Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:827
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
6,538 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/275
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. H.J. Pot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de oplegging van zowel een last onder dwangsom als een bestuurlijke boete.
1.2.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft verweerder aan verzoekers zowel een last onder dwangsom (het primaire besluit I) als een bestuurlijke boete opgelegd en ingevorderd (het primaire besluit II). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzienig te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1] namens verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder. [verzoeker 2] was niet aanwezig.
1.4.
Zoals op zitting besproken, zal deze voorzieningenprocedure uitsluitend betrekking hebben op de opgelegde last onder dwangsom. Verzoekers beogen te bereiken dat de opgelegde last wordt geschorst tot op het bezwaar is beslist.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 2 juni 2022 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de woonboot gelegen aan het adres [adres 1] [huisnummer 1] (hierna ook: de woonboot) in Amsterdam. Naar voren is gekomen dat verzoekers de woonboot verhuren aan toeristen. Ter zitting is naar voren gekomen dat [naam] eigenaar is van de woonboot en dat aan hem een ligplaatsvergunning is afgegeven. Verzoeker [verzoeker 1] heeft op de zitting aangegeven dat hij met instemming van [naam] de woonboot toeristisch verhuurt als Bed & Breakfast (B&B).
2.2.
Verzoekers verhuren nog een andere woonboot voor toeristische verhuur die gelegen is aan het adres [adres 1] [huisnummer 2] . Verzoekster [verzoeker 2] heeft een vergunning voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 2] . Het registratienummer in de advertentie op airbnb.com wordt volgens verweerder voor beide woonboten gebruikt. Het registratienummer in de advertentie hoort echter bij [adres 1] [huisnummer 2] .
2.3.
Verzoeker [verzoeker 1] staat vanaf 23 november 2023 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 1] [huisnummer 1] . Op [adres 1] [huisnummer 2] staat verzoekster [verzoeker 2] ingeschreven. Op zitting heeft [verzoeker 1] aangegeven dat [adres 1] [huisnummer 2] en de [adres 2] [huisnummer 3] zijn eigendom zijn en dat hij soms hier en soms daar woont. Hij bepaalt zelf waar hij woont. Tegenwoordig woont zijn zoon op de [adres 2] [huisnummer 3] .
2.4.
Op 9 november 2023 hebben toezichthouders van verweerder de woonboot bezocht. Vervolgens hebben de toezichthouders op dezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de heer [verzoeker 1] . Naar aanleiding van het telefoongesprek heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden op 16 november 2023.
2.5.
Op 25 november 2024 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt aan verzoekers een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete op te leggen. Verzoeker [verzoeker 1] heeft daar op 6 december 2024 op gereageerd.
2.6.
Op basis van de bevindingen in het rapport van 2 juni 2022 en 9 november 2023 heeft verweerder het primaire besluit I genomen. Verweerder heeft verzoekers gelast om binnen één week de overtreding ongedaan te maken door het strijdig gebruik van de woonboot op het onderhavige adres te staken, te laten staken en gestaakt te houden. Indien verzoekers hieraan niet voldoen verbeuren zij een dwangsom van € 11.000,- ineens.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter dient in deze procedure na te gaan of een spoedmaatregel moet worden getroffen omdat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van alle partijen. Er is in de regel geen reden een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het genomen besluit rechtmatig acht. Het oordeel van de voorzieningenrechter is verder niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een overtreding?
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekers de woonboot aanboden voor toeristische verhuur. Verzoekers hebben dit niet betwist. In geschil is of verzoekers de woonboot hebben verhuurd aan toeristen zonder daarvoor een vergunning te hebben.
5.2.
Verzoekers stellen dat zij wel een vergunning hebben en dat ten onrechte is vastgesteld dat zij een (verwijtbare) overtreding hebben begaan. Verzoekers hebben aangegeven dat het een dependance betreft.
5.3.
