Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:824
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,042 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 23/5650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Almere, eiser
(gemachtigde: mr. M. Jonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestuurlijke boete die verweerder heeft opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de woonruimtevoorraad.
1.2.
Met het primaire besluit van 11 april 2023 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 17.500,- opgelegd omdat de woning op het adres [adres] [huisnummer] in Diemen (de woning) is onttrokken aan de bestemming bewoning ten behoeve van een hennepplantage. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A. Kilinç als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. Eiser heeft stukken overgelegd en verweerder heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 23 januari 2025 gesloten en doet met toestemming van partijen uitspraak zonder nadere zitting.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Naar aanleiding van de aanhouding van eiser heeft er op 3 januari 2023 een onderzoek door de politie in de woning plaatsgevonden. Hiervan zijn op 4 en 5 januari 2023 processen-verbaal opgemaakt. Daaruit blijkt dat de politie heeft geconstateerd dat er in twee verblijfsruimten van de woning een hennepplantage werd geëxploiteerd. Voorts heeft de politie omstandigheden aangetroffen die duiden op een of meer eerdere opbrengsten uit de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij. Op 4 januari 2023 heeft een controle plaatsgevonden op het gebruik van de woning door een toezichthouder van de gemeente Diemen. De conclusies en bevindingen zijn neergelegd in een opnamerapport van 5 januari 2023.
2.2.
Verweerder heeft, gelet op de bevindingen in de processen-verbaal en het opnamerapport, op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (hierna: Hvw) een bestuurlijke boete opgelegd van € 17.500,- wegens het bedrijfsmatig onttrekken van de woning aan de woonruimtevoorraad ten behoeve van een hennepplantage. Volgens verweerder waren de twee slaapkamers en de badkamer volledig ingericht ten behoeve van de exploitatie van de hennepplantage. De woning werd vermoedelijk incidenteel gebruikt om te verblijven. Dit leidt verweerder af uit de volgende feiten: de badkamer was niet toegankelijk en was derhalve niet te gebruiken, de afvoer van de spoelbak en vaatwasser in de keuken was gedemonteerd, de rookmelder in de hal was gedemonteerd en buiten werking, de politie omstandigheden heeft aangetroffen die duiden op een of meer eerdere opbrengsten uit de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij en de gehele woning gaf een zeer rommelige indruk waarbij het eigenlijk niet mogelijk was hier echt te wonen.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder eiser een bestuurlijke boete mocht opleggen wegens het onttrekken van een woonruimte aan de woonruimtevoorraad zonder de daartoe vereiste vergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overtreding
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van eiser werd gebruikt ten behoeve van een hennepplantage. In geschil is of er vanwege de aangetroffen hennepplantage sprake is van een onttrekking van de woning uit de woningvoorraad. Het moet daarbij gaan om een substantieel deel van de woning dat is onttrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, nu twee van de drie kamers, die de woning telt, in gebruik waren als hennepplantage. Volgens vaste rechtspraak betekent het feit dat niet de gehele woning werd gebruikt voor de hennepplantage niet dat geen sprake is van onttrekking aan de woonruimtevoorraad. Het verbod uit artikel 21 van de Hvw geldt immers voor een woonruimte, waaronder tevens één of enkele kamers wordt verstaan. Evenmin is van belang of de woning feitelijk permanent werd bewoond. De beroepsgrond van eiser dat geen sprake is van woningonttrekking omdat hij wel in de woning woonde, slaagt daarom niet.
Matiging boete
5.1.
Eiser stelt dat vanwege zijn geringe financiële draagkracht toepassing van artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot matiging van de opgelegde bestuurlijke boete dient te leiden. Hij heeft daarbij onder meer aangegeven dat hij langdurig ziek thuis zit en dat het niet is gelukt te re-integreren. Voorzienbaar is dat eiser binnen afzienbare tijd een grote stap achteruit maakt in zijn draagkracht. Nog voor de zitting heeft eiser, ter onderbouwing van zijn standpunt, stukken van het UWV overgelegd over de ingangsdatum van zijn WIA uitkering en de hoogte van de WIA-uitkering. Ook heeft eiser aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 overgelegd en twee screenshots van bankrekeningen.
