Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:8521
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,568 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-379014-24
Datum uitspraak: 11 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting van 28 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat de door verdachte gemachtigde raadsvrouw, mr. G.A. Jansen-de Wolf, naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 14 december 2023 in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en één of meerdere onbekend gebleven personen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging schrijf- en/of taalfouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd in en buiten een café in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam, zoals is ten laste gelegd. Daarbij heeft de officier van justitie verwezen naar de camerabeelden van het incident zoals door de politie omschreven en door de rechtbank op zitting getoond en de verschillende verklaringen van de aangevers en getuigen.
Dat verdachte [verdachte] een van de personen op de camerabeelden is die geweldshandelingen heeft gepleegd, blijkt allereerst uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] . [naam getuige 1] is de eigenaar van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat en heeft verdachte [verdachte] aangewezen als een van de personen die in zijn café heeft gevochten. De verklaring van [naam getuige 1] wordt ondersteund door het gegeven dat na afloop van het incident, gedurende dezelfde nacht, met het telefoonnummer van verdachte naar [naam getuige 1] is gebeld.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om verdachte vrij te spreken, nu de betrokkenheid van verdachte bij het incident aan de Lange Leidsedwarsstraat enkel kan worden afgeleid uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] . Dit terwijl niet duidelijk is geworden waaruit [naam getuige 1] heeft opgemaakt dat verdachte bij het incident betrokken is geweest en [naam getuige 1] eerder tegen de politie heeft verklaard dat verdachte niet bij dat incident betrokken is geweest.
Subsidiair, indien de rechtbank verdachte aanwijst als de ‘kale man’ op de in het dossier gevoegde en op de zitting getoonde camerabeelden, heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het openlijke geweld dat tegen aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] is gepleegd. Ten aanzien van deze aangevers kan niet worden vastgesteld dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd en uit de camerabeelden blijkt dat verdachte juist handelingen verricht om de twee andere vechtende verdachten te doen stoppen. Tegen deze achtergrond kan niet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen voornoemde aangevers.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde geweld tegen aangever [slachtoffer 1] , bestaande uit het (terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag) schoppen tegen zijn slaap, (zijkant van het) hoofd en/of lip en het in de hand houden van een voorwerp bij het slaan van aangever [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van de geweldshandelingen tegen de man in het groene/grijze shirt heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3
Feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Aanleiding en geweldshandelingen
Op 14 december 2023 heeft een geweldsincident plaatsgevonden in en buiten een café aan de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam . Naar aanleiding van dit incident hebben verschillende personen aangifte gedaan en daarbij geweldshandelingen beschreven die door verschillende mannen richting hen zijn gepleegd. De politie heeft de camerabeelden van het café waarin het incident heeft plaatsgevonden opgevraagd en heeft op deze beelden een groep van drie personen aangewezen als plegers en daarmee verdachten van het geweld tegen onder meer de aangevers. Eén van de leden van deze groep is volgens de politie medeverdachte [medeverdachte] . De overige twee leden zijn door de politie aanvankelijk als NN1 en NN2 aangeduid. NN1 is omschreven als een man met onder meer een kaalgeschoren hoofd en NN2 is omschreven als een licht getinte man met onder meer kort donker haar en een donkerkleurig snorretje. De rechtbank heeft de door de politie beschreven beelden ook tijdens de zitting van 28 oktober 2025 getoond.
Op basis van de verklaringen van de aangevers, de beschrijvingen van de beelden door de politie en de eigen waarnemingen van de rechtbank naar aanleiding van het bekijken van diezelfde beelden, stelt de rechtbank – voor zover relevant is ten aanzien van het ten laste gelegde – het volgende vast over het verloop van het geweldsincident en de geweldshandelingen die daarbij zijn gepleegd.
De registratie van het geweldsincident op de beelden is in de hal van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat aangevangen. Op de beelden is te zien dat een man, die door de politie als aangever [slachtoffer 4] is herkend, samen met een onbekend gebleven man in de hal van het café staat en daar in contact komt met verdachte NN1. Na enige aanrakingen en duwen, ontstaat er een worsteling tussen verschillende verdachten, de onbekende man en [slachtoffer 4] , waarna verdachte “NN3” (de rechtbank begrijpt: NN2) enkele slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 4] maakt. [slachtoffer 4] heeft hierover zelf verklaard dat er “een hand met gebalde vuist op de linkerzijde van [zijn] neus terecht kwam”.