Uit artikel 23c van de Huisvestingswet blijkt dat het verboden is om een woonruimte voor toeristische verhuur in gebruik te geven indien daarvoor geen vergunning is verleend.
5.4.
Uit het onderzoek komt het volgende naar voren. Verzoekers beschikken niet over een vergunning voor een B&B op de [adres 1] [huisnummer 1] . Daarnaast staat in het rapport dat verzoekers geen hoofdverblijf in de woonruimte hebben. Voorts is geconstateerd dat niet is voldaan aan de registratieplicht. Uit de overgelegde vergunning van 31 maart 2020 volgt dat [verzoeker 2] een vergunning krijgt voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 2] . Hierin staat niet vermeld dat deze vergunning ook geldig is voor [adres 1] [huisnummer 1] . De woonboot aan de [adres 1] [huisnummer 1] wordt ook niet vermeld op de aangeleverde plattegrond van [verzoeker 2] haar B&B-vergunning voor [adres 1] [huisnummer 2] . Bovendien kan niet uit de aanvraag voor de vergunning van [adres 1] [huisnummer 2] worden opgemaakt dat deze aanvraag tevens bedoeld was voor [adres 1] [huisnummer 1] . Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat verzoekers niet over een vergunning voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 1] beschikken. Nu [adres 1] [huisnummer 1] noch in de aanvraag, noch op de plattegrond van de B&B-vergunning van [adres 1] [huisnummer 2] voorkomt, kunnen verzoekers reeds hierom niet worden gevolgd in hun stelling dat sprake is van een dependance.
5.5.
Dat verzoekers de afgelopen jaren de dependance altijd hebben gemeld op hun aangifte voor toeristenbelasting maakt bovenstaande niet anders. Bij de gemeentelijke afdeling belastingen wordt niet gecontroleerd of al dan niet beschikt wordt over een vergunning. Bij die afdeling ligt de focus op de inkomsten uit de toeristische verhuur. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder de last onder dwangsom mocht opleggen. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of verweerder ook mocht handhaven.
Mocht verweerder handhaven?
6.1.
Verzoekers stellen dat er zicht is op legalisatie. Verzoekers hebben hun hoofdverblijf in de woonboot.
6.2.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van concreet zich op legalisatie. Verzoekers hebben op 12 januari 2025 een vergunning voor een B&B aangevraagd op het adres [adres 1] [huisnummer 1] . Deze aanvraag is op 20 januari 2025 afgewezen en verzoekers zijn op een wachtlijst geplaatst omdat het quotum voor het maximale aantal B&B’s is bereikt.
6.4.
Van handhaving kan ook worden afgezien als dit onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
6.5.
Verzoekers voeren aan dat verweerder lang heeft stilgezeten voordat daadwerkelijk de last onder dwangsom werd opgelegd. Inmiddels is het quotum vol. Als verzoekers eerder geïnformeerd waren, hadden zij ook eerder een aanvraag kunnen indienen en had verweerder een vergunning kunnen verlenen voor [adres 1] [huisnummer 1] .
6.6.
De voorzieningenrechter is het eens met verzoekers dat de procedure lang heeft geduurd. Dit betekent ook dat verzoekers als gevolg van het stilzitten van verweerder lange tijd [adres 1] [huisnummer 1] hebben kunnen exploiteren als B&B. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekers redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn dat de B&B vergunning voor [adres 1] [huisnummer 2] niet gold voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 1] . De voorzieningenrechter wijst op een procedure die medio 2022 heeft gespeeld. In die procedure had verweerder een last onder bestuursdwang aan verzoeker [verzoeker 1] opgelegd om zijn pleziervaartuig - dat naast de woonboot [adres 1] [huisnummer 2] lag - uit het binnenwater van Amsterdam te verwijderen. Verzoeker [verzoeker 1] had in die procedure bij de voorzieningenrechter aangegeven dat hij op zijn pleziervaartuig een B&B exploiteerde. De voorzieningenrechter overwoog het volgende: ‘De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij wel een vergunning heeft voor het exploiteren van een bed & breakfast op zijn eigen woonschip, maar niet op zijn pleziervaartuig. Het exploiteren van een bed & breakfast op zijn pleziervaartuig is dus niet toegestaan. Deze exploitatie is daarom geen belang waar verweerder of de voorzieningenrechter rekening mee moet houden en vormt dan ook geen reden om het bestreden besluit te schorsen’. Bovendien kan van verzoekers verlangd worden dat zij op de hoogte zijn van de geldende wet- en regelgeving. De regels zijn openbaar toegankelijk en makkelijk vindbaar via het internet. Dat het lang geduurd heeft voordat de last werd opgelegd vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van de last.
