Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:7765
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,252 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/305401-24
Datum uitspraak: 23 mei 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2025, waarna direct mondeling uitspraak is gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Stein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], en van wat [medewerker Slachtofferhulp] van Slachtofferhulp Nederland, namens hen naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 september 2024 schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van één of meerdere sleutels, toebehorende aan [benadeelde partij 1], uit een woning aan de [adres 2] door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij de diefstal van de weggenomen sleutels. Verdachte is niet degene geweest die de sleutels heeft weggenomen uit de woning. Ook heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft gezien dat er sleutels uit de woning werden weggenomen. Verder heeft verdachte verklaard dat er voorafgaand aan het betreden van de woning onderling niet is besproken dat er bij de woninginbraak sleutels zouden worden weggenomen. Het opzet van verdachte was niet gericht op het wegnemen van sleutels, maar op het wegnemen van waardevolle goederen uit de woning. De raadsman heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van een poging tot diefstal van waardevolle goederen uit de woning. Omdat dit niet is ten laste gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken.
3.3
Beoordeling
De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het ten laste gelegde is bewezen.
Uit de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring blijkt dat verdachte en de medeverdachten gezamenlijk het opzet hadden om in te breken in de woning en daar goederen weg te nemen. Dit plan hebben zij vervolgens gezamenlijk uitgevoerd. Zij zijn gezamenlijk – met gereedschap in de auto – naar de woning gereden en de woning binnen gegaan. In de woning zijn zij niet bij elkaar gebleven, maar hebben zij zich verspreid over verschillende ruimtes en verdiepingen van de woning. Bij de inbraak zijn twee sleutels uit de woning weggenomen. Hoewel vast is komen te staan dat verdachte niet degene is geweest die de sleutels heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte – door zo te handelen, waarbij er niet steeds zicht is op elkaars gedragingen – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat één van de medeverdachten goederen, zoals sleutels, uit de woning zou wegnemen, zonder dat hij daarvan op de hoogte was. Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat er voorafgaand aan het betreden van de woning onderling niet is besproken dat er sleutels zouden worden weggenomen en hij dat niet zou hebben zien gebeuren, maakt dit dus niet anders. Dat sleutels op zichzelf geen waardevolle goederen zijn en dat het opzet van verdachte alleen op het wegnemen van waardevolle goederen was gericht, maakt dit evenmin anders, omdat sleutels in het kader van een inbraak ook kunnen worden weggenomen omdat zij op een andere plek in de woning mogelijk toegang kunnen bieden tot waardevolle goederen. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten bij de diefstal van de sleutels uit de woning.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 21 september 2024 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aan de [adres 2], alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, sleutels, die aan [benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Motivering
5.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uren.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman in geval van een bewezenverklaring verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen die lager is dan door de officier van justitie is geëist en waarvan een gedeelte voorwaardelijk is.
5.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 21 september 2024 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning. De woning is daarbij uitgebreid doorzocht en volledig overhoop gehaald. Diefstal uit een woning is een ergerlijk feit dat voor de benadeelden hinder en schade meebrengt. Bovendien veroorzaken inbraken, in het bijzonder woninginbraken, naast materiële schade en overlast, gevoelens van onveiligheid, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring. Een woning moet bij uitstek de plaats zijn waar mensen zich veilig kunnen voelen. Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betuigd en verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank houdt hiermee rekening in het voordeel van verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
De straffen
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank – met de officier van justitie – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Verder legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 120 uren met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
6. Vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], bijgestaan door [medewerker Slachtofferhulp], hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd.
[benadeelde partij 1]
vordert een bedrag van € 675,00 ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit het lichamelijk letsel – dat onder meer ziet op een hoge bloeddruk, hartkloppingen en hoofdpijn – en de psychische schade die hij zou hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde woninginbraak. [benadeelde partij 1] heeft tevens gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2]
vordert in totaal een bedrag van € 859,00 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 184,00 uit vergoeding van materiële schade, te weten de reparatiekosten voor een vernielde armband en de parkeer- en reiskosten die zij heeft moeten maken om op een afspraak met de politie te kunnen verschijnen. Het gevorderde schadebedrag bestaat voor € 675,00 uit vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de psychische schade die [benadeelde partij 2] zou hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde woninginbraak. Zij heeft tevens gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de door [benadeelde partij 2] gevorderde vergoeding van materiële schade op het standpunt gesteld dat die kunnen worden toegewezen. Het door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schadebedrag dient te worden gematigd. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [benadeelde partij 2] gevorderde vergoeding van materiële schade, voor zover deze betrekking heeft op de reparatiekosten voor de vernielde armband, niet toewijsbaar is, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de armband als gevolg van het tenlastegelegde is beschadigd. Ten aanzien van de door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in (dit gedeelte van) hun vordering, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de gevorderde immateriële schadebedragen te matigen.
