Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:7822
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,730 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-160729-25
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 26 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2023 door the Regional Court in Rzeszów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
verblijvende op het adres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 21 augustus 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, derde lid, OLW en nog een keer met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De tussenuitspraak van 4 september 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in het remand regime in Polen. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van dertig dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 8 oktober 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 8 oktober 2025 – na toestemming – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 4 september 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4), en deels over artikel 11 OLW, te weten met betrekking tot de Poolse rechtsstaat-problematiek (paragraaf 5.1). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
4Artikel 11: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5.2 van de tussenuitspraak van 4 september 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden als hier eveneens herhaald en ingelast beschouwd.
Ten aanzien van de detentieomstandigheden in remand regimes in Polen
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak aan de hand van de aanvullende informatie van 25 juni 2025 heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden geplaatst in the Penitentiary Facility in Rzeszów, dat hij minstens 3 m2 persoonlijke celruimte (exclusief sanitair) zal hebben, en dat een persoonlijke celruimte van 4 m2 niet kan worden gegarandeerd. De rechtbank was van oordeel dat de informatie over het aantal uren buiten cel (onder D) niet de garantie bevatte dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kon verblijven, omdat dit blijkens de verstrekte informatie afhankelijk was van zijn gedrag, of hij tegen vergoeding arbeid verrichtte en of hij als gevaarlijk kon worden aangemerkt. Vooral de omstandigheid ‘gedrag’ was voor de rechtbank te onbepaald om te kunnen oordelen dat ten minste twee uur per dag verblijven buiten de cel voldoende is gegarandeerd.
In een mailbericht van 16 september 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“Can you guarantee that, if Mr [de opgeëiste persoon] expresses the wish to be employed AND take part in any and all activities offered to him, he will have the opportunity to spend at least 2 hours a day outside his cell?”
De Head of the Podkarpacki Field Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Public Prosecutor's Office in Rzeszów heeft op 19 september 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Mr [de opgeëiste persoon] will have a possibility to spend two hours per day outside his cell if he expresses willingness to undertake work, to participate in religious practices, to participate in visits with his close relatives, and if he declares readiness to participate in all activities offered, including cultural and educational activities.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de overlevering niet kan worden toegestaan op grond van artikel 11 OLW. De verstrekte garantie is niet voldoende, omdat wordt aangegeven dat de opgeëiste persoon een – en niet de – mogelijkheid krijgt om twee uur per dag buiten zijn cel te verblijven als hij bereidheid toont om mee te doen aan de aangeboden activiteiten. Hierdoor wordt de deelname nog steeds afhankelijk gemaakt van het gedrag van de opgeëiste persoon. Daarnaast wordt niet aangegeven aan welke activiteiten de opgeëiste persoon kan deelnemen en wanneer en hoe vaak deze worden aangeboden. De raadsvrouw verzoekt daarom om geen gevolg te geven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en haar verzoek is dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Als voor de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte wordt gegarandeerd, neemt de garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven in ieder geval het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 september 2025 aanleiding gezien om haar rechtspraak op dit punt te preciseren.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:6463.
Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-160729-25
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 26 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2023 door the Regional Court in Rzeszów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
verblijvende op het adres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 21 augustus 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 21 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, derde lid, OLW en nog een keer met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De tussenuitspraak van 4 september 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in het remand regime in Polen. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van dertig dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 8 oktober 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 8 oktober 2025 – na toestemming – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 4 september 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4), en deels over artikel 11 OLW, te weten met betrekking tot de Poolse rechtsstaat-problematiek (paragraaf 5.1). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
4Artikel 11: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5.2 van de tussenuitspraak van 4 september 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden als hier eveneens herhaald en ingelast beschouwd.
Ten aanzien van de detentieomstandigheden in remand regimes in Polen
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak aan de hand van de aanvullende informatie van 25 juni 2025 heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden geplaatst in the Penitentiary Facility in Rzeszów, dat hij minstens 3 m2 persoonlijke celruimte (exclusief sanitair) zal hebben, en dat een persoonlijke celruimte van 4 m2 niet kan worden gegarandeerd. De rechtbank was van oordeel dat de informatie over het aantal uren buiten cel (onder D) niet de garantie bevatte dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kon verblijven, omdat dit blijkens de verstrekte informatie afhankelijk was van zijn gedrag, of hij tegen vergoeding arbeid verrichtte en of hij als gevaarlijk kon worden aangemerkt. Vooral de omstandigheid ‘gedrag’ was voor de rechtbank te onbepaald om te kunnen oordelen dat ten minste twee uur per dag verblijven buiten de cel voldoende is gegarandeerd.
In een mailbericht van 16 september 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“Can you guarantee that, if Mr [de opgeëiste persoon] expresses the wish to be employed AND take part in any and all activities offered to him, he will have the opportunity to spend at least 2 hours a day outside his cell?”
De Head of the Podkarpacki Field Division of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Public Prosecutor's Office in Rzeszów heeft op 19 september 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Mr [de opgeëiste persoon] will have a possibility to spend two hours per day outside his cell if he expresses willingness to undertake work, to participate in religious practices, to participate in visits with his close relatives, and if he declares readiness to participate in all activities offered, including cultural and educational activities.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de overlevering niet kan worden toegestaan op grond van artikel 11 OLW. De verstrekte garantie is niet voldoende, omdat wordt aangegeven dat de opgeëiste persoon een – en niet de – mogelijkheid krijgt om twee uur per dag buiten zijn cel te verblijven als hij bereidheid toont om mee te doen aan de aangeboden activiteiten. Hierdoor wordt de deelname nog steeds afhankelijk gemaakt van het gedrag van de opgeëiste persoon. Daarnaast wordt niet aangegeven aan welke activiteiten de opgeëiste persoon kan deelnemen en wanneer en hoe vaak deze worden aangeboden. De raadsvrouw verzoekt daarom om geen gevolg te geven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en haar verzoek is dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Als voor de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte wordt gegarandeerd, neemt de garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven in ieder geval het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 september 2025 aanleiding gezien om haar rechtspraak op dit punt te preciseren.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:6463.
Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.