Had verweerder een langere begunstigingstermijn moeten verlenen aan verzoekers?
7.1.
Verzoekers voeren aan dat er een redelijke termijn moet worden gegund om de situatie in lijn te brengen met de geldende wet- en regelgeving. Verzoekers stellen dat zij niet in staat zijn om binnen een week te voorzien in een andere inkomstenbron. Bovendien dienen reeds gemaakte boekingen voor de komende periode geannuleerd te worden, waardoor verzoekers een contractuele boete dreigen te verbeuren. Deze consequenties staan niet in verhouding tot de overtreding gelet op de goede trouw van verzoekers.
7.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat een begunstigingstermijn is bedoeld om een onrechtmatige situatie te beëindigen. Het gaat hier om het stoppen met het exploiteren van de B&B. Niet is gebleken dat de begunstigingstermijn te kort is om de activiteiten rondom de B&B te stoppen en de overtreding te beëindigen. Verzoekers hebben niet concreet gemaakt dat er een boete opgelegd wordt als zij de boekingen annuleren.
Conclusie
8. Naar voorlopig oordeel ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, onvoldoende reden om aan te nemen dat de last onder dwangsom in bezwaar geen stand zal houden. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3578.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/275
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. H.J. Pot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de oplegging van zowel een last onder dwangsom als een bestuurlijke boete.
1.2.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft verweerder aan verzoekers zowel een last onder dwangsom (het primaire besluit I) als een bestuurlijke boete opgelegd en ingevorderd (het primaire besluit II). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzienig te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1] namens verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder. [verzoeker 2] was niet aanwezig.
1.4.
Zoals op zitting besproken, zal deze voorzieningenprocedure uitsluitend betrekking hebben op de opgelegde last onder dwangsom. Verzoekers beogen te bereiken dat de opgelegde last wordt geschorst tot op het bezwaar is beslist.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 2 juni 2022 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de woonboot gelegen aan het adres [adres 1] [huisnummer 1] (hierna ook: de woonboot) in Amsterdam. Naar voren is gekomen dat verzoekers de woonboot verhuren aan toeristen. Ter zitting is naar voren gekomen dat [naam] eigenaar is van de woonboot en dat aan hem een ligplaatsvergunning is afgegeven. Verzoeker [verzoeker 1] heeft op de zitting aangegeven dat hij met instemming van [naam] de woonboot toeristisch verhuurt als Bed & Breakfast (B&B).
2.2.
Verzoekers verhuren nog een andere woonboot voor toeristische verhuur die gelegen is aan het adres [adres 1] [huisnummer 2] . Verzoekster [verzoeker 2] heeft een vergunning voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 2] . Het registratienummer in de advertentie op airbnb.com wordt volgens verweerder voor beide woonboten gebruikt. Het registratienummer in de advertentie hoort echter bij [adres 1] [huisnummer 2] .
2.3.
Verzoeker [verzoeker 1] staat vanaf 23 november 2023 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres 1] [huisnummer 1] . Op [adres 1] [huisnummer 2] staat verzoekster [verzoeker 2] ingeschreven. Op zitting heeft [verzoeker 1] aangegeven dat [adres 1] [huisnummer 2] en de [adres 2] [huisnummer 3] zijn eigendom zijn en dat hij soms hier en soms daar woont. Hij bepaalt zelf waar hij woont. Tegenwoordig woont zijn zoon op de [adres 2] [huisnummer 3] .
