde artikel heeft BN ook op zich genomen om een CAR-verzekering af te sluiten voor de nevenaannemers (installateurs, liftleverancier, etc). Tevens is bepaald dat de kosten voor het afsluiten van de CAR-verzekering voor de nevenaannemers niet in de overeenkomst is verdisconteerd en dat deze kosten zullen worden gefactureerd als meerwerk. In verband met het afsluiten van die CAR-verzekering voor nevenaannemers vordert BN betaling van de meerwerkfacturen [post 4] (€ 82.009,-) en [post 5] (€ 191.976,-). 4.16. BN heeft bij haar nadere akte productie E-227 overgelegd. BN stelt dat uit de bij die productie gevoegde facturen van verzekeraar Aon Risk Solutions (hierna: Aon) en bankafschriften van ING Bank volgt dat zij de bedragen € 82.009,- en € 191.976,- aan CAR-premie voor de nevenaannemers heeft betaald. Ten aanzien van de restitutie van de CAR-premie heeft BN aangevoerd dat zij eerder een bedrag van € 119.111,- als besparing op de CAR-verzekering had begroot, maar dat zij in werkelijkheid slechts een besparing heeft gerealiseerd van € 54.450,-. Dit deelonderwerp komt verder aan de orde bij de bespaarde kosten, zie vanaf r.o. 4.46. 4.17. Productie E-227 bevat diverse facturen van Aon, waaronder facturen van 11 september 2018 en 1 juli 2022, die zien op het hoofdcontract dat BN met Aon voor de CAR-verzekering heeft afgesloten. Niet in geschil is dat de facturen die daarop zien voor rekening van BN zijn. Daarnaast bevat productie E-227 de volgende facturen van Aon waarin melding wordt gemaakt van het meeverzekeren van nevenaannemers: factuurdatum omschrijving bedrag 1 12 november 2018 meeverzekeren aannemers termijn 01-07-2018 t/m 01-07-2021 € 81.314,08 2 19 augustus 2021 meeverzekeren aannemers Haitjema aanleg WKO installaties € 2.450,25 3 7 juni 2022 meeverzekeren nevenaannemers afbouw hotel € 14.278,00 4 28 september 2022 Nevenaannemers Homij en Schindler € 31.125,17 Totaal € Tot slot voert DLV aan dat BN haar waarschuwingsplicht heeft geschonden omdat zij veel eerder had moeten ontdekken dat er een probleem was en niet pas na storting van de vloeren op de 30ste verdieping. BN heeft verklaard dat dit niet kon omdat het beton eerst moet drogen en het probleem zich daarom pas later openbaart. Omdat DLV niet voldoende concreet gemaakt heeft wanneer BN had kunnen en moeten waarschuwen, gaat de rechtbank aan het verweer van DLV voorbij. 4.26. Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de kosten van herstel van de vloeren een bedrag van € 228.887,- in het kader van de eindafrekening moet worden opgeteld bij het lopende meer- en minderwerk. De door DLV in dit kader opgevoerde onderzoekskosten van € 39.000,- worden afgewezen. [post 7] , bouwwarmte, r.o. 4.18 4.27. BN stelt dat het werk in de winter 2022/2023 niet verwarmd kon worden omdat nevenaannemer Homij vertraagd was met de uitvoering van de aanleg van de vloerverwarming en dat zij om vorstschade te voorkomen toen een tijdelijke warmtevoorziening heeft moeten treffen. BN stelt dat de meerwerkkosten daarvan € 287.475,- bedragen. Tegelijkertijd heeft BN als besparing op bouwkundige voorzieningen een bedrag van € 165.632,- als besparing op meerwerkpost [post 7] opgenomen (zie productie E-118). Per saldo zouden de kosten als gevolg van de geleverde bouwwarmte dan € 121.843,- bedragen. 4.28. DLV heeft, onder verwijzing naar artikel 00.02.06, sub 91, van het bestek, aangevoerd dat al het verbruik van energie benodigd voor de levering van bouwwarmte voor rekening van BN is en dat het door BN genoemde bedrag dus voor rekening van BN zelf komt. Daarnaast heeft DLV een beroep op verrekening gedaan met energiekosten die zij in verband met de afname van warmte heeft betaald en die, aldus DLV, voor rekening van BN komen, zijnde een bedrag van € 126.862,-. 4.29. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de beslissing over de kosten van de bouwwarmte aangehouden totdat de rechtbank een beslissing zal geven over de vertragingsschade, omdat deze kostenpost mogelijk verband houdt met de vertraging van de bouw (zie r.o. 4.18.3 en 7.19 van het tussenvonnis). Met het deskundigenbericht van Bresters inzake de vertraging, kan die beslissing nu worden gegeven. 4.30. Bij de beoordeling wordt in herinnering gebracht dat in het tussenvonnis van 17 mei 2023 is geoordeeld dat BN slechts recht op vergoeding van vertragingsschade heeft, als de vertragingsschade alleen in de invloedsfeer van DLV ligt. Als de vertraging gelijktijdig door BN en DLV optreedt heeft BN geen recht op vergoeding van vertragingsschade (zie r.o. 5.7 van het tussenvonnis van 17 mei 2023). 4.31. De rechtbank komt mede op basis van het deskundigenbericht van Bresters tot het oordeel dat er in de periode van 1 juli 2021 tot 1 december 2021 een vertraging op het kritieke pad lag die uitsluitend aan BN was toe te rekenen; in de periode van 1 december 2021 tot en met 21 juli 2022 waren er samenlopende vertragingen op het kritieke pad. Op 21 juli 2022 begon de afbouw. Zie hierna onder 6.28. Genoemde vertragingen zijn niet aan Homij toe te rekenen en BN heeft niet onderbouwd dat nadat de afbouw met de genoemde vertragingen was begonnen aan Homij een verwijt gemaakt kan worden dat zij haar werkzaamheden in de winter van 2022/2023 nog niet had verricht. Dit betekent dat de consequenties van het nog niet aanwezig zijn van vloerverwarming ook niet ten laste kunnen komen van DLV. 4.32. BN dient de gestelde meerkosten van de bouwwarmte dus zelf te dragen. Dit heeft tevens tot gevolg dat de besparing die BN stelt op meerwerkpost [post 7] te hebben gerealiseerd (zie hierna onder 4.52 bij de berekening van de eindafrekening buiten beschouwing dient te worden gelaten. Conclusie lopend meer- en minderwerk 4.33. In het tussenvonnis is onder r.o. 4.19 het lopend meer- en minderwerk vastgesteld op € 321.580,-.Ingevolge het voorgaande zal daarbij € 228.887,- worden opgeteld, zodat de aanneemsom met in totaal € 550.467,- zal worden verm Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.39 en 4.42 moet hierbij € 198.573,- en € 390.320,- worden opgeteld, zodat het totaal bedrag uitkomt op € 4.299.288,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: - € 147.653,- aan kosten beveiliging en veilig stellen van het werk, - € 851.684,- aan loonkosten, - € 9.500,- aan mobilisatiekosten, - € 50.500,- aan schorsingskosten, - € 79.500,- aan onderhoud groengevel, - € 20.425,- aan opname werk, - € 1.753.602,- aan bouwmateriaal bij onderaannemers, - € 1.386.424,- aan nog niet verwerkt bouwmateriaal op het werk. Bespaarde kosten in verband met het overeengekomen werk, r.o. 6 4.44. In het kader van de eindafrekening moet van de aanneemsom worden afgetrokken de kosten die BN heeft bespaard als gevolg van het niet voltooien van het werk. In het