Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:807
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,816 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Cordaan, uit Amsterdam.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de opgelegde maatregel met betrekking tot zijn Ziektewetuitkering.
Met het primaire besluit van 21 maart 2024 heeft verweerder de uitkering van eiser verlaagd met 10% voor de periode van 4 maart 2024 tot en met 3 mei 2024. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025 door middel van een videoverbinding. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser, werkzaam als leerling verzorgende C voor gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Cordaan (Cordaan), heeft zich op 1 januari 2023 ziekgemeld. Cordaan is eigenrisicodrager voor de Ziektewet. Dit betekent dat Cordaan verantwoordelijk is voor de verzorging en uitbetaling van de Ziektewetuitkering en de begeleiding en ondersteuning van eiser bij re-integratieactiviteiten.
2. Eiser is op 4 maart 2024 niet verschenen op een digitaal spreekuur bij de door Cordaan ingeschakelde arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige heeft dezelfde ochtend driemaal telefonisch contact gezocht met eiser, maar heeft hem niet kunnen bereiken. Cordaan heeft verweerder op 8 maart 2024 verzocht de Ziektewetuitkering van eiser te schorsen, omdat eiser hierdoor een medische claimbeoordeling onmogelijk maakt.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de Ziektewetuitkering van eiser als maatregel met 10% verlaagd van 4 maart 2024 tot en met 3 mei 2024. Volgens verweerder is eiser een verplichting niet nagekomen, omdat hij zonder geldige reden niet aanwezig was op het spreekuur van de arbeidsdeskundige. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de Ziektewetuitkering van eiser voor gedurende twee maanden met 10% heeft verlaagd. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Voor het relevante juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de maatregel heeft opgelegd. Volgens eiser was hij namelijk niet in staat om op de videoafspraak met de arbeidsdeskundige aanwezig te zijn. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij voor het slapen een alarm heeft aangezet, maar dit niet heeft horen afgaan. Daardoor was hij niet op tijd wakker voor de afspraak. Volgens eiser is vermoeidheid een van de bijwerkingen van de medicatie die hij gebruikt. Eiser vindt daarom dat hij om een deugdelijke reden niet op de videoafspraak aanwezig was. Hij heeft ongeveer een uur na de afspraak zich bij de arbeidsdeskundige afgemeld.
6. Verweerder heeft op de zitting de reden van de opgelegde maatregel toegelicht. De arbeidsdeskundige heeft een afspraak met eiser ingepland om de re-integratiemogelijkheden met eiser te bespreken en daarvoor tijd vrijgemaakt. Doordat eiser niet op het spreekuur is geweest, is de re-integratie pas een maand later gestart. Dit brengt ook mee dat eiser een maand langer heeft moeten re-integreren. Eiser heeft volgens verweerder geen deugdelijke reden gegeven waarom hij niet op het spreekuur aanwezig was. Verweerder vindt daarom in dit geval een maatregel op zijn plaats.
7. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was om op het digitale spreekuur te verschijnen. De enkele stelling van eiser dat hij door vermoeidheid als bijwerking van medicijnen de afspraak heeft gemist, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft zijn stelling niet met bijvoorbeeld een verklaring van een medicus onderbouwd. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om op (digitale) afspraken van de arbeidsdeskundige te verschijnen. Indien hij niet aanwezig kan zijn, dient hij dit tijdig voor de afspraak te communiceren. De rechtbank is het eens met verweerder dat, nu eiser zonder goede reden niet is verschenen op de afspraak bij de arbeidsdeskundige, een maatregel voor twee maanden moest worden opgelegd. Dringende redenen om van de maatregel af te zien zijn niet gesteld en ook niet gebleken.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
In artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de Ziektewet is de verplichting neergelegd om mee te werken aan onderzoeken, al dan niet geneeskundig van aard. Enkel indien sprake is van een deugdelijke grond is deze verplichting niet van toepassing. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, worden daar maatregelen aan verbonden in de vorm van tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke verlaging van de uitkering.
In artikel 45, tweede lid, van de Ziektewet is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van het vierde lid kan het verweerder afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
In artikel 45, zesde lid, van de Ziektewet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Dit is geregeld in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit).
In het Maatregelenbesluit is in artikel 2, in samenhang met artikel 4, geregeld dat maatregelen voor schending van verplichtingen uit de tweede categorie – zoals in dit geval sprake van is – 10 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste twee maanden bedragen.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Cordaan, uit Amsterdam.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de opgelegde maatregel met betrekking tot zijn Ziektewetuitkering.