Nadat [slachtoffer 4] is geslagen, worden de drie verdachten door een portier van het café naar buiten gewerkt. Buiten staat een andere man, volgens de politie aangever [slachtoffer 5] , die door de verdachten wordt gepasseerd. Terwijl de verdachten van het café weglopen, komt er nog een andere man in een blauw overhemd naar buiten die armbewegingen in de richting van de verdachten maakt. Hierop voegen verdachten [medeverdachte] en NN2 zich bij de man in het blauwe overhemd en wordt er opnieuw geweld gebruikt. NN2 geeft de man in het blauwe overhemd daarbij met de vuist een slag in zijn gezicht, waardoor de man in het portiek van het café valt. NN2 geeft vervolgens meerdere klappen aan aangever [slachtoffer 5] , die daarop ook naar achteren in het portiek valt, en maakt daarna meerdere slaande en trappende bewegingen richting het portiek. De rechtbank heeft tijdens de zitting van 28 oktober 2025 op de camerabeelden waargenomen dat [slachtoffer 5] bloed op zijn gezicht had.
De rechtbank wijst de man in het lichtblauwe overhemd aan als aangever [slachtoffer 1] , gelet op de aanvullende verklaring van [slachtoffer 1] waarin hij zichzelf op de beelden als de man met het blauwe overhemd heeft aangewezen en heeft beschreven dat hij de persoon is die in de deuropening klem lag terwijl er op hem werd ingeschopt. Deze verklaring wordt ondersteund door getuige [naam getuige 2] , die heeft verklaard dat zijn vriend “ [slachtoffer 1] ” (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1] ) in de deuropening lag terwijl hij op onder meer zijn hoofd en lichaam werd geschopt.
Terwijl [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] in het portiek van het café belandden, richtten verdachten [medeverdachte] en NN1 zich op een andere onbekende man in een groen shirt die eveneens buiten het café stond. Hierbij is de onbekende man meerdere keren geslagen.
Tot slot bevat het dossier twee aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij gedurende de vechtpartij op 14 december 2023 een vuistslag tegen zijn hoofd heeft gekregen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op vrijdag 14 december 2023 zag dat zijn vrienden ruzie maakten met een onbekende, dat hij tussen het gevecht in ging staan en daarna een tik op zijn hoofd voelde.
De betrokkenheid van verdachte
Getuige [naam getuige 1] , de eigenaar van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat , heeft verdachte aangewezen als een van de jongens die tijdens het incident in zijn café heeft gevochten. Verdachte is volgens [naam getuige 1] de man met het kale hoofd. Verdachte en [naam getuige 1] kennen elkaar van vroeger, waarbij [naam getuige 1] ook heeft verklaard dat verdachte tegenwoordig in Spanje woont. Verdachte woont blijkens het uittreksel uit de Basisregistratie Personen dat in het dossier is gevoegd in Spanje.
Verder zou [naam getuige 1] na het incident door verdachte zijn gebeld, waarbij bedreigingen zijn geuit. Ook de politie heeft waargenomen dat [naam getuige 1] na afloop van het incident werd gebeld, waarbij door een mannenstem dreigende woorden richting [naam getuige 1] werden geuit. Na verder onderzoek is gebleken dat vlak na afloop van het geweldsincident driemaal telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van verdachte en [naam getuige 1] .
3.3.2
Verdachte wordt aangewezen als NN1
De rechtbank is op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte [verdachte] de op de camerabeelden door de politie aangewezen verdachte NN1 is, oftewel de man met het kale hoofd.
