Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:7543
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,346 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/105
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (Suriname), eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Vlist).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan eiseres geen rechterlijke dwangsom toe te kennen.
1.1.
Met een besluit van 1 oktober 2024 heeft verweerder beslist op een inzageverzoek van eiseres op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar een rechterlijke dwangsom te betalen afgewezen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Procesverloop
2. Op 12 maart 2024 heeft eiseres bij verweerder een inzageverzoek gedaan op grond van de AVG. Met een brief van 16 april 2024, door verweerder ontvangen op 14 mei 2024, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat hij niet binnen de wettelijke beslistermijn van een maand heeft beslist op haar verzoek. Vervolgens heeft verweerder op
1 oktober 2024 beslist op het inzageverzoek.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke dwangsom toegekend van € 1.442,-, maar een dwangsom op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de rechterlijke dwangsom) geweigerd.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de rechterlijke dwangsom terecht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van eiseres.
6. Eiseres stelt dat verweerder aan haar een extra dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- verschuldigd is als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Verweerder heeft haar immers meegedeeld dat zij daarop recht heeft als haar beroepschrift bij de bestuursrechter gegrond verklaard zou worden. Nu haar bezwaarschrift gegrond is verklaard heeft zij recht op deze dwangsom, aldus eiseres.
7. In artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond wordt verklaard.
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dat betekent dat de situatie van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb niet aan de orde is en verweerder een dergelijke dwangsom niet verschuldigd kan zijn. Bovendien is het aan de bestuursrechter om in een geval dat een beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard, een rechterlijke dwangsom op te leggen. Een bestuursorgaan kan een dergelijke dwangsom niet toekennen. Verweerder heeft de dwangsom dan ook terecht geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/105
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (Suriname), eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Vlist).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan eiseres geen rechterlijke dwangsom toe te kennen.
1.1.
Met een besluit van 1 oktober 2024 heeft verweerder beslist op een inzageverzoek van eiseres op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar een rechterlijke dwangsom te betalen afgewezen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Procesverloop
2. Op 12 maart 2024 heeft eiseres bij verweerder een inzageverzoek gedaan op grond van de AVG. Met een brief van 16 april 2024, door verweerder ontvangen op 14 mei 2024, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld omdat hij niet binnen de wettelijke beslistermijn van een maand heeft beslist op haar verzoek. Vervolgens heeft verweerder op
1 oktober 2024 beslist op het inzageverzoek.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke dwangsom toegekend van € 1.442,-, maar een dwangsom op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de rechterlijke dwangsom) geweigerd.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de rechterlijke dwangsom terecht heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van eiseres.
6. Eiseres stelt dat verweerder aan haar een extra dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- verschuldigd is als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Verweerder heeft haar immers meegedeeld dat zij daarop recht heeft als haar beroepschrift bij de bestuursrechter gegrond verklaard zou worden. Nu haar bezwaarschrift gegrond is verklaard heeft zij recht op deze dwangsom, aldus eiseres.
7. In artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond wordt verklaard.
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Dat betekent dat de situatie van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb niet aan de orde is en verweerder een dergelijke dwangsom niet verschuldigd kan zijn. Bovendien is het aan de bestuursrechter om in een geval dat een beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard, een rechterlijke dwangsom op te leggen. Een bestuursorgaan kan een dergelijke dwangsom niet toekennen. Verweerder heeft de dwangsom dan ook terecht geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.