Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-07-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:7877
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/3832 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigden: mr. F.R.G. Keijzer en mr. L. Wortelboer) en de korpschef van politie, verweerder (hierna: korpschef), (gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. 1.1. Ten behoeve van eiser is door [bedrijf] op 2 december 2023 toestemming verzocht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wprb). 1.2. Bij besluit van 5 januari 2024 (het primaire besluit) is aan eiser kenbaar gemaakt dat de toestemming wordt onthouden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar ingediend. Vervolgens heeft er op 17 april 2024 een hoorzitting plaatsgevonden. 1.3. Bij besluit van 28 mei 2024 (het bestreden besluit) is de korpschef bij de afwijzing gebleven en is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 8 juli 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van de korpschef deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond maar blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het bestreden besluit 4. De korpschef heeft de door eiser gevraagde toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wprb onthouden op grond van de volgende feiten en omstandigheden: a. Aan eiser is op 5 augustus 2022 een strafbeschikking opgelegd door de officier van justitie, voor het niet voldoen aan een bevel/vordering (hierna: feit 1). Dit feit betreft een misdrijf en eiser diende een boete te betalen. Tegen de strafbeschikking heeft eiser verzet ingesteld. De officier van justitie heeft op 26 oktober 2022 besloten eiser niet meer te vervolgen en de opgelegde strafbeschikking in te trekken. Uit de onderliggende politieregistraties blijkt dat eiser zich tijdens het aanhouden van een vriend van hem bemoeide met deze aanhouding. Eiser is meerdere malen verzocht weg te gaan. De verbalisant voelde zich dusdanig bedreigd dat hij zich genoodzaakt voelde zijn stroomstootwapen te pakken en dit wapen op eiser te richten om hem op afstand te houden. Daarna werd eiser aangehouden. Uiteindelijk is eiser niet als verdachte verhoord, omdat hij dusdanig recalcitrant was. Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een vooral op 28 mei 2019 in Den Haag (hierna: feit 2). Eiser zou een medewerkster van een winkel hebben bedreigd, nadat er iets niet goed zou zijn gegaan bij het op naam zetten van een voertuig. Eiser zou tegen de medewerkster hebben geschreeuwd en hebben gezegd dat hij haar in het gezicht wilde slaan. Eiser heeft vervolgens de winkel verlaten, waarna de politie is gebeld. Volgens verbalisanten was eiser zeer emotioneel en bij vlagen agressief. De verbalisanten zagen dat eiser ook een boete open had staan die gelijk betaald diende te worden. Volgens de verbalisanten heeft eiser enorm stampij gemaakt en wenste hij niet mee te werken. Onder dwang is eiser vervolgens geboeid en in de politieauto geplaatst. Volgens de verbalisanten was eiser in de auto zeer rustig en zelfs vriendelijk, waardoor het leek alsof hij twee gezichten had. Eiser heeft meerdere verkeersboetes op zijn naam gekregen. - Op 15 januari 2022 heeft eiser twee strafbeschikkingen gekregen van ieder 360 euro voor het besturen van een voertuig op 18 en 19 oktober 2019, terwijl hij niet in bezit was van enig rijbewijs. Rijden zonder rijbewijs betref - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 31 mei 2020 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van een ruzie tussen drie huurders en een verhuurder kwamen de verbalisanten naar de woning van eiser. Eiser zou de woning heeft verhuurd aan derden zonder hier iets over op papier te zetten. Eiser verklaarde hierover dat het ging om een vriendendienst. Volgens de verbalisanten was eiser flink aan het schreeuwen. Eiser zou op dat moment willen dat de huurders per direct de woning zouden verlaten, zonder hen de tijd te geven om hun spullen te pakken. Eiser vond dat hij in zijn recht stond en vond ook dat hij alle spullen van de huurders uit zijn woning mocht gooien. Hij zou bang zijn voor de boetes die hij zou krijgen als uit zou komen dat hij zijn woning verhuurd. Volgens verbalisanten was eiser erg dwingend en agressief tegen de huurders. Daarnaast heeft eiser de spullen van de huurders opgepakt en in de tuin gegooid. Volgens de verbalisanten bleef eiser de verbalisanten filmen en recalcitrant naar de verbalisanten doen. Eiser probeerde hen uit te dagen en de grenzen op te zoeken. Bovendien zou eiser slecht naar de verbalisanten hebben geluisterd en alleen hebben gehoord wat hij wilde horen. Nadat de huurders uit de woning waren vertrokken, was eiser boos dat de woning vies zou zijn achtergelaten. Hierop werd eiser wederom boos en dwingend en begon eiser te schreeuwen en te tieren. - Uit de politieregistratie blijkt dat eiser betrokken is geweest bij een voorval op 15 januari 2022 in Amsterdam. Verbalisanten passeerden een voertuig dat langzaam reed en waarvan, na een controle, de te naam gestelde van het voertuig geen rijbewijs zou hebben. Verbalisanten gingen het gesprek aan met de bestuurder, eiser, en de bijrijder. Volgens verbalisanten lette eiser erg op welke antwoorden de bijrijder gaf. Vervolgens schreeuwde eiser dat de bijrijder zijn raam dicht moest doen en geen antwoord mocht geven op de vragen die de verbalisanten stelden. De bijrijder mocht ook zijn legitimatiebewijs van eiser niet overhandigen aan de verbalisanten. Eiser werd vervolgens verbaal agressief toen de verbalisant het portier van de bijrijder wilde openen. Eiser heeft het voorval gefilmd. 