Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:748
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,350 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5100
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift.
2. Eiser heeft op 8 juni 2024 bezwaar gemaakt. Zijn bezwaarschrift is op 29 augustus 2024 door verweerder niet-ontvankelijk verklaard (de beslissing op bezwaar). Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft beroep van eiser op 27 januari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
4. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Volgens eiser heeft verweerder het primaire besluit (intrekking van zijn bijstandsuitkering) ten onrechte aan zijn voormalig bewindvoerder toegestuurd, terwijl verweerder op de hoogte was van het feit dat de bewindvoering was geëindigd. Dat eiser zijn bezwaar na afloop van de bezwaartermijn heeft ingediend, is daarom verschoonbaar.
8. Volgens verweerder is het primaire besluit op de juiste wijze bekendgemaakt, aan de bewindvoerder van eiser. Van een formele afmelding van de bewindvoerder is geen sprake geweest. De termijnoverschrijding is volgens verweerder niet verschoonbaar.
9. De rechtbank kan in het midden laten of het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt is, omdat zij van oordeel is dat een termijnoverschrijding, als daar al sprake van zou zijn, verschoonbaar moet worden geacht. Zij komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden. Met de beschikking van de kantonrechter van 16 januari 2024 is het bewind van eiser per die datum opgeheven. Verweerder heeft het primaire besluit uitsluitend verzonden naar het adres van de voormalig bewindvoerder van eiser. In het dossier bevindt zich een brief van de bewindvoerder van 2 februari 2024 met de mededeling dat eiser niet langer onder bewind staat. Verweerder stelt deze brief niet te hebben ontvangen. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder ten tijde van het verzenden van het primaire besluit wist dat het bewind was geëindigd. Uit het rapport van bevindingen van verweerder blijkt immers dat eiser op 5 april 2024 in een gesprek met een handhavings-medewerker van de gemeente heeft gemeld dat de bewindvoering per januari 2024 is opgeheven. Uit het rapport van bevindingen blijkt ook dat de handhavingsmedewerker vervolgens met de bewindvoerder heeft gebeld. In dat gesprek is bevestigd dat de bewindvoering per januari 2024 is opgeheven. Verweerder was dus bij het verzenden van het primaire besluit naar het adres van de bewindvoerder ervan op de hoogte dat het bewind al enkele maanden eerder was opgeheven.
10. Desondanks heeft verweerder de beslissing op bezwaar op 9 april 2024 uitsluitend aan de (voormalig) bewindvoerder toegestuurd. Verweerder heeft ook geen kopie van het besluit naar het bekende uitkeringsadres van eiser gestuurd. Anders dan het opschortingsbesluit, dat de handhavingsmedewerker van verweerder persoonlijk in de brievenbus van het uitkeringsadres van eiser heeft gedeponeerd. Dat verweerder het besluit enkel naar de bewindvoerder heeft gestuurd, wetende dat het bewind al geruime tijd is geëindigd, maakt de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank verschoonbaar.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Verweerder moet het bezwaarschrift alsnog inhoudelijk behandelen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het griffierecht bedraagt € 51,-. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2024;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2025 door
mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5100
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift.
2. Eiser heeft op 8 juni 2024 bezwaar gemaakt. Zijn bezwaarschrift is op 29 augustus 2024 door verweerder niet-ontvankelijk verklaard (de beslissing op bezwaar). Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft beroep van eiser op 27 januari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
4. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Volgens eiser heeft verweerder het primaire besluit (intrekking van zijn bijstandsuitkering) ten onrechte aan zijn voormalig bewindvoerder toegestuurd, terwijl verweerder op de hoogte was van het feit dat de bewindvoering was geëindigd. Dat eiser zijn bezwaar na afloop van de bezwaartermijn heeft ingediend, is daarom verschoonbaar.
8. Volgens verweerder is het primaire besluit op de juiste wijze bekendgemaakt, aan de bewindvoerder van eiser. Van een formele afmelding van de bewindvoerder is geen sprake geweest. De termijnoverschrijding is volgens verweerder niet verschoonbaar.
9. De rechtbank kan in het midden laten of het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt is, omdat zij van oordeel is dat een termijnoverschrijding, als daar al sprake van zou zijn, verschoonbaar moet worden geacht. Zij komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden. Met de beschikking van de kantonrechter van 16 januari 2024 is het bewind van eiser per die datum opgeheven. Verweerder heeft het primaire besluit uitsluitend verzonden naar het adres van de voormalig bewindvoerder van eiser. In het dossier bevindt zich een brief van de bewindvoerder van 2 februari 2024 met de mededeling dat eiser niet langer onder bewind staat. Verweerder stelt deze brief niet te hebben ontvangen. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder ten tijde van het verzenden van het primaire besluit wist dat het bewind was geëindigd. Uit het rapport van bevindingen van verweerder blijkt immers dat eiser op 5 april 2024 in een gesprek met een handhavings-medewerker van de gemeente heeft gemeld dat de bewindvoering per januari 2024 is opgeheven. Uit het rapport van bevindingen blijkt ook dat de handhavingsmedewerker vervolgens met de bewindvoerder heeft gebeld. In dat gesprek is bevestigd dat de bewindvoering per januari 2024 is opgeheven. Verweerder was dus bij het verzenden van het primaire besluit naar het adres van de bewindvoerder ervan op de hoogte dat het bewind al enkele maanden eerder was opgeheven.
10. Desondanks heeft verweerder de beslissing op bezwaar op 9 april 2024 uitsluitend aan de (voormalig) bewindvoerder toegestuurd. Verweerder heeft ook geen kopie van het besluit naar het bekende uitkeringsadres van eiser gestuurd. Anders dan het opschortingsbesluit, dat de handhavingsmedewerker van verweerder persoonlijk in de brievenbus van het uitkeringsadres van eiser heeft gedeponeerd. Dat verweerder het besluit enkel naar de bewindvoerder heeft gestuurd, wetende dat het bewind al geruime tijd is geëindigd, maakt de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank verschoonbaar.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Verweerder moet het bezwaarschrift alsnog inhoudelijk behandelen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het griffierecht bedraagt € 51,-. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 29 augustus 2024;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2025 door
mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.