Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:7825
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,908 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-223274-25
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 25 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2025 door the Pest Central District Court, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van de Hongaarse autoriteiten van 6 oktober 2025, een national arrest warrant van the Pest Central District Court met referentienummer 10.B.10.213/2025/4, uitgevaardigd op 27 maart 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het in bezit hebben van een kleine hoeveelheid verdovende middelen en het gebruik daarvan. Het gaat dus niet om handel in verdovende middelen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is het lijstfeit niet in redelijkheid aangekruist, omdat in Hongarije op dit feit een maximumstraf van twee jaar is gesteld. Het feit is dubbel strafbaar, omdat de stoffen staan vermeld op lijst II van de Opiumwet.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
In het EAB is in onderdeel C echter aangegeven dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van twee jaren is gesteld. Om die reden valt het feit waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt niet onder een lijstfeit.
Dat een feit, ondanks het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit, geen lijstfeit oplevert, kan niet direct tot weigering van de overlevering leiden. In zo’n geval moet de rechtbank nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht. Pas wanneer ook naar Nederlands recht de strafbaarheid van het feit ontbreekt, rijst de vraag of de rechtbank gebruik maakt van de haar in de OLW geboden facultatieve weigeringsgrond.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 6 van de Opiumwet; en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 6 van de Opiumwet, meermalen gepleegd.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Hongarije
Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken op basis van het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Bij brief van 24 september 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law een brief van de Hungarian Prison Service (ongedateerd) opgestuurd met informatie over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar verwachting zal worden gedetineerd.
Op 7 oktober 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie per e-mail een correcte Nederlandse vertaling van de hiervoor genoemde detentiegarantie verstrekt. Uit deze informatie blijkt, voor zover van belang, het volgende:
“Inzake de bij de bevoegde Nederlandse autoriteiten aanhangige overleveringsprocedure op grond van een Europees aanhoudingsbevel, met bovengenoemd kenmerk en betreffende [de opgeëiste persoon] (geboren op [geboortedag] -2000), deel ik u het volgende mede. (…)
Op basis van de thans beschikbare informatie – met inachtneming van het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Centrale Districtsrechtbank van Pest – wordt betrokkene naar verwachting tijdens zijn voorlopige hechtenis in de Hoofdstedelijke Penitentiaire Inrichting geplaatst. (…)
Bovengenoemde persoon zal na het opleggen van een onherroepelijke gevangenisstraf worden overgeplaatst naar de Landelijke Penitentiaire Inrichting van Szombathely. (…)
Voorts wordt gegarandeerd dat [de opgeëiste persoon] gedurende zijn detentie niet in de Landelijke Penitentiaire Inrichting van Tiszalök zal worden geplaatst. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de verstrekte detentiegarantie niet voldoende is, omdat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering langdurig wordt geplaatst in een politiecel, hetgeen onwenselijk is. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verwezen naar het CPT-rapport van 3 december 2024, waarin staat vermeld dat politiecellen ongeschikt zijn voor langdurige detentie.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Pest Central District Court, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.
Bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 13 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1257, na de tussenuitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:232
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-223274-25
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 25 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2025 door the Pest Central District Court, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van de Hongaarse autoriteiten van 6 oktober 2025, een national arrest warrant van the Pest Central District Court met referentienummer 10.B.10.213/2025/4, uitgevaardigd op 27 maart 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het in bezit hebben van een kleine hoeveelheid verdovende middelen en het gebruik daarvan. Het gaat dus niet om handel in verdovende middelen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is het lijstfeit niet in redelijkheid aangekruist, omdat in Hongarije op dit feit een maximumstraf van twee jaar is gesteld. Het feit is dubbel strafbaar, omdat de stoffen staan vermeld op lijst II van de Opiumwet.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
In het EAB is in onderdeel C echter aangegeven dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van twee jaren is gesteld. Om die reden valt het feit waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt niet onder een lijstfeit.
Dat een feit, ondanks het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit, geen lijstfeit oplevert, kan niet direct tot weigering van de overlevering leiden. In zo’n geval moet de rechtbank nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht. Pas wanneer ook naar Nederlands recht de strafbaarheid van het feit ontbreekt, rijst de vraag of de rechtbank gebruik maakt van de haar in de OLW geboden facultatieve weigeringsgrond.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 6 van de Opiumwet; en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 6 van de Opiumwet, meermalen gepleegd.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Hongarije
Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken op basis van het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Bij brief van 24 september 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law een brief van de Hungarian Prison Service (ongedateerd) opgestuurd met informatie over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar verwachting zal worden gedetineerd.
Op 7 oktober 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie per e-mail een correcte Nederlandse vertaling van de hiervoor genoemde detentiegarantie verstrekt. Uit deze informatie blijkt, voor zover van belang, het volgende:
“Inzake de bij de bevoegde Nederlandse autoriteiten aanhangige overleveringsprocedure op grond van een Europees aanhoudingsbevel, met bovengenoemd kenmerk en betreffende [de opgeëiste persoon] (geboren op [geboortedag] -2000), deel ik u het volgende mede. (…)
Op basis van de thans beschikbare informatie – met inachtneming van het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Centrale Districtsrechtbank van Pest – wordt betrokkene naar verwachting tijdens zijn voorlopige hechtenis in de Hoofdstedelijke Penitentiaire Inrichting geplaatst. (…)
Bovengenoemde persoon zal na het opleggen van een onherroepelijke gevangenisstraf worden overgeplaatst naar de Landelijke Penitentiaire Inrichting van Szombathely. (…)
Voorts wordt gegarandeerd dat [de opgeëiste persoon] gedurende zijn detentie niet in de Landelijke Penitentiaire Inrichting van Tiszalök zal worden geplaatst. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de verstrekte detentiegarantie niet voldoende is, omdat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering langdurig wordt geplaatst in een politiecel, hetgeen onwenselijk is. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verwezen naar het CPT-rapport van 3 december 2024, waarin staat vermeld dat politiecellen ongeschikt zijn voor langdurige detentie.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Pest Central District Court, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 3 maart 2020, C-717/18, ECLI:EU:C:2020:142 (X (Europees aanhoudingsbevel – Dubbele strafbaarheid)), punt 42.
Bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 13 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1257, na de tussenuitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:232
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.