Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-08-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:7137
RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken locatie Amsterdam zaaknummer / rekestnummer: C/13/755557 / FA RK 24-5608 (echtscheiding) C/13/766550 / FA RK 25-2154 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) Beschikking d.d. 19 augustus 2025 betreffende de echtscheiding met nevenverzoeken in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.M. Schoots, gevestigd te Amsterdam, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. H. Zobuoglu, gevestigd te Amsterdam. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de man, ingekomen op 16 augustus 2024; - het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de zijde van de vrouw; - het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de zijde van de man; - een F9-formulier d.d. 27 juni 2025 van de zijde van de vrouw met producties 15 t/m 18; - een F9-formulier d.d. 27 juni 2025 van de zijde van de man met producties 34 t/m 36; - een F9-formulier d.d. 28 juni 2025 van de zijde van de vrouw met een verweerschrift op de verzoeken van de man, tevens houdende aanvullend verzoek en producties 19 t/m 28; - een F9-formulier d.d. 2 juli 2025 van de zijde van de man met producties 37 en 38; - een brief d.d. 4 juli 2025 van de zijde van de man; - een brief d.d. 4 juli 2025 van de zijde van de vrouw met producties 29 t/m 37; - een F9-formulier d.d. 7 juli 2025 van de zijde van de vrouw met bijlagen; - een F9-formulier d.d. 8 juli 2025 van de zijde van de man met pleitnotities. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Zobuoglu heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd. 2 De feiten 2.1. Partijen woonden vanaf 2000 duurzaam samen en zijn op 28 september 2001 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. 2.2. Partijen zijn vervolgens met elkaar gehuwd op 31 mei 2010 te Amsterdam. 2.3. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen op 26 mei 2010 huwelijkse voorwaarden opgemaakt. De huwelijkse voorwaarden omvatten – kort gezegd – een uitsluiting van iedere gemeenschap. In de akte huwelijkse voorwaarde is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “ Verklaring vooraf De huwelijkspartners kiezen uitdrukkelijk voor een stelsel van huwelijkse voorwaarden waarin er geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap tussen hen bestaat. Zij zien tevens af van het maken van verrekenbedingen. Zij begrijpen dat deze keuze inhoudt dat zij over en weer krachtens huwelijksgoederenrecht niet zullen delen in waardeontwikkeling van ieders vermogen. Zij accepteren volledig de gevolgen van hun keuze. Uitsluiting Artikel 1 De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit. (…) Vergoedingsrechten Artikel 4 Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is, behoudens het bepaalde in lid 2, gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking. (…) Een vergoedingsrecht als bedoeld in de leden 1 en 2 is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten. (…) Kosten van de huishouding en eigendom van (huishoudelijke) goederen Artikel 7 De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Onder de kosten van de huishouding zijn, tenzij de echtgenoten schriftelijk anders overeenkomen, onder meer begrepen de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen, de kosten van gezamenlijke vakanties, de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning, de rente en kosten van geldl Alimentatie Artikel 8b Voor het geval het huwelijk anders dan door overlijden is geëindigd, verzoeken partijen de rechter bij het vaststellen van de alimentatie welke de man aan de vrouw zal dienen te betalen, om de periode dat partijen samenwoonden vóór hun huwelijk, waarvan blijkt uit een notariële samenlevingsovereenkomst, verleden op achtentwintig september tweeduizend één door Mr [naam 1] , destijds notaris te [woonplaats] , mee te wegen, als ware partijen vanaf die periode gehuwd waren. (…)” 2.4. Partijen zijn in oktober 2019 in onderling overleg gescheiden gaan leven. 2.5. Op 6 maart 2021 heeft de vrouw de man medegedeeld van hem te willen gaan scheiden. 2.6. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.7. Uit het huwelijk zijn twee thans (jong)meerderjarige kinderen geboren: [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] , hierna [jongmeerderjarige 1] ; [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats] , hierna [jongmeerderjarige 2] . 