5.2.
Verweerder kan een lagere boete opleggen als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgelegde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De Afdeling heeft overwogen dat een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb.
5.3.
Op zitting heeft eiser aangevoerd dat hij een ontnemingsvordering aan Justitie heeft betaald. Eiser kan de ontnemingsvordering overleggen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting daarom geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen om zijn financiële positie te onderbouwen. Op zitting is besproken welke stukken hiervoor nodig zijn. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat met name het overleggen van stukken over de ontnemingsvordering van belang is. Verder is eiser in de gelegenheid gesteld om
- stukken over zijn schuld bij Nuon aan te leveren,
- onderbouwd, de gang van zaken uit de doeken te doen met betrekking tot de betaling van de huur na teruggave van de sleutel,
- zijn precieze inkomsten te onderbouwen,
- zijn precieze uitgaven te onderbouwen.
Ook is eiser in de gelegenheid gesteld om bepaalde uitspraken te overleggen die verweerder in de nadere beoordeling kan betrekken. Eiser heeft vervolgens stukken van Liander, UWV en de Belastingdienst overgelegd en verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1266 en 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3938.
5.4.
Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat eiser geen volledige onderbouwing heeft gegeven van zijn financiële situatie. Zo is het gebrek aan inzicht in het uit een overtreding genoten voordeel nog steeds niet hersteld. Daarom kan volgens verweerder nog steeds niet worden beoordeeld of eiser onvoldoende financiële draagkracht heeft om de bestuurlijke boete te voldoen en of eiser door de bestuurlijke boete onevenredig is getroffen. Daar komt bij dat de stukken van Liander de conclusie van de politie over één of meer eerdere opbrengsten uit de hennepplantage bevestigen. De overgelegde stukken tonen slechts aan dat eiser op dit moment alleen inkomsten genereert uit een uitkering. Zonder inzicht in de precieze uitgaven is het niet mogelijk om de stelling van eiser, dat er sprake is van onvoldoende financiële draagkracht, te kunnen beoordelen. Verweerder ziet in de aangehaalde uitspraken geen aanleiding om de boete te matigen. De uitspraak van
27 maart 2024 gaat over het profiteren van een hennepplantage in de woning. Daar was sprake van onderhuur. Deze situatie doet zich hier niet voor. Voorts is er in het onderhavige geval in ieder geval één eerdere opbrengst geweest van de henneplantage. Eiser heeft een verkeerde risico inschatting gemaakt. De gevolgen ervan dienen voor zijn rekening te komen. Vanwege het ontbreken van inzicht van het uit de overtreding genoten voordeel, kan niet worden beoordeeld of er aanleiding is de boete te matigen. De uitspraak van 2 oktober 2024 gaat over de onverbindend verklaarde boetetabel van gemeente Amsterdam. Anders dan in de boetetabel van Amsterdam is in de boetetabel van Diemen wél gedifferentieerd naar onttrekking met- en zonder een bedrijfsmatig karakter en wordt hier wèl onderscheid gemaakt tussen een eerste overtreding en recidive.
5.5.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder. De stukken die eiser heeft overgelegd geven onvoldoende inzicht in zijn financiële positie. Zo heeft eiser geen inzicht gegeven in het uit de hennepplantage genoten voordeel en evenmin heeft hij aangetoond dat hij de ontnemingsvordering heeft voldaan. De hennepplantage was van aanzienlijke omvang en er zijn aanwijzingen die duiden op meerdere opbrengsten uit de exploitatie van de hennepplantage. Er is geen onderbouwing gegeven voor de gestelde huurbetalingen na teruggave van de sleutel. Verweerder heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet kan worden beoordeeld of eiser onvoldoende financiële draagkracht heeft om de bestuurlijke boete te voldoen en of eiser door de bestuurlijke boete onevenredig is getroffen. De omstandigheid dat eiser op dit moment een WIA-uitkering heeft acht ook de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1754.