4.1. In het bestreden besluit is verder het volgende opgenomen. De korpschef heeft beoordelingsvrijheid bij het vaststellen of iemand voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Aan eiser wordt de strafbeschikking van feit 1 niet tegengeworpen, omdat de zaak is geseponeerd. De onderliggende gedragingen worden wel aan eiser tegengeworpen, op grond van paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels . Er was sprake van een beleidssepot. De intrekking van de strafbeschikking betekent niet dat daarmee de verdenkingen van de feiten ook zijn ingetrokken. Ook de strafbeschikking uit feit 2 wordt eiser niet tegengeworpen, aangezien deze op grond van paragraaf 3.3, onder a, van de Beleidsregels, buiten de terugkijktermijn van vier jaar valt. De onderliggende gedragingen worden wel aan eiser tegengeworpen, op grond van paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels. Verder geven de in rechtsoverweging 4 onder c genoemde verkeersovertredingen de indruk dat eiser gemakkelijk rechtsregels naast zich neerlegt. De in rechtsoverweging 4 onder d genoemde gedragingen getuigen niet van het beschikken over voldoende de-escalerend vermogen. De korpschef concludeert dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Het juridisch kader 5. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Feit 1 en feit 2 Wat vindt eiser? 6. Eiser stelt dat zowel feit 1 als feit 2 ten onrechte aan hem zijn tegengeworpen. Zo stelt de korpschef zich op het standpunt dat de strafbeschikking van feit 2 niet aan eiser wordt tegengeworpen omdat dit buiten de terugkijktermijn van vier jaar valt. De onderliggende gedragingen rond dit f Ernstige aantastingen van de rechtsorde Wat vindt eiser? 7. Eiser stelt dat geen sprake is van ernstige aantastingen van de rechtsorde als bedoeld in de b-grond van het beleid. In zijn geval is sprake van lichte verkeersovertredingen of registraties van politieambtenaren, die niet voldoen aan dit criterium. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 11 november 2015. De korpschef heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een ernstige aantasting van de rechtsorde. Wat vindt de korpschef? 7.1. De korpschef stelt zich op het standpunt dat hoewel eiser niet strafrechtelijk veroordeeld is, hij wel herhaaldelijk voorkomt in het politiesysteem. De verdenkingen bestaan onder andere uit agressie en recalcitrant gedrag, met name naar politieambtenaren. Dit zijn verdenkingen die naar zijn aard niet passen bij een medewerker die werkzaamheden wil verrichten in de beveiligingsbranche. Van beveiligers wordt ook verwacht dat zij zowel tijdens werk- als in privésituaties de-escalerend optreden. Van een aankomend beveiligingsmedewerker mag immers verwacht worden dat deze op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving en zich daar stipt aan houdt. De korpschef kent eveneens gewicht toe aan de verkeersboetes, nu het naast zich neerleggen van rechtsregels een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. Van een aankomend beveiligingsmedewerker mag immers verwacht worden dat deze op de hoogte is van geldende wet- en regelgeving en zich daar stipt aan houdt. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7.2. De rechtbank overweegt dat de korpschef als maatstaf hanteert dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn. De korpschef mag zich daarbij in redelijkheid op het standpunt stellen dat van beveiligingsmedewerkers bij uitstek een coöperatieve samenwerking met de politie en andere gezagsdragers mag worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Het structureel naast zich neerleggen van (verkeers)wet- en regelgeving vormt die ernstige aantasting. Hierbij is van belang dat de wetgever met de meermalen door eiser overtreden rechtsregels heeft beoogd de verkeersveiligheid te beschermen. De beroepsgrond slaagt niet. De betrouwbaarheid van de mutaties Wat vindt eiser? 8. Op de zitting heeft eiser vervolgens een nieuwe grond naar voren gebracht. Hij stelt dat de mutaties waar de korpschef zich op baseert niet kloppen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8.1. De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat eiser met de enkele stelling dat de mutaties niet kloppen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat getwijfeld moet worden aan de door verschillende ambtenaren opgemaakte mutaties. De beroepsgrond slaagt niet. Gedragsveranderingen en evenredigheid Wat vindt eiser? 9. Eiser stelt vervolgens dat de korpschef zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser blijkbaar blijft persisteren in het eerder genoemde gedrag en om die reden getwijfeld moet worden aan zijn zelfbeheersing en zelfinzicht. Eiser heeft sinds maart 2023, inmiddels meer dan twee jaar geleden, geen nieuwe gedragingen gepleegd of meldingen gehad die deze stelling kunnen ondersteunen. Eiser heeft juist actief gewerkt aan gedragsverandering, onder meer door het volgen van traumatherapie, waarmee hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn verleden en duidelijke stappen heeft gezet richting structurele verbetering. De korpschef moet een evenwichtige belangenafweging maken tussen het doel van de regelgeving en de ingrijpende gevolgen voor eiser. Dit heeft de korpschef ten onrechte nagelaten. De gedragingen waarop de beslissing is gebaseerd dateren voornamelijk uit 2019-2020. De toestemming is daarnaast aangevraagd voor beveiligingswerkzaamheden binnen een datacenter, zonder direct of risicovol contact met publiek. Nadat eiser de benodigde toestemming werd geweigerd, kon hij niet Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2022 meent eiser dat de korpschef had moeten afwijken van de vastgestelde terugkijktermijn. 