De rechtbank acht in dit kader doorslaggevend dat getuige [naam getuige 1] tegenover de politie heeft verklaard dat verdachte de man met het kale hoofd is die in zijn café heeft gevochten en weet te verklaren dat verdachte tegenwoordig in Spanje woont, hetgeen blijkt te kloppen. De verklaring van [naam getuige 1] over de betrokkenheid van verdachte wordt vervolgens ondersteund door het gegeven dat kort na het incident telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van verdachte en [naam getuige 1] , hetgeen overeenkomt met de verklaring van [naam getuige 1] en de bevindingen van de politie daarover.
Dat het dossier ook een verklaring van [naam getuige 1] bevat waarin [naam getuige 1] anders lijkt te verklaren over de betrokkenheid van verdachte bij het geweldsincident betrokken, doet aan het voorgaande niets af. De rechtbank neemt aan dat hier sprake is geweest van een misverstand over de inhoud van zijn verklaring, nu deze verklaring in de hectiek kort na het incident door de politie is opgenomen en het gesprek tussen [naam getuige 1] en verbalisant op dat moment vooral gericht was op de bedreigende verklaringen die [naam getuige 1] telefonisch ontving. De tweede verklaring van [naam getuige 1] , die de rechtbank hiervoor onder de feiten en omstandigheden heeft beschreven, is gebaseerd op de gerichte vragen die de politie vervolgens juist ter verduidelijking van zijn verklaring aan [naam getuige 1] heeft gesteld. De rechtbank ziet tegen de achtergrond van het voorgaande geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.
Gelet op het voorgaande wordt het primaire verweer van de raadsvrouw verworpen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde geweld heeft geleverd, om hem verantwoordelijk te houden voor het geheel aan de bewezen verklaarde geweldshandelingen, zoals hierna in rubriek 4 wordt omschreven.
De rechtbank ziet tot slot onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat aangever [slachtoffer 1] specifiek tegen zijn slaap is geschopt, dat aangever [slachtoffer 3] met een voorwerp is geslagen en dat een onbekende man gekleed in een blauwe blouse meerdere malen op zijn hoofd is geslagen. Verdachte zal van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 14 december 2023 te Amsterdam openlijk, te weten, op de Lange Leidsedwarsstraat en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en één tot op heden onbekend gebleven persoon, door
- voornoemde [slachtoffer 1] tegen het gezicht te slaan waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val kwam en terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag eenmaal of meerdere malen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] te schoppen, en
- voornoemde [slachtoffer 2] een tik op het hoofd te geven, en
- voornoemde [slachtoffer 3] tegen het hoofd te slaan, en
- voornoemde [slachtoffer 4] met de vuist tegen de neus te slaan, en
- voornoemde [slachtoffer 5] meerdere klappen in het gezicht te geven, en
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een groen t-shirt meerdere malen te slaan.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
7.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens de zitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld in en buiten een café aan de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam . De groep waartoe verdachte behoorde heeft daarbij geweld gebruikt tegen meerdere bezoekers van het café, in enkele gevallen met (zwaar) letsel als gevolg. Verdachte heeft hiermee een vergaande inbreuk op de lichamelijke integriteit van de bezoekers gemaakt en heeft bijgedragen aan de angst die het gevolg is van uitgaansgeweld.
De verschillende leden van de groep waartoe verdachte behoorde hebben allen geweld gebruikt en hebben daarmee een gelijkwaardige bijdrage aan het incident geleverd. Hoewel de rechtbank op de camerabeelden ook heeft kunnen waarnemen dat enkele van de bezoekers bewegingen hebben gemaakt die wellicht door verdachte als provocerend zijn opgevat, vormt dit geenszins een rechtvaardiging voor het geweld dat de verdachten hebben gebruikt. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank eveneens heeft kunnen waarnemen, er ook geweld is gebruikt tegen nietsvermoedende bezoekers van het café. De rechtbank acht één fragment op de camerabeelden in het bijzonder tekenend voor het gedrag van de verdachten. Daarop is namelijk te zien dat een nietsvermoedende bezoeker zich richting de uitgang van het café begaf, daar het pad van de verdachten kruiste en vervolgens zonder aanleiding hard in zijn gezicht is geslagen.
Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank het feit als bijzonder ernstig aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het bericht van reclasseringsinstantie Leger des Heils van 17 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet aan het opstellen van een reclasseringsadvies wenst mee te werken.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de afspraken die de rechtbanken en gerechtshoven onderling over straffen hebben gemaakt en naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt voor het plegen van een openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een oriëntatiepunt van een taakstraf van 150 uur.
Gelet op het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het voornoemde oriëntatiepunt af te wijken. Gelet op het bericht van de reclassering en de afwezigheid van enige informatie over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aan verdachte een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uur passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2025.
Bijlage 1 – Tenlastelegging
Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, op de Lange Leidsedwarsstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en), door
- voornoemde [slachtoffer 1] eenmaal of meerdere malen in/op/tegen het gezicht te slaan (waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of (terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag) eenmaal of meerdere malen tegen de slaap, in elk geval de zijkant van het hoofd, en/of tegen de lip van voornoemde [slachtoffer 1] te schoppen, en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] een tik op het hoofd te geven, en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] eenmaal of meerdere malen met de vuist op/tegen het hoofd te slaan (al dan niet met een voorwerp in de hand vasthoudend), en/of
- voornoemde [slachtoffer 4] met de vuist op/tegen de neus, in elk geval het gezicht, te slaan, en/of
- voornoemde [slachtoffer 5] één of meerdere klappen in het gezicht te geven, en/of
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een groen/grijs t-shirt meerdere malen te slaan en/of te schoppen, en/of
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een blauwe blouse meerdere malen op het hoofd te slaan.
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 49 – 50.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 49 – 50.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-9, pag. 10.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 52.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 54.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55.
De eigen waarneming van de rechtbank, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2025.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-33, pag. 79.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-34, pag. 80.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 57 en de eigen waarneming van de rechtbank, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2025.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-10, pag. 6.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-6, pag. 3.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-27, pag. 68.
Informatiestaat SKDB-persoon, betreffende verdachte [verdachte] .
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-27, pag. 68.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-7, pag. 23.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-31, pag. 77 – 78.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-379014-24
Datum uitspraak: 11 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting van 28 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat de door verdachte gemachtigde raadsvrouw, mr. G.A. Jansen-de Wolf, naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 14 december 2023 in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en één of meerdere onbekend gebleven personen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging schrijf- en/of taalfouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd in en buiten een café in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam, zoals is ten laste gelegd. Daarbij heeft de officier van justitie verwezen naar de camerabeelden van het incident zoals door de politie omschreven en door de rechtbank op zitting getoond en de verschillende verklaringen van de aangevers en getuigen.
Dat verdachte [verdachte] een van de personen op de camerabeelden is die geweldshandelingen heeft gepleegd, blijkt allereerst uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] . [naam getuige 1] is de eigenaar van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat en heeft verdachte [verdachte] aangewezen als een van de personen die in zijn café heeft gevochten. De verklaring van [naam getuige 1] wordt ondersteund door het gegeven dat na afloop van het incident, gedurende dezelfde nacht, met het telefoonnummer van verdachte naar [naam getuige 1] is gebeld.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om verdachte vrij te spreken, nu de betrokkenheid van verdachte bij het incident aan de Lange Leidsedwarsstraat enkel kan worden afgeleid uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] . Dit terwijl niet duidelijk is geworden waaruit [naam getuige 1] heeft opgemaakt dat verdachte bij het incident betrokken is geweest en [naam getuige 1] eerder tegen de politie heeft verklaard dat verdachte niet bij dat incident betrokken is geweest.