6.3
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat aan [benadeelde partij 2] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zij heeft de door haar geleden schade voldoende onderbouwd, daarom zal dit gedeelte van de ingediende vordering in zijn geheel worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde reparatiekosten voor de vernielde armband is de rechtbank van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit. Dat de schade aan de armband niet wordt genoemd in de aangifte, maakt dit niet anders. Immers, dat er schade is aan de armband is niet betwist en het plegen van een woninginbraak, waarbij de woning overhoop wordt gehaald, brengt met zich mee dat er schade kan ontstaan aan voorwerpen in de woning.
Immateriële schade
Gelet op de betwisting van de raadsman, zullen de benadeelde partijen voor het immateriële deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van dit deel van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat deze vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn en een uitnodiging tot nadere onderbouwing tot een onwenselijke vertraging van het strafgeding zou leiden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel zoals bedoeld in de wet.
Hoofdelijkheid
De betalingsverplichting ten aanzien van [benadeelde partij 2] wordt hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen te betalen, behalve voor zover een van de anderen al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat zij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een groot gedeelte, 58 (achtenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis, zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Dictum
Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dictum
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], toe tot een bedrag van € 184,00 (honderd vierentachtig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 21 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2].
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2], behalve voor zover deze vordering al door of namens zijn mededaders is betaald.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op te behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 184,00 (honderd vierentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 21 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover als door of namens de mededaders is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of zijn mededaders aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft of hebben voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/305401-24
Datum uitspraak: 23 mei 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2025, waarna direct mondeling uitspraak is gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Stein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], en van wat [medewerker Slachtofferhulp] van Slachtofferhulp Nederland, namens hen naar voren heeft gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 september 2024 schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van één of meerdere sleutels, toebehorende aan [benadeelde partij 1], uit een woning aan de [adres 2] door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij de diefstal van de weggenomen sleutels. Verdachte is niet degene geweest die de sleutels heeft weggenomen uit de woning. Ook heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft gezien dat er sleutels uit de woning werden weggenomen. Verder heeft verdachte verklaard dat er voorafgaand aan het betreden van de woning onderling niet is besproken dat er bij de woninginbraak sleutels zouden worden weggenomen. Het opzet van verdachte was niet gericht op het wegnemen van sleutels, maar op het wegnemen van waardevolle goederen uit de woning. De raadsman heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van een poging tot diefstal van waardevolle goederen uit de woning. Omdat dit niet is ten laste gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken.
3.3
Beoordeling
De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het ten laste gelegde is bewezen.
Uit de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring blijkt dat verdachte en de medeverdachten gezamenlijk het opzet hadden om in te breken in de woning en daar goederen weg te nemen. Dit plan hebben zij vervolgens gezamenlijk uitgevoerd. Zij zijn gezamenlijk – met gereedschap in de auto – naar de woning gereden en de woning binnen gegaan. In de woning zijn zij niet bij elkaar gebleven, maar hebben zij zich verspreid over verschillende ruimtes en verdiepingen van de woning. Bij de inbraak zijn twee sleutels uit de woning weggenomen. Hoewel vast is komen te staan dat verdachte niet degene is geweest die de sleutels heeft weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte – door zo te handelen, waarbij er niet steeds zicht is op elkaars gedragingen – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat één van de medeverdachten goederen, zoals sleutels, uit de woning zou wegnemen, zonder dat hij daarvan op de hoogte was. Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat er voorafgaand aan het betreden van de woning onderling niet is besproken dat er sleutels zouden worden weggenomen en hij dat niet zou hebben zien gebeuren, maakt dit dus niet anders. Dat sleutels op zichzelf geen waardevolle goederen zijn en dat het opzet van verdachte alleen op het wegnemen van waardevolle goederen was gericht, maakt dit evenmin anders, omdat sleutels in het kader van een inbraak ook kunnen worden weggenomen omdat zij op een andere plek in de woning mogelijk toegang kunnen bieden tot waardevolle goederen. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten bij de diefstal van de sleutels uit de woning.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 21 september 2024 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aan de [adres 2], alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, sleutels, die aan [benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Motivering
5.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uren.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman in geval van een bewezenverklaring verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen die lager is dan door de officier van justitie is geëist en waarvan een gedeelte voorwaardelijk is.
