Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:8557
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,790 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/066108-25
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[De verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in de [detentieadres] ),
hierna: verdachte.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten, en wat verdachte en zijn raadsman mr. P.M. Rombouts naar voren hebben gebracht.
De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd,plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13-066092-25 tegen medeverdachte [medeverdachte] .
2De tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van
het opzettelijk aanwezig hebben van 339,60 gram cocaïne, 47 gram MDMA en 25,14 gram 2C-B;
het voorhanden hebben van twee pistoolmitrailleurs, twee pistolen, diverse kogelpatronen, meerdere bussen pepperspray en meer patroonmagazijnen van een automatisch aanvalsgeweer;
het opzettelijk aanwezig hebben van 6.450 gram hennep;
het opzettelijk aanwezig hebben van 244 stuks knalvuurwerk (Super Cobra’s);
het witwassen van een geldbedrag van € 16.169,20.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en geldt
als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om verdachte partieel vrij te spreken voor het opzettelijk aanwezig hebben van 2C-B (feit 1) en het medeplegen bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep (feit 3), de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5).
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen bij het opzettelijk voorhanden hebben van de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5) niet bewezen kan worden en dat het aangetroffen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, namelijk de handel in hennep. Het onder feit 5 ten laste gelegde laat zich daarmee kwalificeren als eenvoudig witwassen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van de harddrugs, de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 1, 2, 3, en 4)
Overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierna omschreven in rubriek 4. Hierbij wordt verdachte partieel vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 25,14 gram 2C-B (feit 1) en van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 2, 3, en 4).
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen, inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte deze feiten heeft bekend en er door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak.
Ten aanzien van het witwassen (feit 5)
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in bijlage III bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een geldbedrag van in totaal € 16.169,20. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen zal allereerst moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij
een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min
of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het ligt dan op de
weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende, mogelijke alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Bewijsoverweging
Op 2 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen de woning van verdachte aan het [adres] doorzocht. Hierbij werd in totaal een bedrag van € 16.169,20 contant geld aangetroffen, verspreid over verschillende lades en in een kast. Gelet op de hoge waarde van het totale contante geldbedrag, de vindplaatsen en de manier van aantreffen van het geld – in pakketjes biljetten met een elastiek eromheen – de coupures waaronder biljetten van € 200 en € 500,- in combinatie met het aantreffen van drugs en wapens in de woning, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een witwasvermoeden. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, welke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Verdachte heeft echter geen enkele verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Op basis van het politieonderzoek is het beeld ontstaan dat verdachte zich heeft beziggehouden met illegale praktijken (zoals drugshandel) waarmee hij aanzienlijke bedragen zou kunnen hebben verdiend. Uit de onderzochte financiële omstandigheden van verdachte door de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCov) blijkt dat verdachte een eigen klusbedrijf heeft, maar dat hij daar volgens de bij de Belastingdienst bekende gegevens minimale inkomsten uit genereert. Evenmin beschikt verdachte over een vermogen. Het in de woning van verdachte aangetroffen contante geldbedrag kan dan ook niet verklaard worden vanuit het inkomen en vermogen van verdachte. De rechtbank komt daarom bij gebrek aan enige verklaring tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen contante geld – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte op de hoogte is geweest van deze herkomst.
Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte dit geldbedrag heeft verdiend uit eigen misdrijf, zoals door de raadsman naar voren is gebracht.