Subsidiair, indien de rechtbank verdachte aanwijst als de ‘kale man’ op de in het dossier gevoegde en op de zitting getoonde camerabeelden, heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het openlijke geweld dat tegen aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] is gepleegd. Ten aanzien van deze aangevers kan niet worden vastgesteld dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd en uit de camerabeelden blijkt dat verdachte juist handelingen verricht om de twee andere vechtende verdachten te doen stoppen. Tegen deze achtergrond kan niet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen voornoemde aangevers.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde geweld tegen aangever [slachtoffer 1] , bestaande uit het (terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag) schoppen tegen zijn slaap, (zijkant van het) hoofd en/of lip en het in de hand houden van een voorwerp bij het slaan van aangever [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van de geweldshandelingen tegen de man in het groene/grijze shirt heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3
Feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Aanleiding en geweldshandelingen
Op 14 december 2023 heeft een geweldsincident plaatsgevonden in en buiten een café aan de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam . Naar aanleiding van dit incident hebben verschillende personen aangifte gedaan en daarbij geweldshandelingen beschreven die door verschillende mannen richting hen zijn gepleegd. De politie heeft de camerabeelden van het café waarin het incident heeft plaatsgevonden opgevraagd en heeft op deze beelden een groep van drie personen aangewezen als plegers en daarmee verdachten van het geweld tegen onder meer de aangevers. Eén van de leden van deze groep is volgens de politie medeverdachte [medeverdachte] . De overige twee leden zijn door de politie aanvankelijk als NN1 en NN2 aangeduid. NN1 is omschreven als een man met onder meer een kaalgeschoren hoofd en NN2 is omschreven als een licht getinte man met onder meer kort donker haar en een donkerkleurig snorretje. De rechtbank heeft de door de politie beschreven beelden ook tijdens de zitting van 28 oktober 2025 getoond.
Op basis van de verklaringen van de aangevers, de beschrijvingen van de beelden door de politie en de eigen waarnemingen van de rechtbank naar aanleiding van het bekijken van diezelfde beelden, stelt de rechtbank – voor zover relevant is ten aanzien van het ten laste gelegde – het volgende vast over het verloop van het geweldsincident en de geweldshandelingen die daarbij zijn gepleegd.
De registratie van het geweldsincident op de beelden is in de hal van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat aangevangen. Op de beelden is te zien dat een man, die door de politie als aangever [slachtoffer 4] is herkend, samen met een onbekend gebleven man in de hal van het café staat en daar in contact komt met verdachte NN1. Na enige aanrakingen en duwen, ontstaat er een worsteling tussen verschillende verdachten, de onbekende man en [slachtoffer 4] , waarna verdachte “NN3” (de rechtbank begrijpt: NN2) enkele slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer 4] maakt. [slachtoffer 4] heeft hierover zelf verklaard dat er “een hand met gebalde vuist op de linkerzijde van [zijn] neus terecht kwam”.
Nadat [slachtoffer 4] is geslagen, worden de drie verdachten door een portier van het café naar buiten gewerkt. Buiten staat een andere man, volgens de politie aangever [slachtoffer 5] , die door de verdachten wordt gepasseerd. Terwijl de verdachten van het café weglopen, komt er nog een andere man in een blauw overhemd naar buiten die armbewegingen in de richting van de verdachten maakt. Hierop voegen verdachten [medeverdachte] en NN2 zich bij de man in het blauwe overhemd en wordt er opnieuw geweld gebruikt. NN2 geeft de man in het blauwe overhemd daarbij met de vuist een slag in zijn gezicht, waardoor de man in het portiek van het café valt. NN2 geeft vervolgens meerdere klappen aan aangever [slachtoffer 5] , die daarop ook naar achteren in het portiek valt, en maakt daarna meerdere slaande en trappende bewegingen richting het portiek. De rechtbank heeft tijdens de zitting van 28 oktober 2025 op de camerabeelden waargenomen dat [slachtoffer 5] bloed op zijn gezicht had.
De rechtbank wijst de man in het lichtblauwe overhemd aan als aangever [slachtoffer 1] , gelet op de aanvullende verklaring van [slachtoffer 1] waarin hij zichzelf op de beelden als de man met het blauwe overhemd heeft aangewezen en heeft beschreven dat hij de persoon is die in de deuropening klem lag terwijl er op hem werd ingeschopt. Deze verklaring wordt ondersteund door getuige [naam getuige 2] , die heeft verklaard dat zijn vriend “ [slachtoffer 1] ” (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1] ) in de deuropening lag terwijl hij op onder meer zijn hoofd en lichaam werd geschopt.
Terwijl [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] in het portiek van het café belandden, richtten verdachten [medeverdachte] en NN1 zich op een andere onbekende man in een groen shirt die eveneens buiten het café stond. Hierbij is de onbekende man meerdere keren geslagen.
