Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-02
ECLI:NL:RBAMS:2025:7519
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,806 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/297858-22
Datum uitspraak: 2 september 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
adres in [land] : [adres] ,
hierna: verdachte.
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 19 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M. Veldman, naar voren hebben gebracht.
2Beschuldiging
Verdachte wordt na wijziging van de tenlastelegging – kort gezegd – ervan beschuldigd dat zij zich op 8 juni 2020 heeft schuldig gemaakt aan:
medeplegen van opzettelijk telen, dan wel aanwezig hebben, van 948 hennepplanten en/of 4.336,76 gram hennep. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan door het pand ter beschikking te stellen;
medeplegen van diefstal van stroom door middel van braak/verbreking. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan door het pand ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde. Niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger hennep heeft geteeld. Wel kan worden bewezen dat zij medeplichtig is geweest aan het telen van hennep. Zij wist dat er een hennepkwekerij was in het pand dat zij onderverhuurde. Zij heeft daarmee een ruimte ter beschikking gesteld en opzettelijk de gelegenheid geboden om hennep te telen. Verder kan ook niet worden bewezen dat verdachte stroom heeft gestolen, omdat zij dit vanuit haar studio niet heeft kunnen zien.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar zijn op schrift gestelde pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de hennepkwekerij die in haar pand is aangetroffen. De verklaringen die verdachte net na de aanhouding in 2020 bij de politie heeft afgelegd zijn ongeloofwaardig. De verklaring die verdachte in 2025 heeft afgelegd, namelijk dat haar onderhuurder [onderhuurder] de hennepkwekerij exploiteerde en haar bedreigde als zij dat wereldkundig zou maken, is wel geloofwaardig en vindt steun in de in 2025 afgelegde getuigenverklaringen van haar buren. Deze op de zitting gehoorde getuigen maken duidelijk dat het deel achter de garagedeur was onderverhuurd en dat er een onderhuurovereenkomst was gesloten met [onderhuurder] .
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennep (feit 1)
De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de raadsman, wel bewezen dat verdachte op 8 juni 2020 opzettelijk hennep heeft geteeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij volgt dat er op 8 juni 2020 in een bedrijfspand op het adres [onderhuurder] in [plaats] een hennepkwekerij is aangetroffen. De verbalisanten hebben op basis van de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur, vorm en geur hetgeen zij hebben aangetroffen herkend als hennepplanten en hennep. In totaal stonden er 948 hennepplanten in de kweekruimtes en is 4.336,76 gram hennep aangetroffen.
Op het moment van binnentreden was verdachte in het pand aanwezig waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Zij heeft op dat moment tegenover de politie verklaard dat de hennepkwekerij ‘daar zit’ en dat zij deze heeft opgezet. Dit heeft zij tijdens verhoren bij de politie op 9 juni 2020 en, bijna een jaar later, op 14 mei 2021 wederom verklaard. Ook heeft zij op 9 juni 2020, een dag na de inval, een gedetailleerde verklaring afgelegd over de gang van zaken in de hennepkwekerij. Zo heeft zij bijvoorbeeld verklaard over ‘residu’, de prijs per kilo die zij voor de planten heeft gekregen en dat zij zuiveringssoda heeft gebruikt om de planten te behandelen tegen schimmel. Ook verklaarde zij welk soort hennepplanten het waren en dat zij de opbrengst van de hennepplantage nodig had om een film mee te financieren.
Verdachte heeft vervolgens in 2025 een verklaring afgelegd die er in het kort op neer komt dat haar eerdere verklaring bij de politie niet de waarheid is, maar dat zij het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft onderverhuurd aan [onderhuurder] en dat hij verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij. [onderhuurder] zou haar hebben bedreigd als zij dat zou vertellen en daarom heeft zij een ander verhaal tegen de politie verteld. Die verklaring heeft zij tijdens de zitting herhaald en daarbij heeft zij verwezen naar de getuigenverklaringen van haar buren.
De rechtbank acht de verklaringen die verdachte op juni 2020, direct na haar aanhouding, en in mei 2021 heeft afgelegd geloofwaardig. De verklaring die zij in 2025 bij de politie heeft afgelegd, haar verklaring ter zitting en de getuigenverklaringen die op verzoek van verdachte aan het dossier zijn toegevoegd, maken dat niet anders.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verklaring dat alleen een ander verantwoordelijk zou zijn voor de hennepplantage pas vijf jaar na ontdekking is afgelegd. De door verdachte overgelegde kopie van het paspoort van [onderhuurder] is door de politie gecontroleerd in de systemen en [onderhuurder] blijkt niet te bestaan. De verklaring van verdachte dat zij de ruimte heeft onderverhuurd aan [onderhuurder] is daarom niet te verifiëren.
