Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:714
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
722 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/478
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college.
Inleiding
1. Op 2 januari 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vijf tijdelijke wissellocaties en het plaatsen van tijdelijke drijvende steigers voor vijf woonboten voor een periode van zes jaar.
2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. Verzoeker voert aan dat zijn directe leefomgeving wordt aangetast door de aanleg van een steiger met daaraan afgemeerd vijf woonboten en dat andere plekken geschikter zijn. Hij stelt dat de gemeente binnen zes weken na de datum van de verlening van de vergunning wil beginnen met het plaatsen van de steigers.
7. Op 22 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoeker verzocht het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Verzoeker heeft op dit verzoek niet gereageerd.
8. Bij “onverwijlde spoed” kan de onomkeerbaarheid van de gevolgen van een besluit een belangrijke rol spelen. In dit geval gaat het om het verlenen van een vergunning voor het plaatsen van tijdelijke drijvende stijgers. Van onomkeerbaarheid is echter niet gebleken. Deze steigers kunnen, indien de vergunning herroepen wordt, weer worden verwijderd. Onomkeerbaarheid leidt dus niet tot een spoedeisend belang. Ook overigens is van een spoedeisend belang niet gebleken.
Conclusie
9. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.