Motivering
8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf aansluiting te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name met de verstrekkende gevolgen die deze strafzaak voor verdachte en zijn familie heeft. De woningen van zowel verdachte als zijn vader (medeverdachte) zijn door de gemeente ontruimd.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs en hennep, verschillende vuurwapens met bijhorende munitie, een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en een groot contant geldbedrag afkomstig uit misdrijf. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij zich heeft ingelaten met de criminele wereld van drugs en wapens Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van deze vormen van criminaliteit en de overlast voor de maatschappij en de gevaren voor de volksgezondheid die dit met zich brengt. Deze feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte langer geleden, in 2014, is veroordeeld tot het betalen van een geldboete in verband met overtreding van de Opiumwet. Hoewel dit dus niet de eerste keer is dat verdachte in aanraking komt met politie en justitie in verband met de Opiumwet, houdt de rechtbank hier gezien het lange tijdsverloop geen rekening mee bij het bepalen van de straf.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 september 2025 over verdachte. Hierin leest de rechtbank dat verdachte heeft verklaard zich te hebben ingelaten met de handel in drugs en veel spijt te hebben van de beslissingen die hij heeft genomen, met name vanwege de consequenties die deze beslissingen nu voor zijn ouders hebben. Dit heeft verdachte ter terechtzitting tegenover de rechtbank herhaald. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat interventies en toezicht niet nodig zijn. De reclassering acht verdachte in staat om na detentie zelfstandig te re-integreren, gelet op zijn zelfredzaamheid op praktisch gebied en de afwezigheid van psychische- of verslavingsproblematiek. De rechtbank volgt de reclassering in deze conclusie en ziet om diezelfde redenen geen aanleiding voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling en de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en met name op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor de combinatie van deze feiten. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de meerdaadse samenloop die er tussen de verschillende feiten bestaat, waarbij de rechtbank het geheel aan strafbare feiten ziet als één geheel in de zin van een criminele levensstijl. De rechtbank maakt daarom, anders dan de officier van justitie, geen optelsom van de straffen die per misdrijf als vertrekpunt gelden en neemt als uitgangspunt dat de uiteindelijke straf proportioneel moet zijn aan wat het totaalbeeld van de misdrijven is.
Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
9Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897);
1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909);
890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899);
9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922);
670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917);
1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904);
29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926).
Nu met behulp van deze goederen, zijnde het inbeslaggenomen geld, het bewezen geachte witwassen is begaan, dient dit geld verbeurd te worden verklaard.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 26 en 55 Wet wapens en munitie, 1.2.2 Vuurwerkbesluit, 9.2.2.1. Wet milieubeheer en 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, onderdeel 1, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 4
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
Ten aanzien van feit 5
witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in
mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Verklaart verbeurd:
1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897);
1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909);
890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899);
9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922);
670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917);
1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904);
29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter
mrs. B. Kuppens en M. Smayel, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2025.
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/066108-25
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[De verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in de [detentieadres] ),
hierna: verdachte.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten, en wat verdachte en zijn raadsman mr. P.M. Rombouts naar voren hebben gebracht.
De behandeling van de zaak tegen verdachte heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd,plaatsgevonden met de behandeling van de zaak met parketnummer 13-066092-25 tegen medeverdachte [medeverdachte] .
2De tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van
het opzettelijk aanwezig hebben van 339,60 gram cocaïne, 47 gram MDMA en 25,14 gram 2C-B;
het voorhanden hebben van twee pistoolmitrailleurs, twee pistolen, diverse kogelpatronen, meerdere bussen pepperspray en meer patroonmagazijnen van een automatisch aanvalsgeweer;
het opzettelijk aanwezig hebben van 6.450 gram hennep;
het opzettelijk aanwezig hebben van 244 stuks knalvuurwerk (Super Cobra’s);
het witwassen van een geldbedrag van € 16.169,20.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en geldt
als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om verdachte partieel vrij te spreken voor het opzettelijk aanwezig hebben van 2C-B (feit 1) en het medeplegen bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep (feit 3), de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5).
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen bij het opzettelijk voorhanden hebben van de cobra’s (feit 4) en het witwassen (feit 5) niet bewezen kan worden en dat het aangetroffen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, namelijk de handel in hennep. Het onder feit 5 ten laste gelegde laat zich daarmee kwalificeren als eenvoudig witwassen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van de harddrugs, de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 1, 2, 3, en 4)
Overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierna omschreven in rubriek 4. Hierbij wordt verdachte partieel vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 25,14 gram 2C-B (feit 1) en van het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van de wapens, de hennep en de cobra’s (feiten 2, 3, en 4).
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen, inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte deze feiten heeft bekend en er door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak.