tussenvonnis is reeds beslist op de directe kosten, een besparing van € 11.312.008,- (r.o. 6.2) en de indirecte kosten, een besparing van € 1.871.572,- (r.o. 6.6). Bespaarde kosten in verband met het meer- en minderwerk, r.o. 7 4.45. In hoofdstuk 7 van het tussenvonnis zijn de posten in verband met het meer- en minderwerk opgenomen die zijn bespaard als gevolg van het niet voltooien van het werk en die in mindering moeten komen op de eindafrekening. Op DLV rust hier de stelplicht en de bewijslast. Op de volgende punten is in het tussenvonnis nog niet beslist. Besparingen bestek [post 4] en [post 5] premie CAR-verzekering 4.46. Hiervoor onder r.o. 4.19 is vastgesteld welk bedrag in verband met de CAR-verzekering voor nevenaannemers in de eindafrekening moet worden meegenomen als meer- en minderwerk. DLV heeft aangevoerd dat BN door de voortijdige beëindiging van de bouw een deel van die CAR-premie heeft kunnen besparen. In verband daarmee is BN in het tussenvonnis bevolen om bewijsstukken in het geding te brengen waaruit onder meer de omvang van de premiebetalingen en eventuele premierestitutie blijkt en is bepaald dat terugontvangen premie als bespaarde kosten geldt in de zin van §14, eerste lid, 10 UAV 2012 (zie 10.2.1. van het tussenvonnis). 4.47. BN stelt dat uit de door haar bij productie E-227 gevoegde bewijsstukken blijkt dat het eerder door haar begrote bedrag van € 119.111,- als besparing op de CAR-verzekering, te veel is en dat zij in werkelijkheid slechts een besparing heeft gerealiseerd van € 54.450,-. BN heeft daarbij gewezen op een creditfactuur van Aon van 8 december 2023 die zich bevindt tussen de bij productie E-227 overgelegde stukken. DLV heeft onvoldoende onderbouwd dat er door verzekeraar Aon meer CAR-premie aan BN is gerestitueerd dan de door BN overgelegde creditfactuur van 8 december 2025 ter hoogte van € 54.450,-. Dat bedrag dient als besparing van de aanneemsom te worden afgetrokken. Besparing bouwkundige voorzieningen [post 8] , gebruik Schindler-liften, r.o. 7.17 4.48. Partijen hebben tijdens de uitvoering van het werk afgesproken dat de Schindler-liften tijdens de bouw door BN mochten worden gebruikt en dat BN het onderhoud en herstelkosten bij oplevering zou betalen. DLV voert in het kader van de eindafrekening een besparing op van € 100.000,- voor ‘gebruik als bouwlift’ en € 122.625,- als kosten voor ‘herstel na afloop’. BN betwist deze posten omdat zij stelt een overeenkomst met Schindler te hebben gesloten en zij daarom DLV niets verschuldigd is. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover verder uit te laten bij akte. 4.49. Volgens DLV heeft BN de kosten van onderhoud tot de tussentijdse beëindiging rechtstreeks aan Schindler betaald. Conform minderwerkopgave BV-148 gaat het om een bedrag van € 130.000,- voor 10 maanden. Na aftrek van opslagen komt DLV op een bedrag van € 10.000,- per maand. Uitgaande van een resterende periode van 10 maanden, komt DLV uit op een besparing van € 100.000,-. Herstel van de liften is op dit moment nog niet uitgevoerd. Schindler heeft opgave gedaan van de verwachtte kosten van herstel en begroot die op € 40.875,- per lift, in totaal € 122.625,-. 4.50. BN Er kan vanuit worden gegaan dat Van der Steen op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waaronder het bestek, waar nodig aangevuld met de maatstaf “goed en deugdelijk werk” heeft beoordeeld wat bij de geconstateerde gebreken een passende vorm van herstel zou zijn. Daarbij is mogelijk dat een gebrek hersteld wordt op andere wijze dan het geheel vervangen van een deel van het werk dat niet voldoet of dat een afwijking zo gering is dat herstel niet nodig is. Dat de deskundige bij zijn oordeel niet uit zou zijn gegaan van dat opleveringsniveau kan de rechtbank uit het rapport niet afleiden. Onderbouwing kostenramingen 4.59. DLV acht de kostenramingen van de deskundige onvoldoende onderbouwd; de rechtbank volgt haar daarin niet. Zo nodig wordt daar bij de afzonderlijke posten nog nader op ingegaan. Geen btw en opslagen over bespaarde kosten. 4.60. BN heeft zich op het standpunt gesteld dat het gaat om bespaarde kosten en dat daarover geen btw en opslagen verschuldigd zijn. Zij wijst daarbij op de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis onder 8.36, waar daar ook vanuit is gegaan. De deskundige heeft op dit punt het oordeel aan de rechtbank gelaten en heeft verschillende varianten van de kostenraming in het rapport opgenomen. 4.61. De rechtbank heeft inderdaad in de eerdere beslissing de bespaarde kosten niet vermeerderd met btw en opslagen en blijft bij dat oordeel. Dat betekent dat de kolom B in het overzicht op pagina 168 van het rapport Van der Steen als uitgangspunt zal dienen. Dit overzicht luidt als volgt: 4.62. Volgens BN heeft de deskundige in dit overzicht ten aanzien van de onderdelen "herstelwerkzaamheden hotelkamers" en "dilataties wanden algemene ruimten" per abuis onjuiste bedragen vermeld. Uit het volledige kostenoverzicht in het deskundigenbericht (pagina's 162-166/208) volgt: dat de deskundige voor het onderdeel ''herstelwerkzaamheden hotelkamers'' een bedrag heeft begroot van € 69.584,- (excl. btw en opslagen) – niet € 10.700,-; en voor het onderdeel ''dilataties wanden algemene ruimten'' een bedrag van € 10.375,- (excl. btw en opslagen) – niet € 1.112,-. Het totaal aan bespaarde kosten excl. btw en opslagen komt derhalve uit op € 856.612,- (exclusief de post "bijdrage aan premie" ad € 100.000,-) – niet € 888.463,- aldus BN. 4.63. De rechtbank stelt vast dat het overzicht op pagina 168 van het rapport Van der Steen niet geheel spoort met de daaraan voorafgaande begrotingen per post; de rechtbank zal daarom bij de beoordeling hierna uitgaan van de bedragen die staan vermeld in het kostenoverzicht op de pagina's 162-166/208 van het rapport van Van der Steen. Door de deskundige beoordeelde geschilpunten inzake bespaarde kosten 4.64. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten waarover de deskundige heeft geoordeeld en het standpunt van partijen daarover. Waterschade betonsparingen 4.65. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.3. De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 520,-. Partijen hebben hierover geen opmerkingen gemaakt. De rechtbank volgt de deskundige. HWC plafonplaten 4.66. De rechtbank heeft in het tussenvonnis vermeld dat partijen ver uit elkaar liggen: BN begroot de herstelkosten op € 16.056,70, volgens DLV bedragen deze € 114.300,-. De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 23.034,-. 4.67. DLV wijst op de maatstaf “opleverniveau”. De deskundige heeft wel vastgesteld dat er 455 platen verkleurd zijn, maar heeft voor 111 plafondplaten met een lichte verkleuring geen kosten van herstel/vervanging opgenomen. Volgens DLV zouden die platen moeten worden geverfd en de zwaarder verkleurde platen zouden moeten worden vervangen. 