Tot slot bevat het dossier twee aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij gedurende de vechtpartij op 14 december 2023 een vuistslag tegen zijn hoofd heeft gekregen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op vrijdag 14 december 2023 zag dat zijn vrienden ruzie maakten met een onbekende, dat hij tussen het gevecht in ging staan en daarna een tik op zijn hoofd voelde.
De betrokkenheid van verdachte
Getuige [naam getuige 1] , de eigenaar van het café aan de Lange Leidsedwarsstraat , heeft verdachte aangewezen als een van de jongens die tijdens het incident in zijn café heeft gevochten. Verdachte is volgens [naam getuige 1] de man met het kale hoofd. Verdachte en [naam getuige 1] kennen elkaar van vroeger, waarbij [naam getuige 1] ook heeft verklaard dat verdachte tegenwoordig in Spanje woont. Verdachte woont blijkens het uittreksel uit de Basisregistratie Personen dat in het dossier is gevoegd in Spanje.
Verder zou [naam getuige 1] na het incident door verdachte zijn gebeld, waarbij bedreigingen zijn geuit. Ook de politie heeft waargenomen dat [naam getuige 1] na afloop van het incident werd gebeld, waarbij door een mannenstem dreigende woorden richting [naam getuige 1] werden geuit. Na verder onderzoek is gebleken dat vlak na afloop van het geweldsincident driemaal telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van verdachte en [naam getuige 1] .
3.3.2
Verdachte wordt aangewezen als NN1
De rechtbank is op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte [verdachte] de op de camerabeelden door de politie aangewezen verdachte NN1 is, oftewel de man met het kale hoofd.
De rechtbank acht in dit kader doorslaggevend dat getuige [naam getuige 1] tegenover de politie heeft verklaard dat verdachte de man met het kale hoofd is die in zijn café heeft gevochten en weet te verklaren dat verdachte tegenwoordig in Spanje woont, hetgeen blijkt te kloppen. De verklaring van [naam getuige 1] over de betrokkenheid van verdachte wordt vervolgens ondersteund door het gegeven dat kort na het incident telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen de telefoonnummers van verdachte en [naam getuige 1] , hetgeen overeenkomt met de verklaring van [naam getuige 1] en de bevindingen van de politie daarover.
Dat het dossier ook een verklaring van [naam getuige 1] bevat waarin [naam getuige 1] anders lijkt te verklaren over de betrokkenheid van verdachte bij het geweldsincident betrokken, doet aan het voorgaande niets af. De rechtbank neemt aan dat hier sprake is geweest van een misverstand over de inhoud van zijn verklaring, nu deze verklaring in de hectiek kort na het incident door de politie is opgenomen en het gesprek tussen [naam getuige 1] en verbalisant op dat moment vooral gericht was op de bedreigende verklaringen die [naam getuige 1] telefonisch ontving. De tweede verklaring van [naam getuige 1] , die de rechtbank hiervoor onder de feiten en omstandigheden heeft beschreven, is gebaseerd op de gerichte vragen die de politie vervolgens juist ter verduidelijking van zijn verklaring aan [naam getuige 1] heeft gesteld. De rechtbank ziet tegen de achtergrond van het voorgaande geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.
Gelet op het voorgaande wordt het primaire verweer van de raadsvrouw verworpen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde geweld heeft geleverd, om hem verantwoordelijk te houden voor het geheel aan de bewezen verklaarde geweldshandelingen, zoals hierna in rubriek 4 wordt omschreven.