Anders dan de raadsman heeft bepleit is de rechtbank ook van oordeel dat de getuigenverklaringen niet meebrengen dat de eerdere verklaring van verdachte niet juist zou zijn of dat aan de juistheid daarvan zou moeten worden getwijfeld. Wat de buren hebben verklaard sluit immers niet uit dat zij van de hennepkwekerij afwist of dat zij daarbij actief betrokken was. Ook indien iemand anders of anderen bij de hennepkwekerij betrokken waren, is daarmee niet gezegd dat verdachte geen rol bij de hennepplantage had. Zij is immers degene die bij de plantage is aangetroffen. Dat bij elkaar maakt dat de rechtbank het scenario dat is geschetst door de verdediging niet aannemelijk vindt.
Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte 948 hennepplanten en 4.336,76 gram hennep heeft geteeld in haar pand op het adres aan de [onderhuurder] in [plaats] .
Tot slot overweegt de rechtbank dat er in het dossier aanwijzingen zijn dat verdachte het telen van de hennep niet alleen heeft gepleegd.
Motivering
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van het door haar onder 1 subsidiair bewezen geachte feit een taakstraf van 80 uren met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf, omdat hij vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep. De aangetroffen hoeveelheden hennep en de professionaliteit van de inrichting van de kwekerij maken het aannemelijk dat de hennep bestemd was voor verdere verspreiding en handel, waarmee vaak andere vormen van criminaliteit gepaard gaan. Daarbij komt dat hennepkwekerijen brandgevaar met zich brengen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken en hoven hebben vastgesteld. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, ligt een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf in de rede.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Verder houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat sprake is van een oud feit en dat de redelijke termijn waarbinnen deze zaak met een eindvonnis had moeten zijn afgerond fors is overschreden. Omdat het feit in 2020 is gepleegd en verdachte daarna niet meer met justitie in aanraking is gekomen en vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen reden om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank komt wel tot een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank uitgaat van een andere bewezenverklaring.
Alles afwegende vindt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.
8Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank kan een vordering van een benadeelde partij alleen inhoudelijk beoordelen als de verdachte – kort gezegd – wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft.
Omdat verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van de stroom en het gas, kan de rechtbank de vordering van de benadeelde partij dus niet inhoudelijk beoordelen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2025.
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/297858-22
Datum uitspraak: 2 september 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
adres in [land] : [adres] ,
hierna: verdachte.
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 19 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. M. Veldman, naar voren hebben gebracht.
2Beschuldiging
Verdachte wordt na wijziging van de tenlastelegging – kort gezegd – ervan beschuldigd dat zij zich op 8 juni 2020 heeft schuldig gemaakt aan:
medeplegen van opzettelijk telen, dan wel aanwezig hebben, van 948 hennepplanten en/of 4.336,76 gram hennep. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan door het pand ter beschikking te stellen;
medeplegen van diefstal van stroom door middel van braak/verbreking. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan door het pand ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde. Niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger hennep heeft geteeld. Wel kan worden bewezen dat zij medeplichtig is geweest aan het telen van hennep. Zij wist dat er een hennepkwekerij was in het pand dat zij onderverhuurde. Zij heeft daarmee een ruimte ter beschikking gesteld en opzettelijk de gelegenheid geboden om hennep te telen. Verder kan ook niet worden bewezen dat verdachte stroom heeft gestolen, omdat zij dit vanuit haar studio niet heeft kunnen zien.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar zijn op schrift gestelde pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de hennepkwekerij die in haar pand is aangetroffen. De verklaringen die verdachte net na de aanhouding in 2020 bij de politie heeft afgelegd zijn ongeloofwaardig. De verklaring die verdachte in 2025 heeft afgelegd, namelijk dat haar onderhuurder [onderhuurder] de hennepkwekerij exploiteerde en haar bedreigde als zij dat wereldkundig zou maken, is wel geloofwaardig en vindt steun in de in 2025 afgelegde getuigenverklaringen van haar buren. Deze op de zitting gehoorde getuigen maken duidelijk dat het deel achter de garagedeur was onderverhuurd en dat er een onderhuurovereenkomst was gesloten met [onderhuurder] .
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennep (feit 1)
De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de raadsman, wel bewezen dat verdachte op 8 juni 2020 opzettelijk hennep heeft geteeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij volgt dat er op 8 juni 2020 in een bedrijfspand op het adres [onderhuurder] in [plaats] een hennepkwekerij is aangetroffen. De verbalisanten hebben op basis van de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur, vorm en geur hetgeen zij hebben aangetroffen herkend als hennepplanten en hennep. In totaal stonden er 948 hennepplanten in de kweekruimtes en is 4.336,76 gram hennep aangetroffen.