4.68. De rechtbank verwerpt dit bezwaar en verwijst naar het opgemerkte onder 4.58. Zij zal uitgaan van de door de deskundige geraamde herstelkosten. Verankering Gibowanden (ro. 8.7) deskundige 4.69. Uit het tussenvonnis onder 8.7 blijkt dat volgens DLV de gibowanden op de 9e t/m de 20e verdieping met te weinig veerankers zi Met de door de deskundige voorgestelde maatregel (invetten met consistentvet) is naar overtuiging van DLV geen gelijkwaardige zekerheid met betrekking tot de levensduur van de balkonankers verzekerd. Met de toegepaste thermisch verzinkte ankers blijft het risico op roestvorming aanwezig. 4.80. De mening van DLV wijkt af van die van de deskundige. De rechtbank ziet geen reden om van het deskundig oordeel van Van der Steen af te wijken. Magnelis coating stalen frames 4.81. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.17. Niet in geschil is dat de coating van de stalen frames aan de zuidgevel onvoldoende dik is uitgevoerd. BN rekent met een besparing van € 36.450,-, DLV berekent deze op € 155.313,-. Van der Steen acht het nodig een opening te maken in het frame en het (door middel van spuiten) aanbrengen van een extra conserveringslaag en het daarna weer dichten van de wand. De deskundige acht inspectieluiken niet nodig. Mocht de rechtbank anders oordelen dan is te overwegen om op enkele plaatsen voorzieningen te maken voor een beoordeling. Dit zou met een endoscoop kunnen zodat een kleine ronde sparing voldoende is die wel wordt afgedicht. De deskundige gaat uit van 4 locaties. Uiteraard zouden deze ook nadien aangebracht kunnen worden. Om die reden is hiervoor toch een bedrag van € 353,- begroot, waarbij de deskundige het aan de rechter overlaat dit toe te wijzen. In totaal komt de deskundige op een bedrag van € 16.603,- 4.82. DLV heeft over het rapport van Van der Steen opgemerkt dat de deskundige in het rapport is uitgegaan van te beperkte maatregelen om de gebrekkige uitvoering van BN te herstellen. BN en DLV zijn het erover eens dat coaten van de panelen niet werkt omdat niet alle delen van de panelen bereikbaar zijn. Zowel DLV als BN gaan in hun opstelling voor herstel uit van het plaatsen van inspectieluiken. DLV acht onduidelijk hoe de deskundige tot zijn raming voor de herstelkosten is gekomen. 4.83. De rechtbank acht de door de deskundige voorgestelde wijze van herstel duidelijk en de wijze waarop de kosten van herstel zijn begroot voldoende inzichtelijk (zie de berekening op pagina 164 van het rapport van Van der Steen) en zal de geschatte herstelkosten volgen. Omdat partijen allebei uitgaan van de wenselijkheid van inspectieluiken zal de rechtbank het bedrag inclusief het daarvoor door de deskundige begrote bedrag aanhouden. De bespaarde kosten worden in totaal begroot op € 16.603,-. Dilatatie vloer t.p.v. hotel‐ en woningentree 4.84. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.19. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gebrek. BN berekent de besparing op € 1.204,-, Volgens DLV is deze € 84.035,- Volgens Van der Steen moeten de voegen worden nagelopen en vrij worden gemaakt van vuil. Loopt de voeg niet door dan moet dit alsnog worden gedaan. De kosten voor deze werkzaamheden bij 250 hotelkamers en 310 appartementen begroot hij op € 30.254,-. De rechtbank volgt deze begroting. Kleurverschil keramiek gevel 4.85. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.22. Volgens DLV zien zowel de architect als de gemeente een onacceptabel kleurverschil en zal circa 15% van het aangebrachte kramiek vervangen moeten worden. De bespaarde herstelkosten zijn volgens DLV € 952.200,-. BN vindt dat er geen kleurverschil aanwezig is en dat in ieder geval het door DLV gestelde bedrag onvoldoende is onderbouwd. De deskundige heeft de mock-up als referentie gebruikt en die vergeleken met de gemonteerde elementen. Hij heeft daarbij metingen van helderheid en kleur gedaan, 60 metingen op mock-up panelen en 80 metingen op gevelpanelen. Mede op basis van de analyse van deze metingen komt Van der Steen tot de volgende bevindingen. “a) De elementen vertonen van zichzelf al nuances die visueel waarneembaar zijn. Uit het dossier is niet gebleken dat er meetbare goedkeur- en afkeurgrenzen zijn vastgelegd voor verschillen tussen de elementen. De beoordeling heeft uitsluitend visueel plaatsgevonden Narooien tot maximaal vier werkuur per kamer. Kosten per kamer € 285,- 3) Voor 37 kamers geldt: kamer niet gereed, bouwkundige werkzaamheden benodigd. Werkzaamheden zijn binnen één dag uit te voeren. Kosten per kamer € 650,-. Met bijkomende kosten begroot Van der Steen de bespaarde kosten in totaal op € 69.584,-. 4.90. BN kan zich hiermee niet verenigen en vindt dat de herstelkosten te hoog zijn ingeschat. De deskundige heeft per hotelkamer een beoordelingsclassificatie toegepast (1, 2 en 3). Diverse kamers zijn verkeerd ingedeeld. De hotelkamers met de classificatie 1 en 2 betreffen hotelkamers waarin nevenaannemers hun materieel hebben achtergelaten. De resterende werkzaamheden in die hotelkamers vallen niet onder de scope van de werkzaamheden van BN. BN heeft de narooiwerkzaamheden reeds vóór beëindiging van het werk in onvoltooide staat verricht en de hotelkamers aan DLV overgedragen in augustus 2022. De deskundige heeft de herstelkosten voor deze hotelkamers ten onrechte in de kostenraming betrokken. Voor de hotelkamers met beoordelingsclassificatie 3 geldt dat de bouwkundige werkzaamheden voor die kamers (afwerken en dichtmaken van de doorgangen van de wanden) niet vallen onder de scope van de werkzaamheden van BN, maar van afbouwaannemer [naam B.V. 2] . Ook de herstelkosten voor die hotelkamers zijn ten onrechte in de kostenraming betrokken, aldus BN. 4.91. Dat de deskundige kamers heeft ingedeeld in classificatie 1 of 2 omdat er materiaal van nevenaannemers aanwezig is kan uit het rapport niet worden afgeleid. Wat betreft de opmerking naar aanleiding van het concept-rapport dat de narooiwerkzaamheden al hadden plaatsgevonden heeft de deskundige opgemerkt dat essentieel is of de kamers ook formeel al waren opgeleverd. Van der Steen laat het oordeel op dit punt aan de rechtbank. Gezien de tussen partijen gangbare praktijk, waarin alles van enig belang schriftelijk werd gedocumenteerd is niet aannemelijk dat een formele oplevering van de hotelkamers zou hebben plaatsgevonden zonder dat daarvan een proces-verbaal van oplevering zou zijn opgemaakt met eventuele opleverpunten. Als dat zou bestaan, zou van BN ook verwacht mogen worden dat zij dat in het geding zou brengen. BN heeft echter alleen zonder enige onderbouwing gesteld dat de hotelkamers zijn opgeleverd. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij. 4.92. In het commentaar op het concept heeft BN nog gesteld dat de kamers in klasse 3 op het moment van de beëindiging van de werkzaamheden op 17 februari 2023 met gesloten wanden zijn overgedragen aan DLV en dat de wanden kennelijk zijn geopend door afbouwaannemer [naam B.V. 2] . Daarin volgt de rechtbank BN niet. De reden voor de deskundige om kamers in klasse 3 in te delen is een andere, namelijk dat er meer afwerktijd nodig is voor kamers waar tijdens de bouw bevoorrading heeft plaatsgevonden. De ramen en dagkanten zijn hierbij nog niet gereed en de raamdorpels ontbreken. Dat deze werkzaamheden niet binnen de scope van BN zouden vallen heeft BN niet gesteld. Al met al ziet de rechtbank geen reden van de kostenraming van de deskundige ten aanzien van de kamers in klasse 3 af te wijken. De rechtbank zal dus de begroting van Van der Steen volgen: de bespaarde kosten bedragen € 69.584,-. Stucwerk gangen hotel 4.93. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.28. Volgens DLV moet ondeugdelijk stucwerk in de gangen van de hotelverdiepingen 3 t/m 7 hersteld worden en kost dat € 29.025,-. Volgens BN is dit stucwerk niet gebrekkig. Volgens de deskundige zijn de wanden in het algemeen recht en zijn geen grote golvingen of onregelmatigheden; incidenteel is scheefstand zichtbaar. De kosten van herstel worden begroot op € 10.700,- en de rechtbank volgt de deskundige hierin. Dilataties wanden algemene ruimtes en gangen 4.94. Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.29. Volgens DLV ontbreken dilataties in wanden van de algemene ruimtes en gangen op de verdiepingen 2 t/m 22 en bedragen de herstelkosten € 56 De deskundige heeft die post als volgt onderbouwd: “Gevolgschade van een gebrek kan gedekt zijn of worden op een opstalverzekering. Gelet op de nieuwbouw zal sprake zijn van een laag risico. De deskundige overweegt uit oogpunt van afdekken van deze kosten, dat een bijdrage aan de premie wordt voorzien.” BN betwist dat dit bespaarde kosten zijn, omdat zij voor het gebouw geen opstalverzekering gesloten zou hebben, zodat zij ook geen kosten bespaard heeft. Van der Steen heeft, nadat BN op het concept-rapport op dit punt kritiek had, het oordeel aan de rechtbank gelaten. 4.104. De rechtbank is met BN van oordeel dat BN in verband met de door haar verstrekte garanties geen verzekering heeft gesloten en dus ook geen premie bespaard heeft, doordat zij de garanties niet meer hoeft na te komen. Dat betekent dat de rechtbank deze post niet als bespaarde kosten in aanmerking zal nemen. Conclusie bespaarde herstelkosten en onderhouds- en garantieaanspraken 4.105. Per saldo zijn de volgende kosten bespaard: Omschrijving Bedrag herstelkosten (€) Rechtsoverweging Volgens tussenvonnis 398.331 4.54 Waterschade betonsparingen 520 4.65 HWC Plafondplaten 23.034 4.66 Gibowanden 33.943 4.70 Dekvloer 156.065 4.73 Diverse lekkages 3.615 4.74 MS-wanden 5.092 4.75 Balkonankers 50.177 4.78 Magnelis coating stalen frames 16.603 4.83 Dilatatie 30.254 4.84 Vlakheid wanden gangen 15.496 4.88 Herstelwerkzaamheden hotelkamers 69.584 4.92 Stucwerk gangen hotel 10.700 4.93 Dilataties wanden algemene ruimten 10.375 4.96 Wind- en waterdichtheid 42.798 4.97 Scheuren eerste verdieping 3.542 4.99 Garantie aanspraken 384.814 4.103 Totaal 1.254.943 4.106. De conclusie van het voorgaand is dat bij het opmaken van de eindafrekening een bedrag van € 1.254.943,- zal worden afgetrokken ter zake van de bespaarde onderhouds- en garantieaanspraken. CAR-verzekering r.o. 10.2 4.107. DLV heeft gesteld dat door beëindiging van de bouw de kosten van de CAR-verzekering worden bespaard tot een bedrag van € 80.844,- (0,36% van het niet uitgevoerde deel van het werk). Anders dan hiervoor onder 4.14 ziet deze stelling op de CAR-verzekering die is afgesloten in het kader van de aanneemovereenkomst en is dit geen aanvullende verzekering die wordt beschouwd als meerwerk. BN heeft aangevoerd dat er geen besparing is op de CAR-verzekering omdat die premie in een keer wordt betaald. 4.108. De rechtbank heeft BN opgedragen bewijsstukken in geding te brengen waaruit de omvang van de premiebetalingen en eventuele restitutie blijkt. De vervolgens door BN als E-227 in geding gebrachte stukken zien zowel op de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst, als op de verzekering van de nevenaannemers/meerwerk. Daarmee heeft BN haar standpunt onderbouwd dat zij de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst in een keer heeft betaald. Nu DLV in haar nadere akte alleen heeft gereageerd op de stukken die zien op de meerwerkposten, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van DLV dat de voortijdige beëindiging van de bouw tot een besparing van de kosten van de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst heeft geleid. Precario, r.o. 6.4 4.109. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 september 2025 heeft DLV het voorstel van BN om de door BN niet betaalde precario van € 679.032,- in mindering te brengen op de eindafrekening tegen finale kwijting, geaccepteerd. De rechtbank zal daarom dit bedrag in mindering brengen op de eindafrekening. Conclusie eindafrekening 4.110. Het voorgaande leidt tot de volgende opstelling: bij/af Bedrag (€) Totaal (€) r.o. bij Aanneemsom 71.150.000,- bij Overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten 8.720.461,- 4.21 bij Lopend meer- minderwerk 550.467,- 4.33 bij Kosten als gevolg van de niet voltooiing 4.299.288,- 4.43 Totaal bij aanneemsom 13.570.216,- af Bespaarde directe kosten 11.312.008,- 4.44 af Bespaarde indirecte kosten 1.871.572,- 4.44 af Bespaarde kosten meer- en minderwerk 2.127.233,- 4.53 af Bespaarde herstelkosten, onderhouds- van dat vonnis is geoordeeld dat BN op grond van § 45 lid 2 en 14 lid 10 UAV 2012 recht heeft op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die Ballast Nedam als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de door de beëindiging bespaarde kosten. Omdat de basis van de eindafrekening dus de aanneemsom is, met de voor dit geval in de overeenkomst bepaalde correcties, is de eindafrekening verschuldigd op grond van de overeenkomst en geldt ook voor de eindafrekening de voor de vertraagde betaling van de aanneemsom overeengekomen rente. De beëindiging in onvoltooide staat heeft op 17 februari 2023 plaatsgevonden, zodat DLV de wettelijke handelsrente verschuldigd is over de eindafrekening met ingang van 17 februari 2023. BN vordert de verhoging van 2% vanaf 14 dagen na 19 juli 2023, en de verhoging zal dus pas vanaf dat moment (2 augustus 2023) worden toegewezen. 