10.1. De hardheidsclausule uit artikel 3.3 van de Beleidsregels houdt in dat de korpschef een termijn, waarbinnen relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, kan verkorten. Uit het imperatieve karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr volgt dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Dat betekent dat de korpschef bij een beroep op de hardheidsclausule alleen omstandigheden mag betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. Voor een verdere belangenafweging is geen plaats . Het is aan degene die een beroep doet op de hardheidsclausule om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan voldoende aannemelijk kan worden geacht dat hij beschikt over de benodigde betrouwbaarheid. 10.2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen andere omstandigheden naar voren heeft gebracht dan hiervoor in rechtsoverweging 9 vermeld. De korpschef heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat om dezelfde redenen zoals vermeld in rechtsoverweging 9.1 en 9.2 geen aanleiding bestaat om in eisers geval een kortere terugkijktermijn te hanteren. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8 van het EVRM Wat vindt eiser? 11. Het onthouden van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden vormt in het geval van eiser inmenging in zijn recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Nadat eiser de benodigde toestemming werd geweigerd, kon hij niet als beveiliger aan de slag en raakte hij zijn baan als servicemedewerker kwijt. Het besluit heeft daarmee directe gevolgen gehad voor zijn werk, inkomen, dagelijkste structuur en het raakt aan zijn recht op persoonlijke ontwikkeling, maatschappelijke integratie en bestaanszekerheid. Wat vindt de korpschef? 11.1. De korpschef stelt zich op het standpunt dat artikel 7, vierde lid, van het Wpbr een dwingend karakter heeft. De korpschef benadrukt daarbij dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn. Er is daarom geen sprake van een verboden inmenging in het recht op privéleven. Wat is het oordeel van de rechtbank? 11.2. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verboden beperking van het recht op het privéleven. Daarvoor is van belang dat het vereiste van toestemming door de korpschef is opgenomen in de Wpbr en de beperking dus bij wet is voorzien. Het vereiste van toestemming en daarmee het oordeel van de korpschef over de betrouwbaarheid van eiser is verder noodzakelijk om de openbare veiligheid te beschermen. Eiser heeft tot slot niet concreet onderbouwd en ook is niet gebleken dat sprake is van strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De beroepsgrond slaagt niet. Zorgvuldigheidsbeginsel 12. Eiser meent tot slot dat het bestreden besluit op gespannen voet staat met het zorgvuldigheidsbeginsel vanwege alinea’s die abusievelijk zijn overgenomen uit een ander besluit. De rechtbank volgt dat niet. Zoals de korpschef terecht heeft opgemerkt was sprake van een kennelijke verschrijving in het primaire besluit. In bezwaar heeft een volledige heroverweging plaatsgevonden, waarbij de verschrijving is hersteld. Conclusie en gevolgen 13. Slotsom is dat de korpschef met toepassing van de Beleidsregels redelijkerwijs het standpunt kon innemen dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. 13.1. De rechtbank komt wel tot de conclusie dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek heeft en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De (veroordelingen andere rechterlijke uitspraken) De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet: binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of, binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd (…) Transacties en strafbeschikkingen Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. (…) Afwijking termijnen De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang. (…) Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Sepots, processen-verbaal en mutaties Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat. Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren. (…) Termijn De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd. Op grond van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Met kenmerken PL1300-2022163582 en PL1300-2022163586. Kenmerk PL1300-2019160745. Kenmerk PL1500-2019218901. Kenmerk PL1300-2019259465. Kenmerk PL1300-2020022924. Kenmerk PL1300-2020032037. Kenmerk PL1500-2020064415. Kenmerk PL1300-2020112893. Kenmerk PL1300-2022009280. Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Beleidsregels). Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. De korpschef verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2950, onder 4.3. ECLI:NL:RVS:2015:3462. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:30, rechtsoverweging 4.1 en van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:403. Zie bijvoorbeeld de ui