De rechtbank ziet tot slot onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat aangever [slachtoffer 1] specifiek tegen zijn slaap is geschopt, dat aangever [slachtoffer 3] met een voorwerp is geslagen en dat een onbekende man gekleed in een blauwe blouse meerdere malen op zijn hoofd is geslagen. Verdachte zal van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 14 december 2023 te Amsterdam openlijk, te weten, op de Lange Leidsedwarsstraat en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en één tot op heden onbekend gebleven persoon, door
- voornoemde [slachtoffer 1] tegen het gezicht te slaan waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val kwam en terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag eenmaal of meerdere malen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] te schoppen, en
- voornoemde [slachtoffer 2] een tik op het hoofd te geven, en
- voornoemde [slachtoffer 3] tegen het hoofd te slaan, en
- voornoemde [slachtoffer 4] met de vuist tegen de neus te slaan, en
- voornoemde [slachtoffer 5] meerdere klappen in het gezicht te geven, en
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een groen t-shirt meerdere malen te slaan.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
7.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens de zitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld in en buiten een café aan de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam . De groep waartoe verdachte behoorde heeft daarbij geweld gebruikt tegen meerdere bezoekers van het café, in enkele gevallen met (zwaar) letsel als gevolg. Verdachte heeft hiermee een vergaande inbreuk op de lichamelijke integriteit van de bezoekers gemaakt en heeft bijgedragen aan de angst die het gevolg is van uitgaansgeweld.
De verschillende leden van de groep waartoe verdachte behoorde hebben allen geweld gebruikt en hebben daarmee een gelijkwaardige bijdrage aan het incident geleverd. Hoewel de rechtbank op de camerabeelden ook heeft kunnen waarnemen dat enkele van de bezoekers bewegingen hebben gemaakt die wellicht door verdachte als provocerend zijn opgevat, vormt dit geenszins een rechtvaardiging voor het geweld dat de verdachten hebben gebruikt. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank eveneens heeft kunnen waarnemen, er ook geweld is gebruikt tegen nietsvermoedende bezoekers van het café. De rechtbank acht één fragment op de camerabeelden in het bijzonder tekenend voor het gedrag van de verdachten. Daarop is namelijk te zien dat een nietsvermoedende bezoeker zich richting de uitgang van het café begaf, daar het pad van de verdachten kruiste en vervolgens zonder aanleiding hard in zijn gezicht is geslagen.
Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank het feit als bijzonder ernstig aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het bericht van reclasseringsinstantie Leger des Heils van 17 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet aan het opstellen van een reclasseringsadvies wenst mee te werken.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de afspraken die de rechtbanken en gerechtshoven onderling over straffen hebben gemaakt en naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt voor het plegen van een openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een oriëntatiepunt van een taakstraf van 150 uur.
Gelet op het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het voornoemde oriëntatiepunt af te wijken. Gelet op het bericht van de reclassering en de afwezigheid van enige informatie over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de kans dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aan verdachte een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uur passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2025.
Bijlage 1 – Tenlastelegging
Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, op de Lange Leidsedwarsstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en), door
- voornoemde [slachtoffer 1] eenmaal of meerdere malen in/op/tegen het gezicht te slaan (waardoor voornoemde [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of (terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag) eenmaal of meerdere malen tegen de slaap, in elk geval de zijkant van het hoofd, en/of tegen de lip van voornoemde [slachtoffer 1] te schoppen, en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] een tik op het hoofd te geven, en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] eenmaal of meerdere malen met de vuist op/tegen het hoofd te slaan (al dan niet met een voorwerp in de hand vasthoudend), en/of
- voornoemde [slachtoffer 4] met de vuist op/tegen de neus, in elk geval het gezicht, te slaan, en/of
- voornoemde [slachtoffer 5] één of meerdere klappen in het gezicht te geven, en/of
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een groen/grijs t-shirt meerdere malen te slaan en/of te schoppen, en/of
- een tot op heden onbekend gebleven man gekleed in een blauwe blouse meerdere malen op het hoofd te slaan.
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag 48.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 49 – 50.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 49 – 50.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-9, pag. 10.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 52.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 54.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55.
De eigen waarneming van de rechtbank, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2025.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-33, pag. 79.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-34, pag. 80.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 55
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300:2023282229, pag. 57 en de eigen waarneming van de rechtbank, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2025.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-10, pag. 6.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023282229-6, pag. 3.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-27, pag. 68.
Informatiestaat SKDB-persoon, betreffende verdachte [verdachte] .
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-27, pag. 68.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-7, pag. 23.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023282229-31, pag. 77 – 78.