5.7. Wat de openstaande bedragen betreft is het verweer van DLV dat deze niet te laat zijn betaald omdat deze geen enkele relatie hadden met de voortgang van het werk al verworpen in het tussenvonnis van 17 mei 2023 (r.o. 5.2.2). De openstaande bedragen waren primaire betalingsverplichtingen en niet is in te zien waarom deze dat karakter zouden verliezen op het moment dat zij deel uit gaan maken van de eindafrekening. 5.8. DLV heeft de berekening van de rente over openstaande bedragen in productie 123a van BN niet bestreden. De rechtbank neemt deze daarom ook als uitgangspunt. BN heeft de gevorderde rente ter voorkoming van dubbeltelling gecorrigeerd met haar vordering van rentekosten wegens latere ontvangst van AK & Winst, door Vijverberg berekend op € 333.927,- en komt daarmee op een rentebedrag van € 418.747,-. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag van volledige voldoening. 6 Vertragingsschade Inleiding 6.1. Beide partijen hebben vorderingen ingesteld in relatie tot de ontstane vertraging. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 heeft de rechtbank overwogen dat indien de vertraging alleen in de invloedssfeer van BN ligt, BN geen recht heeft op verlenging van de bouwtijd en vertragingsschade. DLV kan in die situatie wel aanspraak maken op de overeengekomen korting op de aanneemsom uit artikel 12 van de overeenkomst. Als de vertraging alleen in de invloedsfeer van DLV ligt, heeft BN zowel recht op verlenging van de bouwtijd als op vergoeding van vertragingsschade. Als de vertraging gelijktijdig door BN én door DLV optreedt kan BN wel aanspraak maken op termijnverlenging (en dus heeft DLV geen recht op korting uit artikel 12), maar niet op vergoeding van vertragingsschade. Dit betekent dat voor door BN gevorderde vertragingsschade slechts relevant is de schade die alleen in de invloedsfeer van DLV ligt. Voor de door DLV gevorderde korting/vertragingsschade is relevant of BN recht heeft op verlenging van de bouwtijd en dus of de vertraging door DLV is opgetreden, ongeacht of die vertraging gelijktijdig met die van BN optreedt. 6.2. Bresters heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan naar de opgetreden vertragingen, de oorzaken daarvan en de daaraan te verbinden gevolgen. In zijn rapport van 12 augustus 2024 heeft Bresters zijn bevindingen als volgt samengevat: 6.3. Kort samengevat komt zijn analyse erop neer dat BN over de periode van de schorsing (28 kalenderweken/25 werkweken) en de vertraging door de bestekswijziging van de 1e en 2e verdiepingsvloer (5 kalenderweken/3 werkweken), recht heeft op vertragingsschade. In het werk aan de eerste tot derde verdiepingsvloer is volgens Bresters 11 werkweken vertraging opgetreden, waarvan er 8 aan BN zijn te wijten (naast de drie genoemde werkweken vertraging door bestekwijziging ten laste van DLV). Vanaf de start van de 4e verdiepingsvloer tot beëindiging in onvoltooide staat op 17 februari 2023 is volgens Bresters sprake van samenlopende vertraging. De rechtbank komt hierop terug in r.o. 6.21 en volgende. In deze periode constatee Tijdens de mondelinge behandeling heeft DLV aangevoerd dat Bresters in zijn deskundigenbericht ten onrechte een bedrag van € 59.400,- aan extra premie voor de CAR-verzekering heeft opgenomen omdat de rechtbank dit bedrag reeds als meerwerkfactuur [post 5] in de voorlopige eindafrekening had opgenomen (zie 5.11 spreekaantekeningen DLV). DLV wordt daarin niet gevolgd. Uit hetgeen hiervoor onder r.o. 4.17 is overwogen blijkt dat [post 5] ziet op de CAR-premie die door BN is betaald voor nevenaannemers, terwijl het door Bresters in het deskundigenbericht genoemde bedrag van € 59.400,- aan extra CAR-premie ziet op de vertragingsschade die BN heeft opgelopen in de periode van 33 weken tijdens de schorsing en de vertraging door de bestekwijziging van de 1e en 2e verdiepingsvloer (zie bladzijde 57 en tabel 5.13 deskundigenbericht Bresters). In die periode lag de vertraging geheel en alleen in de invloedsfeer van DLV, zodat BN recht heeft op vergoeding van door die vertraging geleden schade, waaronder de premie voor de CAR-verzekering. Anders dan DLV stelt gaat het hier dus niet om een dubbeltelling van een reeds in de voorlopige eindafrekening opgenomen bedrag. - AK onderdekking en winstderving 6.14. DLV stelt dat de schorsing lang van tevoren was aangekondigd, zodat BN haar personeel elders had kunnen en moeten inzetten, waardoor zij geen recht heeft op schadevergoeding over de periode van de schorsing. 6.15. BN stelt dat zij haar personeel tijdens de schorsing niet elders heeft kunnen inzetten omdat zij langlopende projecten uitvoert, met een strakke planning. 6.16. De rechtbank volgt de begroting van de schade van de deskundige. De deskundige heeft de onderdekking AK en winstderving over de aan DLV toe te rekenen vertraging van 33 kalenderweken berekend, maar tekent daarbij aan dat het aan de rechtbank is deze eventueel te matigen omdat personeel elders ingezet zou kunnen worden. De rechtbank ziet aanleiding voor deze matiging. BN wist al enige maanden voor de schorsing plaatsvond dat deze mogelijk zou plaatsvinden. Dat betekent dat BN ten minste rekening moest houden met de mogelijkheid dat haar personeel tijdelijk niet op het project Galaxytower kon worden ingezet. Gezien haar schadebeperkingsplicht mocht van BN worden verwacht dat zij zich er voor zou inspannen dat haar personeel elders zou worden ingezet. Gezien de vraag naar personeel in de bouw in de betrokken periode is niet aannemelijk dat al het personeel tijdens de schorsing werkeloos thuis heeft gezeten. Evenmin kan worden aangenomen dat al het personeel volledig aan het werk is geweest. Ook is van belang dat de bouwvak in de schorsing viel. Verder betrekt de rechtbank bij haar beslissing dat de aanloop naar de schorsing onrustig is verlopen. Er was stevige discussie over de gevolgen van de schorsing voor de overeenkomst en uit het dossier blijkt dat nadat eerder een mogelijke schorsing ter sprake was gekomen eind januari 2019 nog een bericht kwam van DLV dat er van schorsing geen sprake zou zijn. Uiteindelijk is die schorsing er dan toch wel gekomen. Dit alles maakt dat de rechtbank de inzet van personeel elders stelt op 25 % van € 1.113.816,-. Dus wordt deze post gematigd tot driekwart, te weten tot € 835.362,-. 6.17. DLV stelt dat sprake is van dubbeltelling, omdat BN door de beëindiging in onvoltooide staat al een volledige vergoeding van AK en winst ontvangt. BN betwist dat sprake is van dubbeltelling. 