Met het primaire besluit van 21 maart 2024 heeft verweerder de uitkering van eiser verlaagd met 10% voor de periode van 4 maart 2024 tot en met 3 mei 2024. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025 door middel van een videoverbinding. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser, werkzaam als leerling verzorgende C voor gemiddeld 24 uur per week bij Stichting Cordaan (Cordaan), heeft zich op 1 januari 2023 ziekgemeld. Cordaan is eigenrisicodrager voor de Ziektewet. Dit betekent dat Cordaan verantwoordelijk is voor de verzorging en uitbetaling van de Ziektewetuitkering en de begeleiding en ondersteuning van eiser bij re-integratieactiviteiten.
2. Eiser is op 4 maart 2024 niet verschenen op een digitaal spreekuur bij de door Cordaan ingeschakelde arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige heeft dezelfde ochtend driemaal telefonisch contact gezocht met eiser, maar heeft hem niet kunnen bereiken. Cordaan heeft verweerder op 8 maart 2024 verzocht de Ziektewetuitkering van eiser te schorsen, omdat eiser hierdoor een medische claimbeoordeling onmogelijk maakt.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de Ziektewetuitkering van eiser als maatregel met 10% verlaagd van 4 maart 2024 tot en met 3 mei 2024. Volgens verweerder is eiser een verplichting niet nagekomen, omdat hij zonder geldige reden niet aanwezig was op het spreekuur van de arbeidsdeskundige. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de Ziektewetuitkering van eiser voor gedurende twee maanden met 10% heeft verlaagd. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Voor het relevante juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de maatregel heeft opgelegd. Volgens eiser was hij namelijk niet in staat om op de videoafspraak met de arbeidsdeskundige aanwezig te zijn. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij voor het slapen een alarm heeft aangezet, maar dit niet heeft horen afgaan. Daardoor was hij niet op tijd wakker voor de afspraak. Volgens eiser is vermoeidheid een van de bijwerkingen van de medicatie die hij gebruikt. Eiser vindt daarom dat hij om een deugdelijke reden niet op de videoafspraak aanwezig was. Hij heeft ongeveer een uur na de afspraak zich bij de arbeidsdeskundige afgemeld.
6. Verweerder heeft op de zitting de reden van de opgelegde maatregel toegelicht. De arbeidsdeskundige heeft een afspraak met eiser ingepland om de re-integratiemogelijkheden met eiser te bespreken en daarvoor tijd vrijgemaakt. Doordat eiser niet op het spreekuur is geweest, is de re-integratie pas een maand later gestart. Dit brengt ook mee dat eiser een maand langer heeft moeten re-integreren. Eiser heeft volgens verweerder geen deugdelijke reden gegeven waarom hij niet op het spreekuur aanwezig was. Verweerder vindt daarom in dit geval een maatregel op zijn plaats.
7. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was om op het digitale spreekuur te verschijnen. De enkele stelling van eiser dat hij door vermoeidheid als bijwerking van medicijnen de afspraak heeft gemist, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft zijn stelling niet met bijvoorbeeld een verklaring van een medicus onderbouwd. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om op (digitale) afspraken van de arbeidsdeskundige te verschijnen. Indien hij niet aanwezig kan zijn, dient hij dit tijdig voor de afspraak te communiceren. De rechtbank is het eens met verweerder dat, nu eiser zonder goede reden niet is verschenen op de afspraak bij de arbeidsdeskundige, een maatregel voor twee maanden moest worden opgelegd. Dringende redenen om van de maatregel af te zien zijn niet gesteld en ook niet gebleken.
Conclusie
8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
In artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de Ziektewet is de verplichting neergelegd om mee te werken aan onderzoeken, al dan niet geneeskundig van aard. Enkel indien sprake is van een deugdelijke grond is deze verplichting niet van toepassing. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, worden daar maatregelen aan verbonden in de vorm van tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke verlaging van de uitkering.
In artikel 45, tweede lid, van de Ziektewet is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van het vierde lid kan het verweerder afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
In artikel 45, zesde lid, van de Ziektewet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Dit is geregeld in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit).
In het Maatregelenbesluit is in artikel 2, in samenhang met artikel 4, geregeld dat maatregelen voor schending van verplichtingen uit de tweede categorie – zoals in dit geval sprake van is – 10 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste twee maanden bedragen.