Ten aanzien van het witwassen (feit 5)
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in bijlage III bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een geldbedrag van in totaal € 16.169,20. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen zal allereerst moeten worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij
een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min
of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het ligt dan op de
weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende, mogelijke alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Bewijsoverweging
Op 2 april 2025 is naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen de woning van verdachte aan het [adres] doorzocht. Hierbij werd in totaal een bedrag van € 16.169,20 contant geld aangetroffen, verspreid over verschillende lades en in een kast. Gelet op de hoge waarde van het totale contante geldbedrag, de vindplaatsen en de manier van aantreffen van het geld – in pakketjes biljetten met een elastiek eromheen – de coupures waaronder biljetten van € 200 en € 500,- in combinatie met het aantreffen van drugs en wapens in de woning, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een witwasvermoeden. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, welke verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Verdachte heeft echter geen enkele verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Op basis van het politieonderzoek is het beeld ontstaan dat verdachte zich heeft beziggehouden met illegale praktijken (zoals drugshandel) waarmee hij aanzienlijke bedragen zou kunnen hebben verdiend. Uit de onderzochte financiële omstandigheden van verdachte door de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCov) blijkt dat verdachte een eigen klusbedrijf heeft, maar dat hij daar volgens de bij de Belastingdienst bekende gegevens minimale inkomsten uit genereert. Evenmin beschikt verdachte over een vermogen. Het in de woning van verdachte aangetroffen contante geldbedrag kan dan ook niet verklaard worden vanuit het inkomen en vermogen van verdachte. De rechtbank komt daarom bij gebrek aan enige verklaring tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen contante geld – middellijk of onmiddellijk – uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte op de hoogte is geweest van deze herkomst.
Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte dit geldbedrag heeft verdiend uit eigen misdrijf, zoals door de raadsman naar voren is gebracht.
Motivering
8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf aansluiting te zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name met de verstrekkende gevolgen die deze strafzaak voor verdachte en zijn familie heeft. De woningen van zowel verdachte als zijn vader (medeverdachte) zijn door de gemeente ontruimd.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs en hennep, verschillende vuurwapens met bijhorende munitie, een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk en een groot contant geldbedrag afkomstig uit misdrijf. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij zich heeft ingelaten met de criminele wereld van drugs en wapens Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de instandhouding van deze vormen van criminaliteit en de overlast voor de maatschappij en de gevaren voor de volksgezondheid die dit met zich brengt. Deze feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte langer geleden, in 2014, is veroordeeld tot het betalen van een geldboete in verband met overtreding van de Opiumwet. Hoewel dit dus niet de eerste keer is dat verdachte in aanraking komt met politie en justitie in verband met de Opiumwet, houdt de rechtbank hier gezien het lange tijdsverloop geen rekening mee bij het bepalen van de straf.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 september 2025 over verdachte. Hierin leest de rechtbank dat verdachte heeft verklaard zich te hebben ingelaten met de handel in drugs en veel spijt te hebben van de beslissingen die hij heeft genomen, met name vanwege de consequenties die deze beslissingen nu voor zijn ouders hebben. Dit heeft verdachte ter terechtzitting tegenover de rechtbank herhaald. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat interventies en toezicht niet nodig zijn. De reclassering acht verdachte in staat om na detentie zelfstandig te re-integreren, gelet op zijn zelfredzaamheid op praktisch gebied en de afwezigheid van psychische- of verslavingsproblematiek. De rechtbank volgt de reclassering in deze conclusie en ziet om diezelfde redenen geen aanleiding voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling en de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en met name op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor de combinatie van deze feiten. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de meerdaadse samenloop die er tussen de verschillende feiten bestaat, waarbij de rechtbank het geheel aan strafbare feiten ziet als één geheel in de zin van een criminele levensstijl. De rechtbank maakt daarom, anders dan de officier van justitie, geen optelsom van de straffen die per misdrijf als vertrekpunt gelden en neemt als uitgangspunt dat de uiteindelijke straf proportioneel moet zijn aan wat het totaalbeeld van de misdrijven is.
Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
9Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897);
1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909);
890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899);
9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922);
670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917);
1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904);
29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926).
Nu met behulp van deze goederen, zijnde het inbeslaggenomen geld, het bewezen geachte witwassen is begaan, dient dit geld verbeurd te worden verklaard.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 26 en 55 Wet wapens en munitie, 1.2.2 Vuurwerkbesluit, 9.2.2.1. Wet milieubeheer en 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, onderdeel 1, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 4
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
Ten aanzien van feit 5
witwassen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in
mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Verklaart verbeurd:
1.205,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638897);
1.690,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638909);
890,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638899);
9.980,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638922);
670,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638917);
1.705,00 EUR Geld Euro (goednummer: G6638904);
29,20 EUR Geld Euro (goednummer: G6638926).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter
mrs. B. Kuppens en M. Smayel, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2025.
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]
[---]