Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:7827
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,704 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/216624-25
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2025 door de Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6), Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Slowaakse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Slowaakse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot voorleiding voor uitvoering van gevangenisstraf van 21 mei 2025 (kenmerk 16 Nt 2821/2023), uitgevaardigd door Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6), een vonnis van de Krajský soud v Plzni (Regionale Rechtbank Pilsen) van 9 februari 2021 met kenmerk 4 T 5/2019 en een beschikking van de Vrchní soud v Praze (Hogere Rechtbank Praag) van 15 juli 2021 met kenmerk 2 To 39/2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2300 dagen, zes uur en 25 minuten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde uitspraken.
Deze uitspraken betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt allereerst vast dat het bevel tot voorleiding voor uitvoering van gevangenisstraf van de Rechtbank Praag van 21 mei 2025 geen beslissing is waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd, nu dit bevel enkel ziet op de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf, na een eerdere onderbreking van die straf in verband met de bevalling van de opgeëiste persoon van haar kind. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Op basis van aanvullende informatie van de Tsjechische autoriteiten van 19 september 2025 stelt de rechtbank vast dat een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden bij de higher court of Prague met kenmerk 2 To 39/2021. Dat proces heeft geleid tot het in het EAB vermelde arrest van 15 juli 2021. Uit de aanvullende informatie volgt verder dat met dat arrest de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom die beslissing toetsen aan artikel 12 OLW.
Op 19 september 2025 hebben de Tsjechische autoriteiten ook onderdeel van d) van het EAB ingevuld voor de procedure in hoger beroep. Hieruit volgt dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Daarnaast is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2021 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien zij niet verschijnt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
5Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/216624-25
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2025 door de Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6), Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Slowaakse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Slowaakse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot voorleiding voor uitvoering van gevangenisstraf van 21 mei 2025 (kenmerk 16 Nt 2821/2023), uitgevaardigd door Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6), een vonnis van de Krajský soud v Plzni (Regionale Rechtbank Pilsen) van 9 februari 2021 met kenmerk 4 T 5/2019 en een beschikking van de Vrchní soud v Praze (Hogere Rechtbank Praag) van 15 juli 2021 met kenmerk 2 To 39/2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2300 dagen, zes uur en 25 minuten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde uitspraken.
Deze uitspraken betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt allereerst vast dat het bevel tot voorleiding voor uitvoering van gevangenisstraf van de Rechtbank Praag van 21 mei 2025 geen beslissing is waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd, nu dit bevel enkel ziet op de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf, na een eerdere onderbreking van die straf in verband met de bevalling van de opgeëiste persoon van haar kind. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Op basis van aanvullende informatie van de Tsjechische autoriteiten van 19 september 2025 stelt de rechtbank vast dat een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden bij de higher court of Prague met kenmerk 2 To 39/2021. Dat proces heeft geleid tot het in het EAB vermelde arrest van 15 juli 2021. Uit de aanvullende informatie volgt verder dat met dat arrest de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom die beslissing toetsen aan artikel 12 OLW.
Op 19 september 2025 hebben de Tsjechische autoriteiten ook onderdeel van d) van het EAB ingevuld voor de procedure in hoger beroep. Hieruit volgt dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Daarnaast is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2021 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien zij niet verschijnt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
5Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Obvodní soud pro Prahu 6 (Rechtbank Praag 6) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.