Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-08
ECLI:NL:RBAMS:2025:7758
Strafrecht
Beschikking
3,834 tokens
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
door klager opgegeven correspondentieadres: [adres 2] ( [stichting] t.a.v. [persoon] ),
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 16 oktober 2024 onder klager een elektrische fiets met goednummer 6567638 (hierna ook: fatbike) in beslag is genomen.
Procedure
Op 16 december 2024 is ter griffie van deze rechtbank een klaagschrift binnengekomen. Op 26 juni 2025 zijn ter griffie van deze rechtbank aanvullende stukken ontvangen, zodat aan de formele vereisten voor indiening van een klaagschrift is voldaan.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 8 oktober 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, bijgestaan door de heer [persoon] van [stichting] , en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in raadkamer gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen fatbike.
Door en namens klager is aangevoerd dat klager niet wist dat zijn fatbike, die hij twee weken voor zijn staandehouding had gekocht, niet aan de wettelijke vereisten voldeed. Toen klager op 16 oktober 2024 werd staandegehouden en verbalisanten hem meedeelden dat zijn fatbike te hard reed, besloot klager op zijn fatbike naar de fietsenmaker te rijden om de standaardinstellingen van zijn fatbike direct aan te laten passen. [klager] heeft de fietsenmaker echter niet bereikt, omdat hij opnieuw werd staande gehouden. [klager] erkent dat het geen slimme beslissing was om de fatbike niet lopend voort te duwen, nadat hij was gewaarschuwd. [klager] stelt dat hij de verbalisanten niet volledig heeft begrepen, omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen fatbike aan klager. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het niet hoogst onwaarschijlijk is dat de fatbike in aanmerking komt voor verbeurdverklaring. [klager] was een gewaarschuwd man. Het Openbaar Ministerie is voornemens de zaak aan te brengen op een OM-hoorzitting. Er is reeds een beslissing tot vernietiging van de fatbike genomen.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. [klager] is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager –, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
[klager] is op 16 oktober 2024 omstreeks 15.45 uur staande gehouden ter controle op de naleving van de bepalingen die bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gelden. Verbalisanten zagen klager over een langere afstand op zijn fatbike rijden, zonder dat er een trapbeweging werd gemaakt. Vervolgens is de fatbike op een rollerbank getest en werd geconstateerd dat de fatbike een snelheid van 43 km/u kan bereiken. Aan klager is toen medegedeeld dat zijn fatbike te hard reed en hij kreeg een officiële waarschuwing. Kort daarop, omstreeks 16.00 uur zagen verbalisanten klager weer met een hoge snelheid (van ongeveer 40 km/u) op zijn fatbike rijden. Hierop is de fatbike – na uitvoering van een controle met dezelfde uitslag – in beslag genomen.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van klager blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank is van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (dan wel de onttrekking aan het verkeer) van de fatbike zal bevelen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten die voor overtreding van artikel 32, onder a WVW gelden. Niet is te verwachten dat bij uitvaardiging van een strafbeschikking of door een politierechter, later oordelend, een geldboete wordt opgelegd die de facto gelijk staat aan de waarde van de inbeslaggenomen fatbike. Evenmin is gesteld of volgt uit het dossier dat de fatbike een voorwerp betreft van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd geacht kan worden met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard.
Nu klager beslagene is en niet iemand anders redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, zal de rechtbank teruggave aan klager gelasten.
De rechtbank merkt op dat reeds een beslissing tot vernietiging van de fatbike is genomen door de officier van justitie en geeft klager in overweging dat hij mogelijk in aanmerking komt voor een geldelijke tegemoetkoming.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van een elektrische fiets met goednummer 6567638.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.S. Dogan, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor het Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
door klager opgegeven correspondentieadres: [adres 2] ( [stichting] t.a.v. [persoon] ),
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 16 oktober 2024 onder klager een elektrische fiets met goednummer 6567638 (hierna ook: fatbike) in beslag is genomen.
Procedure
Op 16 december 2024 is ter griffie van deze rechtbank een klaagschrift binnengekomen. Op 26 juni 2025 zijn ter griffie van deze rechtbank aanvullende stukken ontvangen, zodat aan de formele vereisten voor indiening van een klaagschrift is voldaan.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 8 oktober 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, bijgestaan door de heer [persoon] van [stichting] , en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in raadkamer gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen fatbike.
Door en namens klager is aangevoerd dat klager niet wist dat zijn fatbike, die hij twee weken voor zijn staandehouding had gekocht, niet aan de wettelijke vereisten voldeed. Toen klager op 16 oktober 2024 werd staandegehouden en verbalisanten hem meedeelden dat zijn fatbike te hard reed, besloot klager op zijn fatbike naar de fietsenmaker te rijden om de standaardinstellingen van zijn fatbike direct aan te laten passen. [klager] heeft de fietsenmaker echter niet bereikt, omdat hij opnieuw werd staande gehouden. [klager] erkent dat het geen slimme beslissing was om de fatbike niet lopend voort te duwen, nadat hij was gewaarschuwd. [klager] stelt dat hij de verbalisanten niet volledig heeft begrepen, omdat hij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen fatbike aan klager. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het niet hoogst onwaarschijlijk is dat de fatbike in aanmerking komt voor verbeurdverklaring. [klager] was een gewaarschuwd man. Het Openbaar Ministerie is voornemens de zaak aan te brengen op een OM-hoorzitting. Er is reeds een beslissing tot vernietiging van de fatbike genomen.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. [klager] is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager –, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
[klager] is op 16 oktober 2024 omstreeks 15.45 uur staande gehouden ter controle op de naleving van de bepalingen die bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gelden. Verbalisanten zagen klager over een langere afstand op zijn fatbike rijden, zonder dat er een trapbeweging werd gemaakt. Vervolgens is de fatbike op een rollerbank getest en werd geconstateerd dat de fatbike een snelheid van 43 km/u kan bereiken. Aan klager is toen medegedeeld dat zijn fatbike te hard reed en hij kreeg een officiële waarschuwing. Kort daarop, omstreeks 16.00 uur zagen verbalisanten klager weer met een hoge snelheid (van ongeveer 40 km/u) op zijn fatbike rijden. Hierop is de fatbike – na uitvoering van een controle met dezelfde uitslag – in beslag genomen.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van klager blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank is van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (dan wel de onttrekking aan het verkeer) van de fatbike zal bevelen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten die voor overtreding van artikel 32, onder a WVW gelden. Niet is te verwachten dat bij uitvaardiging van een strafbeschikking of door een politierechter, later oordelend, een geldboete wordt opgelegd die de facto gelijk staat aan de waarde van de inbeslaggenomen fatbike. Evenmin is gesteld of volgt uit het dossier dat de fatbike een voorwerp betreft van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd geacht kan worden met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van strafvorderlijk belang het beslag dient te worden opgeheven. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard.
Nu klager beslagene is en niet iemand anders redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd, zal de rechtbank teruggave aan klager gelasten.
De rechtbank merkt op dat reeds een beslissing tot vernietiging van de fatbike is genomen door de officier van justitie en geeft klager in overweging dat hij mogelijk in aanmerking komt voor een geldelijke tegemoetkoming.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van een elektrische fiets met goednummer 6567638.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.S. Dogan, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor het Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.