6.18. Van dubbeltelling is geen sprake. Als het project volledig was uitgevoerd zou BN immers ook recht hebben gehad op de oorspronkelijk overeengekomen AK en winst en daarnaast een vergoeding daarvan over de aan DLV toe te rekenen vertraging. - Claims onderaannemers 6.19. Bresters heeft de volgende volgens opgave van BN door onderaannemers in rekening gebrachte kosten, als uitgangspunt genomen: 6.20. In haar reactie op het concept-deskundigenbericht (en nogmaals in haar conclusie na deskundigenbericht) heeft DLV opgemerkt dat de € 300.000,- van [naam B.V. 1] B.V. zie De rechtbank wijkt hier af van het oordeel van de deskundige, omdat dat oordeel is gebaseerd op de te verwachten totale duur van het project. De deskundige heeft echter ook het volgende opgemerkt: “In ATS 1.5 VN zou op 2 april 2021 gestart worden met de plafonds op de 9e verdieping (regel 669). Bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven dat op basis van de in ATS 1.5 Stelposten opgenomen doorlooptijd na opdrachtvertrekking tot start uitvoering de opdracht op 7 augustus 2020 (week 32-2020) had moeten worden verstrekt. Als gevolg van de te late opdrachtverstrekking op 22 november 2022 zou de opleverdatum 2 jaar en 3 maanden verschuiven. In voorgaande is aangegeven dat de fijne afbouw op de 9e verdieping 1 jaar later dan gepland in ATS 1.5 VN is gestart (februari 2021 ➔ februari 2022). Vervolgens ontstond in de cementdekvloeren 3 maanden vertraging. De plafonds zouden door deze vertragingen zo’n 1 jaar en 3 maanden later hebben kunnen starten. Indien naar het verschoven kritieke pad wordt gekeken is de opdracht circa 1 jaar te laat verstrekt.” De deskundige komt hier op grond van het verschoven kritieke pad tot een ander oordeel dan bij de beantwoording van de vragen, waarin hij uitgaat van de bijgestelde planning na de schorsing en een vertraging van 2 jaar en 3 maanden. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook deze analyse berust op een analyse op grond van de te verwachten datum van oplevering, terwijl in deze zaak alleen vertragingen op het kritieke pad in de periode tot de beëindiging in onvoltooide staat relevant zijn. De rechtbank ziet daarin aanleiding ook deze analyse niet te volgen, maar in plaats daarvan uit te gaan van de onder 6.28 genoemde aan elk van partijen toe te rekenen vertraging. 6.31. In bovenstaande benadering is rekening gehouden met de volgende door partijen geuite kritiek op het rapport van Bresters, te weten (kort samengevat):- DLV: De deskundige heeft zijn oordeel ten onrechte gebaseerd op mogelijke in de toekomst vertragingen, die zich ten tijde van de beëindiging nog niet hadden voorgedaan. - BN: De deskundige heeft zijn analyse ten onrechte niet gebaseerd op onderdelen van het werk die op 17 februari 2023 nog niet uitgevoerd konden worden wegens vertraging in de voorbereiding van de werkzaamheden wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde gegevens. - BN: Anders dan de deskundige meent eindigt de samenloop op het moment dat de gevel niet meer op het kritieke pad lag. - BN: De deskundige heeft er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het kritieke pad gedurende een project kan veranderen; of een event tot vertraging heeft geleid moet worden bepaald aan de hand van het kritieke pad op het moment dat het event zich voordoet. 6.32. De rechtbank verwerpt het standpunt van BN dat de vertraagde verstrekking van gegevens door DLV het kritieke pad bepaalden en dat daarom geen sprake is van samenloop. Immers de deskundige heeft vastgesteld dat de werkzaamheden aan de gevel tijdelijk hebben stilgelegen doordat BN de onderaannemer Leebo heeft vervangen en dat de stort van de vloeren is vertraagd. Deze werkzaamheden lagen eveneens op het kritieke pad tot het gebouw wind- en waterdicht was en zouden tot vertraging hebben geleid, ook als DLV de informatie over de plafonds tijdig zou hebben aangeleverd. 6.33. BN heeft in haar reactie op het rapport van Bresters ook nog enige onjuistheden gesignaleerd en stelt dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, althans dat de deskundige nadere vragen zouden moeten worden gesteld. 6.34. De rechtbank acht de feitelijke onjuistheden – wat daar ook van zij – niet zodanig bepalend voor de conclusies van de deskundige dat het rapport daarom onjuist of onbruikbaar zou zijn. De rechtbank acht het rapport bruikbaar en baseert daarop haar oordeel zoals hiervoor uiteengezet. Voor het stellen van nadere vragen aan de deskundige of aanvulling van het rapport ziet de rechtbank geen aanleiding. Aan BN toe te rekenen vertraging; de korting van artikel 12 bij te l Omdat het onterecht uitwinnen van de door BN gestelde bankgarantie schade oplevert, zal de rechtbank de wettelijke rente over de bankgarantie als gevorderd onder 3.1.4 en 3.1.8 toewijzen vanaf de dag waarop de bankgarantie aan DLV is uitgekeerd tot aan de dag der algehele voldoening, te weten een bedrag van € 334.507,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025. 8. Kosten, rente en teruggaaf van de door BN gestelde bankgarantie 8.1. In het tussenvonnis van 5 juni 2024 (r.o. 12.9) is bij wijze van voorlopige voorziening beslist dat de vordering van BN tot retournering van de bankgarantie met nummer [nummer] , op straffe van een dwangsom wordt toegewezen. Onder verwijzing naar hetgeen vermeld onder r.o. 7.3, zal deze vordering ook in de hoofdzaak worden toegewezen. 8.2. BN vordert betaling van € 618.639,- aan kosten voor het stellen van de bankgarantie en gederfde rente wegens latere betaling door derden van wege het door DLV gelegde beslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. 8.3. DLV stelt dat het beslag niet onrechtmatig is. Uit hetgeen hiervoor onder r.o. 8.1 is overwogen blijkt dat de ter opheffing van het beslag gestelde bankgarantie moest worden teruggegeven, omdat de vordering tot zekerheid waarvan het beslag was gelegd en de vervangende zekerheid was gesteld niet bestond. Daaruit volgt dat het leggen van het beslag onrechtmatig is geweest, zodat DLV aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. 8.4. BN heeft de kosten van het stellen van de bankgaranti e onderbouwd met de als E-131 in het geding gebrachte factuur van Zurich van € 299.691,70 te betalen voor 12 februari 2023. DLV heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot deze kosten of de gevorderde wettelijke rente daarover. De rechtbank zal de wettelijke rente over € 299.692,- toewijzen vanaf de gevorderde datum (19 juli 2023). 8.5. BN heeft de gederfde rente vanwege de latere betaling door derden aan BN vanwege het door DLV gelegde beslag onder deze derden berekend op € 388.947,- (productie E-132). 