Op het moment van binnentreden was verdachte in het pand aanwezig waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Zij heeft op dat moment tegenover de politie verklaard dat de hennepkwekerij ‘daar zit’ en dat zij deze heeft opgezet. Dit heeft zij tijdens verhoren bij de politie op 9 juni 2020 en, bijna een jaar later, op 14 mei 2021 wederom verklaard. Ook heeft zij op 9 juni 2020, een dag na de inval, een gedetailleerde verklaring afgelegd over de gang van zaken in de hennepkwekerij. Zo heeft zij bijvoorbeeld verklaard over ‘residu’, de prijs per kilo die zij voor de planten heeft gekregen en dat zij zuiveringssoda heeft gebruikt om de planten te behandelen tegen schimmel. Ook verklaarde zij welk soort hennepplanten het waren en dat zij de opbrengst van de hennepplantage nodig had om een film mee te financieren.
Verdachte heeft vervolgens in 2025 een verklaring afgelegd die er in het kort op neer komt dat haar eerdere verklaring bij de politie niet de waarheid is, maar dat zij het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft onderverhuurd aan [onderhuurder] en dat hij verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij. [onderhuurder] zou haar hebben bedreigd als zij dat zou vertellen en daarom heeft zij een ander verhaal tegen de politie verteld. Die verklaring heeft zij tijdens de zitting herhaald en daarbij heeft zij verwezen naar de getuigenverklaringen van haar buren.
De rechtbank acht de verklaringen die verdachte op juni 2020, direct na haar aanhouding, en in mei 2021 heeft afgelegd geloofwaardig. De verklaring die zij in 2025 bij de politie heeft afgelegd, haar verklaring ter zitting en de getuigenverklaringen die op verzoek van verdachte aan het dossier zijn toegevoegd, maken dat niet anders.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verklaring dat alleen een ander verantwoordelijk zou zijn voor de hennepplantage pas vijf jaar na ontdekking is afgelegd. De door verdachte overgelegde kopie van het paspoort van [onderhuurder] is door de politie gecontroleerd in de systemen en [onderhuurder] blijkt niet te bestaan. De verklaring van verdachte dat zij de ruimte heeft onderverhuurd aan [onderhuurder] is daarom niet te verifiëren.
Anders dan de raadsman heeft bepleit is de rechtbank ook van oordeel dat de getuigenverklaringen niet meebrengen dat de eerdere verklaring van verdachte niet juist zou zijn of dat aan de juistheid daarvan zou moeten worden getwijfeld. Wat de buren hebben verklaard sluit immers niet uit dat zij van de hennepkwekerij afwist of dat zij daarbij actief betrokken was. Ook indien iemand anders of anderen bij de hennepkwekerij betrokken waren, is daarmee niet gezegd dat verdachte geen rol bij de hennepplantage had. Zij is immers degene die bij de plantage is aangetroffen. Dat bij elkaar maakt dat de rechtbank het scenario dat is geschetst door de verdediging niet aannemelijk vindt.
Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte 948 hennepplanten en 4.336,76 gram hennep heeft geteeld in haar pand op het adres aan de [onderhuurder] in [plaats] .
Tot slot overweegt de rechtbank dat er in het dossier aanwijzingen zijn dat verdachte het telen van de hennep niet alleen heeft gepleegd.
Motivering
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van het door haar onder 1 subsidiair bewezen geachte feit een taakstraf van 80 uren met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf, omdat hij vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep. De aangetroffen hoeveelheden hennep en de professionaliteit van de inrichting van de kwekerij maken het aannemelijk dat de hennep bestemd was voor verdere verspreiding en handel, waarmee vaak andere vormen van criminaliteit gepaard gaan. Daarbij komt dat hennepkwekerijen brandgevaar met zich brengen.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechtbanken en hoven hebben vastgesteld. Ook heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, ligt een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf in de rede.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Verder houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat sprake is van een oud feit en dat de redelijke termijn waarbinnen deze zaak met een eindvonnis had moeten zijn afgerond fors is overschreden. Omdat het feit in 2020 is gepleegd en verdachte daarna niet meer met justitie in aanraking is gekomen en vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen reden om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank komt wel tot een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank uitgaat van een andere bewezenverklaring.
Alles afwegende vindt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.
8Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank kan een vordering van een benadeelde partij alleen inhoudelijk beoordelen als de verdachte – kort gezegd – wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft.
Omdat verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van de stroom en het gas, kan de rechtbank de vordering van de benadeelde partij dus niet inhoudelijk beoordelen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2025.
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]