2.4.
Op 9 november 2023 hebben toezichthouders van verweerder de woonboot bezocht. Vervolgens hebben de toezichthouders op dezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de heer [verzoeker 1] . Naar aanleiding van het telefoongesprek heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden op 16 november 2023.
2.5.
Op 25 november 2024 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt aan verzoekers een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete op te leggen. Verzoeker [verzoeker 1] heeft daar op 6 december 2024 op gereageerd.
2.6.
Op basis van de bevindingen in het rapport van 2 juni 2022 en 9 november 2023 heeft verweerder het primaire besluit I genomen. Verweerder heeft verzoekers gelast om binnen één week de overtreding ongedaan te maken door het strijdig gebruik van de woonboot op het onderhavige adres te staken, te laten staken en gestaakt te houden. Indien verzoekers hieraan niet voldoen verbeuren zij een dwangsom van € 11.000,- ineens.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter dient in deze procedure na te gaan of een spoedmaatregel moet worden getroffen omdat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van alle partijen. Er is in de regel geen reden een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het genomen besluit rechtmatig acht. Het oordeel van de voorzieningenrechter is verder niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een overtreding?
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekers de woonboot aanboden voor toeristische verhuur. Verzoekers hebben dit niet betwist. In geschil is of verzoekers de woonboot hebben verhuurd aan toeristen zonder daarvoor een vergunning te hebben.
5.2.
Verzoekers stellen dat zij wel een vergunning hebben en dat ten onrechte is vastgesteld dat zij een (verwijtbare) overtreding hebben begaan. Verzoekers hebben aangegeven dat het een dependance betreft.
5.3.
Uit artikel 23c van de Huisvestingswet blijkt dat het verboden is om een woonruimte voor toeristische verhuur in gebruik te geven indien daarvoor geen vergunning is verleend.
5.4.
Uit het onderzoek komt het volgende naar voren. Verzoekers beschikken niet over een vergunning voor een B&B op de [adres 1] [huisnummer 1] . Daarnaast staat in het rapport dat verzoekers geen hoofdverblijf in de woonruimte hebben. Voorts is geconstateerd dat niet is voldaan aan de registratieplicht. Uit de overgelegde vergunning van 31 maart 2020 volgt dat [verzoeker 2] een vergunning krijgt voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 2] . Hierin staat niet vermeld dat deze vergunning ook geldig is voor [adres 1] [huisnummer 1] . De woonboot aan de [adres 1] [huisnummer 1] wordt ook niet vermeld op de aangeleverde plattegrond van [verzoeker 2] haar B&B-vergunning voor [adres 1] [huisnummer 2] . Bovendien kan niet uit de aanvraag voor de vergunning van [adres 1] [huisnummer 2] worden opgemaakt dat deze aanvraag tevens bedoeld was voor [adres 1] [huisnummer 1] . Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat verzoekers niet over een vergunning voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 1] beschikken. Nu [adres 1] [huisnummer 1] noch in de aanvraag, noch op de plattegrond van de B&B-vergunning van [adres 1] [huisnummer 2] voorkomt, kunnen verzoekers reeds hierom niet worden gevolgd in hun stelling dat sprake is van een dependance.
5.5.
Dat verzoekers de afgelopen jaren de dependance altijd hebben gemeld op hun aangifte voor toeristenbelasting maakt bovenstaande niet anders. Bij de gemeentelijke afdeling belastingen wordt niet gecontroleerd of al dan niet beschikt wordt over een vergunning. Bij die afdeling ligt de focus op de inkomsten uit de toeristische verhuur. Dit leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder de last onder dwangsom mocht opleggen. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of verweerder ook mocht handhaven.