8.6. DLV stelt dat de vordering tot betaling van de gederfde rente vanwege de latere betaling door derden aan BN vanwege het door DLV gelegde beslag, moet worden afgewezen. BN had het zelf in de hand om de periode tussen het leggen van het beslag (7 september 2022) en het stellen van zekerheid (23 december 2022) zo kort mogelijk te houden. Dat BN bijna 4 maanden heeft gewacht met het entameren van een opheffingskort geding of het stellen van genoegzame zekerheid, in welke periode de beslagen derden geen betalingen aan BN konden verrichten, ligt in de risicosfeer van BN, aldus DLV. 8.7. Met haar stellingen doet DLV een beroep op de schadebeperkingsplicht van BN. Dit beroep slaagt gedeeltelijk. Onder professionele partijen is voldoende bekend dat een beslag kan worden opgeheven als vervangende zekerheid wordt gesteld en dit mag dan ook behoudens bijzondere omstandigheden als schadebeperkende maatregel worden verwacht. De rechtbank acht een termijn van zes weken voldoende om vervangende zekerheid te kunnen stellen. In dit geval is de vervangende zekerheid gesteld na 15 weken. De rechtbank zal daarom 6/15 = 40% van de gestelde schade toewijzen (40% van 388.947 = € 155.579,-), met de wettelijke rente daarover vanaf 6 weken na beslaglegging, dus met ingang van 19 oktober 2022. 9 Doorlopende kosten 9.1. BN vordert in totaal € 784.608,- aan doorlopende (tijdgeboden) kosten tot en met 1 juli 2025. Het gaat om: stafkosten € 354.873 opslagkosten bouwmaterialen € 341.859 kosten liftinstallaties € 7.128 levering- en verbruikskosten elektra, water, etc € 80.748 Stafkosten BN van 1 januari 2024 tot en met 1 juli 2025 9.2. Eerder heeft de rechtbank overwogen dat BN aanspraak kan maken op daadwerkelijke loonkosten in verband met de niet-voltooiing van het werk (zie 5.3 t/m 5.4.3 van het tussenvonnis van 5 juni 2024). BN vordert nu kosten die betrekking hebben op reguliere bezoeken ten behoeve van de beveili Dat BN – zoals DLV voorstelt – al deze bouwmaterialen ook bij een andere opslag of op het bouwterrein zelf had kunnen opslaan en zo minder kosten had kunnen maken, is zonder nadere toelichting niet waarschijnlijk, alleen al omdat de ruimte op het bouwterrein van Galaxy niet onbeperkt is. De gevorderde opslagkosten bij de vijf leveranciers zullen dan ook worden toegewezen. 9.9. BN heeft uitgelegd dat zij de overige materialen die op de lijst van E-120 staan heeft overgebracht naar Van Boxtel. Zij vordert € 92.202,- voor het transport en de opslag van die materialen, omdat dit de kosten zijn die Van Boxtel bij haar in rekening heeft gebracht. DLV betwist niet dat het inderdaad gaat om de materialen van andere leveranciers en dat BN deze rekeningen van Van Boxtel heeft voldaan. De kosten die BN heeft moeten maken om deze materialen naar Van Boxtel over te brengen en op te slaan dient DLV te vergoeden, met uitzondering van de materialen die op het bouwterrein of in de kelder van Galaxy lagen. Het gaat om pallets tegels. Het is niet duidelijk waarom het noodzakelijk was om deze materialen elders op te slaan, zoals DLV terecht heeft opgemerkt. Uit de factuur van Van Boxtel van 5 september 2024 volgt dat BN in de periode van 1 juli 2024 t/m 11 juli 2024 in totaal 327 pallets tegels vanaf Galaxy naar Van Boxtel heeft laten overbrengen. De daarmee gepaard gaande kosten (uurtarief Van Boxtel, inslagkosten, brandstofkosten, heftruckkosten) hoeft DLV niet te betalen. Het gaat om: 1 juli 2024: 32 pallets € 2.015,31 (75,00 + 514,50 + 15,44 + 464,00 + 13,92 + 75,00 + 832,50 + 24,98) 2 juli 2024: 101 pallets € 3.661,59 (75,00 + 638,25 + 19,15 + 75,00 + 666,00 + 19,98 + 75,00 + 582,75 + 17,48 + 75,00 + 749,25 + 22,48 + 646,25) 3 juli 2024: 54 pallets € 1.493,38 (75,00 + 721,50 + 21,65 + 75,00 + 582,75 + 17,48) 4 juli 2024: 60 pallets € 2.597,35 (1.221,00 + 36,63 + 75,00 + 75,00 + 471,75 + 14,15 + 75,00 + 610,50 + 18,32) 5 juli 2024: 20 pallets € 1.122,00 (75,00 + 860,25 + 25,81 + 156,25 + 4,69) 9 juli 2024: 50 pallets € 1.293,30 (582,75 + 17,48 + 75,00 + 527,25 + 15,82 + 75,00) 10 juli 2024: 10 pallets € 2.093,18 (1.000,00 + 200,00 + 475,00 + 406,00 + 12,18 ) 11 juli 2024: inslag tegels uit Galaxytoren € 75,00 Dat betekent dat in totaal € 14.351,11 aan transport- en inslagkosten minder zal worden toegewezen. Ook de gevorderde opslagkosten worden verminderd. De opslagkosten voor de tegels worden begroot op € 22.726,50- (327 m2 à 6,75 per maand vanaf 1 juli 2024 tot 1 januari 2024 en à € 7,25 van 1 januari 2025 tot 1 april 2025) en hoeft DLV dus niet te betalen. Van de gevorderde € 92.202,- wordt derhalve afgerond € 55.124,- toegewezen. 9.10. Voor de periode van 1 april 2025 tot 1 juli 2025 heeft Van Boxtel nog geen facturen aan BN verstuurd, maar volgens BN zal zij voor deze drie maanden nog een factuur van in totaal (drie maanden à € 8.155,- is) € 24.465,- ontvangen. Dit is dan ook het bedrag dat zij alvast vordert. DLV heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat ook de rechtbank deze kosten zal toewijzen, minus een bedrag van € 7.112,25 voor de tegels (drie maanden 327 m2 à € 7,25) is afgerond € 17.353,-. 9.11. In totaal dient DLV dan ook € 72.477,- (€ 55.124,- en € 17.353,-) aan opslagkosten Van Boxtel te betalen. 9.12. De totale opslagkosten komen op € 297.669,- en bestaan uit: Timmerfabriek De Kroon € 59.400 Staalbouw Nagelhout Bakhuizen € 6.000 Kingspan € 66.132 HSE (Daloc) € 82.555 Theuma € 11.105 Van Boxtel tot 1 april 2025 € 72.477 Kosten liftinstallaties tot 1 juli 2025 9.13. BN vordert van DLV € 7.128,- aan kosten die Schindler bij BN in rekening heeft gebracht. Het gaat om een factuur van januari 2025 voor servicekosten en periodieke keuringen in de periode van oktober 2024 t/m januari 2025, en een factuur van februari 2025 voor het verhelpen van een storingsmelding. Liftkosten komen ook voor bij de besparingen op het meer/minderwerk (zie 7.17 en verder van het tussenvonnis en 4.48 van dit vonnis), maar bij de post van € 7.128,- gaa Tijdens een inspectie heeft de gemeente in de omgeving van de Galaxy Tower loszittend zwart glasvlies aangetroffen dat afkomstig is van de gevel. De gemeente heeft BN op 17 juli 2025 verzocht uiterlijk 1 oktober 2025 alle loszittende delen te verwijderen. BN heeft de werkzaamheden aanvankelijk begroot op € 83.434,56 en DLV gevraagd om een voorschot van € 60.000,-, hetgeen DLV heeft geweigerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd en hebben uiteindelijk € 46.918,- gekost. 10.2. DLV voert aan dat zij BN herhaaldelijk heeft verzocht de werkzaamheden niet uit te voeren. Zij heeft de situatie door een eigen deskundige laten onderzoeken en deze begroot de werkzaamheden op circa € 2.000,-. BN is hierover geïnformeerd en heeft desalniettemin de werkzaamheden zelf laten uitvoeren. BN heeft daarbij meer gedaan dan door de gemeente was gevraagd. BN heeft ook isolatiemateriaal verwijderd, terwijl het verzoek van de gemeente slechts zag op het loszittende folie. 10.3. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat redelijke kosten die BN maakt ter zake van door haar krachtens de wet ten aanzien van het werk te betrachten zorg, vergoed moeten worden. Vast staat dat de door de gemeente verzochte werkzaamheden moesten worden uitgevoerd. De kosten die BN daarvoor heeft gemaakt, komen de rechtbank niet onredelijk voor. Uit de offerte kan de rechtbank niet opmaken dat ook isolatiemateriaal moet worden verwijderd, zodat zij ervan uitgaat dat dit niet is gebeurd. Dat DLV aanvankelijk is verzocht om een hoger voorschot te betalen dan de uiteindelijke factuur is ongelukkig, maar maakt niet dat de daadwerkelijke kosten niet vergoed moeten worden. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van DLV dat het werk ook kon worden verricht voor € 2.000,- omdat zij dit niet nader met stukken heeft onderbouwd zodat de rechtbank niet kan beoordelen welke werkzaamheden voor dit bedrag zouden worden uitgevoerd. 10.4. De conclusie van het voorgaande is dat de uiteindelijke kosten van € 46.918,- zullen worden toegewezen. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen. De gemaakte kosten maken geen deel uit van de contractuele verplichtingen van partijen in het kader van een handelsovereenkomst, zodat daarop de gewone wettelijke rente van toepassing is en zal worden toegewezen, als gevorderd, vanaf 18 augustus 2025. 11 Proceskosten in conventie 11.1. Over de kosten van de deskundige Van der Steen (waarvan DLV het voorschot heeft voldaan) heeft BN aangevoerd dat die kosten geheel ten laste van DLV moeten blijven. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in totaal 19 onderwerpen betreft. In 16 gevallen heeft de deskundige geoordeeld dat er van bespaarde herstelkosten sprake was en heeft hij deze begroot. Daarbij is in drie gevallen overwegend het standpunt van BN gevolgd en in acht gevallen dat van DLV. Al met al acht de rechtbank het in overeenstemming met deze uitkomst dat de kosten van het deskundigenrapport van Van der Steen ad € 53.540,99, inclusief btw, gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, aldus dat BN de helft hiervan (€ 26.770,50) aan DLV zal moeten betalen. 11.2. Ook de kosten van het inschakelen van de deskundige Bresters (waarvan het voorschot is betaald door BN) zullen bij helfte over de partijen worden verdeeld. Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de vertraging in de bouw grotendeels aan de ander te wijten is, en zij hebben daar ook alle twee vorderingen aan verbonden. Om die vorderingen goed te kunnen beoordelen was het inschakelen van Bresters noodzakelijk. Dat heeft voor beide partijen anders uitgepakt dan zij voorstonden. De aan BN toegewezen vertragingsschade is aanzienlijk lager dan gevorderd, maar houdt meer in dan waarop zij volgens DLV recht had. In die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om ook de kosten van deze deskundige ad € 55.660,-, inclusief btw, gelijkelijk tussen partijen te verdelen, aldus dat DLV de helft hiervan (€ 27.830,-) aan BN zal moeten betalen. 11.3. Per saldo rest er met betrekking DLV vordert deze kosten onder verwijzing naar het bestek waarin staat dat extra kosten voor het wijzigen van bestaande tekeningen op voorstel van de aannemer voor rekening van de aannemer zijn. 15.2. BN heeft in haar akte van 8 november 2023 hierop gereageerd en aangevoerd dat het ontwerp van de gevel niet is gewijzigd en dat de door of namens DLV opgestelde tekeningen van de gevel – op basis waarvan BN het werk diende uit te voeren – ook ongewijzigd zijn gebleven. DLV heeft volgens haar dus geen extra werk gehad. DLV moet op grond van het bestek zelf de kosten dragen voor het beoordelen en goedkeuren van werktekeningen, tenzij er een wijziging is die noopt tot het maken van nieuwe tekeningen. Dat was hier niet zo. Het enige verschil is volgens BN dat de gevelelementen van Leebo van staal zouden zijn en de nieuwe gevelelementen van hout. De maatvoering, het keramiek en de bevestiging van het keramiek zijn volgens BN ongewijzigd gebleven. Omdat hier volgens BN geen sprake is van het wijzigen van bestaande tekeningen, en DLV niet eerst alle werktekeningen van Leebo had beoordeeld en goedgekeurd om vervolgens opnieuw de nieuwe werktekeningen te beoordelen, blijven de kosten voor rekening van DLV. 15.3. Van de kant van DLV is hier verder geen reactie op gevolgd. Dat had wel op haar weg gelegen. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat DLV extra kosten heeft moeten maken als gevolg van het beëindigen van de relatie met de onderaannemer Leebo en wordt dit deel van de reconventionele vordering afgewezen. 16 Opheffen retentierecht en beslagen 16.1. Nu het retentierecht en de door BN gelegde beslagen op 3 september 2025 zijn opgeheven, heeft DLV geen belang meer bij dit onderdeel van de vordering en zal die worden afgewezen. 17 Verbod om beslag te leggen 17.1. DLV vordert dat BN verboden wordt om ten laste van DLV conservatoir beslag te leggen. Deze vordering is door DLV niet nader onderbouwd. Nu de gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dergelijk verstrekkend verbod voor de toekomst toe te wijzen. 18 Proceskosten in reconventie 18.1. De vorderingen in reconventie worden grotendeels afgewezen, wat ertoe leidt dat DLV de proceskosten van BN in reconventie zou moeten voldoen. De reconventie houdt evenwel zozeer verband met het debat in conventie, dat deze kosten op nihil worden gesteld. 19 Uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie en reconventie 19.1. DLV heeft verzocht om het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren als de rechtbank tot het eindoordeel komt dat DLV geen aanspraak kan maken op vertragingsschade van meer dan 1 miljoen euro. DLV wijst erop dat zij in totaal al € 18.625.000,- heeft betaald (€ 3.625.000,- + € 15.000.000,-) en een bankgarantie heeft gesteld voor € 10.575.000,-. Zodoende beschikt BN volgens haar over voldoende zekerheid, terwijl het restitutierisico groot is als DLV nog meer moet betalen. In dat kader wijst DLV erop dat BN op verschillende grote projecten aan de kant is gezet en wordt geconfronteerd met claims van honderden miljoenen euro’s. Ook blijkt dit volgens DLV uit het op 17 maart 2023 gepubliceerd jaarverslag waarin staat dat deze tak van BN haar activiteiten zal afbouwen. Bij een succesvol hoger beroep is het volgens DLV nog maar de vraag of BN in staat zal zijn de vordering van DLV alsnog te voldoen. 19.2. De rechtbank wijst de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie toe. Uitgangspunt is dat een partij die een veroordeling tot betaling van een geldsom krijgt, zoals BN in conventie, wordt vermoed het vereiste belang te hebben bij het direct kunnen (laten) uitvoeren van dat vonnis. Het daar tegenover gestelde restitutierisico is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De verwijzing naar lopende claims is niet concreet, terwijl ook de opmerking in het jaarverslag dat BN een andere koers gaat varen niet meebrengt dat er een reëel restitutierisico is. Bij deze stand van zaken