Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:7280
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,785 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/212915-22
Datum uitspraak: 19 juni 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1983,
wonende op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.P. Hopman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K. Renssen, advocaat te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst over de door hen gemaakte procesafspraken.
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat [naam] B.V. in de periode van 31 juli 2021 tot en met 15 november 2021 in Nederland, opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven en verdachte hiertoe opdracht heeft gegeven en/of aan deze verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3De procesafspraken
3.1.
De totstandkoming van procesafspraken en procesgang
De officier van justitie en de raadsman hebben begin 2025 de mogelijkheid besproken van het maken van procesafspraken met betrekking tot afdoening van de strafzaak.
Op 13 februari 2025 hebben partijen procesafspraken ondertekend. Tijdens de zitting van 19 februari 2025 zijn de procesafspraken door de politierechter aan de orde gesteld.
De politierechter achtte zichzelf niet in staat om de procesafspraken enkelvoudig te beoordelen. Daarom heeft de politierechter de behandeling van de zaak aangehouden en verwezen naar de terechtzitting van de meervoudige strafkamer. Na de zitting van 19 februari 2025 hebben de officier van justitie en de raadsman per e-mail van respectievelijk 5 maart 2025 en 24 februari 2025 te kennen gegeven dat zij nog steeds achter de procesafspraken staan. De partijen hebben de procesafspraken vervolgens gewijzigd. Deze gewijzigde afspraken zijn op 4 en 5 juni 2025 door partijen ondertekend en op 5 juni 2025 aan de rechtbank verstrekt. De (gewijzigde) procesafspraken worden als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.
3.2.
De overeengekomen procesafspraken
Het openbaar ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken van 5 juni 2025 – samengevat – overeengekomen dat:
- de verdediging geen bewijsverweer voert;
- de eventueel openstaande onderzoekswensen komen te vervallen;
- de verdachte het tenlastegelegde niet betwist;
- de officier van justitie een taakstraf van 160 uur zal eisen;
- de verdediging geen strafmaatverweer voert;
- beide partijen niet in hoger beroep zullen gaan indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform het afdoeningsvoorstel.
3.3.
Beoordeling
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door het openbaar ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft op de zitting van 5 juni 2025 de procesafspraken besproken met verdachte, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken van 5 juni 2025.
De rechtbank heeft begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
4De waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweer gevoerd. Verdachte heeft – ondanks hier niet toe gehouden te zijn door de procesafspraken – ter terechtzitting het tenlastegelegde feit bekend.
4.3.
Beoordeling
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met opgave van bewijsmiddelen.
5De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
[naam] B.V. in de periode van 31 juli 2021 tot en met 15 november 2021 in Nederland, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting over:
- kwartaal 2 van het jaar 2021 (ten name van [naam] B.V.) en
- kwartaal 3 van het jaar 2021 (ten name van [naam] B.V.),
onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde jaar een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
6Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
9.3.
Beoordeling
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde taakstraf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op het tijdsverloop.
De rechtbank zal in lijn met de procesafspraken aan verdachte een taakstraf van 160 uur opleggen.
10De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 51, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Eichperger, voorzitter,
mrs. H.J. Bos en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2025.
Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR.2022:1252, NJ 2023/31.