Mocht verweerder handhaven?
6.1.
Verzoekers stellen dat er zicht is op legalisatie. Verzoekers hebben hun hoofdverblijf in de woonboot.
6.2.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van concreet zich op legalisatie. Verzoekers hebben op 12 januari 2025 een vergunning voor een B&B aangevraagd op het adres [adres 1] [huisnummer 1] . Deze aanvraag is op 20 januari 2025 afgewezen en verzoekers zijn op een wachtlijst geplaatst omdat het quotum voor het maximale aantal B&B’s is bereikt.
6.4.
Van handhaving kan ook worden afgezien als dit onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
6.5.
Verzoekers voeren aan dat verweerder lang heeft stilgezeten voordat daadwerkelijk de last onder dwangsom werd opgelegd. Inmiddels is het quotum vol. Als verzoekers eerder geïnformeerd waren, hadden zij ook eerder een aanvraag kunnen indienen en had verweerder een vergunning kunnen verlenen voor [adres 1] [huisnummer 1] .
6.6.
De voorzieningenrechter is het eens met verzoekers dat de procedure lang heeft geduurd. Dit betekent ook dat verzoekers als gevolg van het stilzitten van verweerder lange tijd [adres 1] [huisnummer 1] hebben kunnen exploiteren als B&B. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekers redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn dat de B&B vergunning voor [adres 1] [huisnummer 2] niet gold voor een B&B op [adres 1] [huisnummer 1] . De voorzieningenrechter wijst op een procedure die medio 2022 heeft gespeeld. In die procedure had verweerder een last onder bestuursdwang aan verzoeker [verzoeker 1] opgelegd om zijn pleziervaartuig - dat naast de woonboot [adres 1] [huisnummer 2] lag - uit het binnenwater van Amsterdam te verwijderen. Verzoeker [verzoeker 1] had in die procedure bij de voorzieningenrechter aangegeven dat hij op zijn pleziervaartuig een B&B exploiteerde. De voorzieningenrechter overwoog het volgende: ‘De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij wel een vergunning heeft voor het exploiteren van een bed & breakfast op zijn eigen woonschip, maar niet op zijn pleziervaartuig. Het exploiteren van een bed & breakfast op zijn pleziervaartuig is dus niet toegestaan. Deze exploitatie is daarom geen belang waar verweerder of de voorzieningenrechter rekening mee moet houden en vormt dan ook geen reden om het bestreden besluit te schorsen’. Bovendien kan van verzoekers verlangd worden dat zij op de hoogte zijn van de geldende wet- en regelgeving. De regels zijn openbaar toegankelijk en makkelijk vindbaar via het internet. Dat het lang geduurd heeft voordat de last werd opgelegd vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van de last.
Had verweerder een langere begunstigingstermijn moeten verlenen aan verzoekers?
7.1.
Verzoekers voeren aan dat er een redelijke termijn moet worden gegund om de situatie in lijn te brengen met de geldende wet- en regelgeving. Verzoekers stellen dat zij niet in staat zijn om binnen een week te voorzien in een andere inkomstenbron. Bovendien dienen reeds gemaakte boekingen voor de komende periode geannuleerd te worden, waardoor verzoekers een contractuele boete dreigen te verbeuren. Deze consequenties staan niet in verhouding tot de overtreding gelet op de goede trouw van verzoekers.
7.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat een begunstigingstermijn is bedoeld om een onrechtmatige situatie te beëindigen. Het gaat hier om het stoppen met het exploiteren van de B&B. Niet is gebleken dat de begunstigingstermijn te kort is om de activiteiten rondom de B&B te stoppen en de overtreding te beëindigen. Verzoekers hebben niet concreet gemaakt dat er een boete opgelegd wordt als zij de boekingen annuleren.
Conclusie
8. Naar voorlopig oordeel ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, onvoldoende reden om aan te nemen dat de last onder dwangsom in bezwaar geen stand zal houden. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3578.