5.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 21 september 2024 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning. De woning is daarbij uitgebreid doorzocht en volledig overhoop gehaald. Diefstal uit een woning is een ergerlijk feit dat voor de benadeelden hinder en schade meebrengt. Bovendien veroorzaken inbraken, in het bijzonder woninginbraken, naast materiële schade en overlast, gevoelens van onveiligheid, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring. Een woning moet bij uitstek de plaats zijn waar mensen zich veilig kunnen voelen. Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betuigd en verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank houdt hiermee rekening in het voordeel van verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 april 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
De straffen
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank – met de officier van justitie – een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Verder legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 120 uren met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
6. Vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], bijgestaan door [medewerker Slachtofferhulp], hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd.
[benadeelde partij 1]
vordert een bedrag van € 675,00 ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit het lichamelijk letsel – dat onder meer ziet op een hoge bloeddruk, hartkloppingen en hoofdpijn – en de psychische schade die hij zou hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde woninginbraak. [benadeelde partij 1] heeft tevens gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2]
vordert in totaal een bedrag van € 859,00 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 184,00 uit vergoeding van materiële schade, te weten de reparatiekosten voor een vernielde armband en de parkeer- en reiskosten die zij heeft moeten maken om op een afspraak met de politie te kunnen verschijnen. Het gevorderde schadebedrag bestaat voor € 675,00 uit vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de psychische schade die [benadeelde partij 2] zou hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde woninginbraak. Zij heeft tevens gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de door [benadeelde partij 2] gevorderde vergoeding van materiële schade op het standpunt gesteld dat die kunnen worden toegewezen. Het door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schadebedrag dient te worden gematigd. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [benadeelde partij 2] gevorderde vergoeding van materiële schade, voor zover deze betrekking heeft op de reparatiekosten voor de vernielde armband, niet toewijsbaar is, aangezien niet kan worden vastgesteld dat de armband als gevolg van het tenlastegelegde is beschadigd. Ten aanzien van de door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in (dit gedeelte van) hun vordering, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de gevorderde immateriële schadebedragen te matigen.
6.3
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat aan [benadeelde partij 2] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zij heeft de door haar geleden schade voldoende onderbouwd, daarom zal dit gedeelte van de ingediende vordering in zijn geheel worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde reparatiekosten voor de vernielde armband is de rechtbank van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit. Dat de schade aan de armband niet wordt genoemd in de aangifte, maakt dit niet anders. Immers, dat er schade is aan de armband is niet betwist en het plegen van een woninginbraak, waarbij de woning overhoop wordt gehaald, brengt met zich mee dat er schade kan ontstaan aan voorwerpen in de woning.
Immateriële schade
Gelet op de betwisting van de raadsman, zullen de benadeelde partijen voor het immateriële deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van dit deel van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat deze vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn en een uitnodiging tot nadere onderbouwing tot een onwenselijke vertraging van het strafgeding zou leiden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel zoals bedoeld in de wet.
Hoofdelijkheid
De betalingsverplichting ten aanzien van [benadeelde partij 2] wordt hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen te betalen, behalve voor zover een van de anderen al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat zij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een groot gedeelte, 58 (achtenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis, zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Dictum
Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dictum
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], toe tot een bedrag van € 184,00 (honderd vierentachtig euro) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 21 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2].
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2], behalve voor zover deze vordering al door of namens zijn mededaders is betaald.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op te behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat € 184,00 (honderd vierentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 21 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover als door of namens de mededaders is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of zijn mededaders aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft of hebben voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2025.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]