3 De verzoeken, het verweer en de zelfstandige verzoeken 3.1. De man verzoekt: ten aanzien van de echtscheiding I. de echtscheiding uit te spreken; ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen: [adres 1] II. te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres 1] aan een derde, waaronder in ieder geval moet worden verstaan dat: de vrouw deze woning binnen één maand na echtscheiding dient te verlaten, zodat de man in de gelegenheid wordt gesteld de woning te verkopen; de man binnen zo spoedig mogelijk maar uiterlijk één maand echtscheiding aan een door partijen gekozen makelaar een opdracht tot verkoop kan verstrekken; bij verkoop en levering van de woning aan een derde de opbrengst van de woning zal worden verminderd met alle met de verkoop samenhangende kosten, waarna het restant tussen partijen kan worden verdeeld; de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 701.084,- aan de man ter zake het vergoedingsrecht van de man; [vakantieadres] III. te bepalen dat de vakantiewoning bindend dient te worden getaxeerd door een ter plaatse bekende NVM-makelaar en dat de kosten hiervan gezamenlijk door partijen dienen te worden gedragen; IV. te bepalen dat de vakantiewoning aan de [vakantieadres] voor de taxatiewaarde aan de man wordt toegedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw; V. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 89.3258,- ter zake het vergoedingsrecht van de man; Beleggingsrekening te Canada VI. te bepalen dat de saldi van de beleggingsrekening ten name van beide partijen aan de man worden toegedeeld onder verrekening van de helft van de waarde hiervan met de vrouw; VII. de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 200.000,- ter zake het vergoedingsrecht van de man; Betaling huurprijs subsidiair gebruiksvergoeding primair VIII. te bepalen dat de vrouw over de periode van 6 maart 2022 tot aan de dag van vertrek uit de woning aan de [adres 1] een huurprijs van € 880,- per maand aan de man dient te voldoen; subsidiair IX. te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding tot aan de levering van de woning aan de man, 2,5% van de waarde van de woning als gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd is, te betalen op het moment van levering van de woning, met bepaling dat de man deze vergoeding zal mogen verhalen op de aan de vrouw toekomende helft van de woning alles via de eindafrekening van de notaris; Kosten rechtens. 3.2. De vrouw voert verweer en verzoekt het verzoek van de man ten aanzien van de echtscheiding aan te houden totdat door de rechtbank op alle punten van de huwelijkse voorwaarden een definitieve beslissing is genomen en er definitieve duidelijkheid is verkregen over de arbeidspositie en WW-positie van de vrouw, althans in het geval partijen niet in onderling overleg tot een afspraak zijn gekom te bepalen dat de man afspraak nakomt tot het kopen en betalen van een woning voor de vrouw van € 817.500,- (€ 815.000 + € 2.500) aan overbieden, te indexeren naar het moment van toewijzing van dit verzoek rekening houdend met de waardestijging in de markt; meest subsidiair XV. te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] zolang zij niet op basis van een afkoopsom partneralimentatie dan wel nakoming van de genoemde afspraak (punt 13 van het verweerschrift) een woning heeft kunnen aankopen en geleverd heeft gekregen en deze bewoonbaar is; XVI. in alle gevallen onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dagdeel dat de man na het betekenen van de beschikking zal nalaten deze afspraak na te komen; Overige verzoeken: XVII. te bepalen dat op grond van artikel 3:178 lid 2 en lid 3 BW de woning aan de [adres 1] en te [vakantieadres] als ook de gemeenschappelijke rekening te Canada onverdeeld blijven; XVIII. tot vaststelling dat de man is gehouden de vrouw de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten te voldoen, waarvan de vrouw de declaraties zal inbrengen op een later moment in de procedure. 3.4. Op 28 juni 2025 heeft de vrouw een aanvullend verzoek ingediend. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man uit hoofde van een vergoeding ex artikel 1:95a BW, dan wel artikel 6:248 BW, dan wel artikel 6:258 BW gehouden is om ten behoeve van de vrouw een woning te kopen en te betalen van € 817.500,00 (€ 815.000,00 + € 2.500,00) aan overbieden, te indexeren naar het moment van toewijzing van dit verzoek rekening houdende met de waarde van de stijging in de markt, dan wel een bedrag aan vergoeding te bepalen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. 3.5. Op 4 juli 2025 heeft de vrouw opnieuw een aanvullend verzoek ingediend. De vrouw verzoekt om, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw een vordering op de man heeft uit hoofde van de kosten huishouding van: € 92.143,00 over 2023; € 100.601,97 over 2024; plus de wettelijke rente ingaande per fine van ieder jaar. 3.6. De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen. 3.7. De rechtbank gaat over tot bespreking van de verzoeken en de verweren. 4 De beoordeling 4.1. Echtscheiding 4.1.1. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 4.1.2. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist maar verzoekt om het verzoek van de man aan te houden totdat op alle punten van de huwelijkse voorwaarden een definitieve beslissing is genomen en er definitieve duidelijkheid is verkregen over de arbeidspositie en WW-positie van de vrouw, althans in het geval partijen niet in onderling overleg tot een afspraak zijn gekomen ten aanzien van de aspecten van de echtscheiding en de arbeidsrelatie en WW-positie. 4.1.3. De man kan zich niet vinden in het verzoek van de vrouw om de echtscheiding aan te houden totdat op alle punten een definitieve beslissing is genomen. 4.1.4. Op grond van artikel 1:151 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) wordt de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Gelet op de stukken en de toelichting van partijen op de mondelinge behandeling, is de rechtbank van oordeel dat de duurzame ontwrichting voldoende is komen vast te staan. Aan de wettelijke vereisten is voldaan zodat de echtscheiding zal worden uitgesproken. 4.2. Vermogensrechtelijke afwikkeling 4.2.1. Partijen hebben verschillende verzoeken ingediend ten behoeve van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding. Verdeling eenvoudige gemeenschappen 4.2.2. Niet ter discussie staat dat de volgende vermogensbestanddelen gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn: de woning aan de [adres 1] ; de vakantiewoning te [vakantieadres] (hierna de vakantiewoning); de Canadese beleggingsrekening op be De rechtbank zal hierna eerst voornoemde verzoeken i) en ii) van de vrouw bespreken en daarna het verzoek van de man bespreken. Ad. i levenslange bewoning 4.2.12. De vrouw stelt dat uit de huwelijkse voorwaarden niet is op te maken wanneer de vrouw de bewoning dient te beëindigen. Hieruit volgt louter en alleen dat dit het eerste jaar na beëindiging van het huwelijk (dat immers geschiedt door de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand) zonder enige vergoeding zal zijn en dat de vrouw ex artikel 8a lid 2 van de huwelijkse voorwaarden als ze de bewoning beëindigt, dit dan een maand van te voren aan de man dient mede te delen. Om die reden kan de vrouw aldus ongelimiteerd in de woning verblijven, aldus de vrouw. Door de weigerachtige opstelling van de man gedurende het echtscheidingstraject en in het bijzonder het weigeren zijn financiële stukken over te leggen, is de vrouw bovendien flink benadeeld en heeft zij de afgelopen periode behoorlijk moeten interen op haar vermogen. Als vergoeding voor haar schade wenst de vrouw een levenslange bewoning van de [adres 1] . De vrouw wenst de woning pas te verlaten als er een deugdelijke, bij haar welstand passende, woning voor haar is aangekocht. 4.2.13. De man voert verweer. De man is van mening dat het verzoek van de vrouw om afgifte van een verklaring voor recht dat zij recht heeft op levenslange bewoning van de woning dient te worden afgewezen. De grondslag hiervoor ontbreekt. Op grond van artikel 3:178 BW heeft ieder der deelgenoten te allen tijde het recht om de verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. De man betwist dat er een wettelijke grondslag, dan wel een contractuele grondslag, bestaat op basis waarvan de verdeling van de woning levenslang kan worden uitgesloten. De vrouw stelt en onderbouwt dit ook niet. Ook onderbouwt zij niet waarom haar belang bij levenslange voortzetting van de bewoning aanmerkelijk groter is dan het belang van de man bij de verdeling. Daarbij is voorts van belang dat de man de woning geheel heeft gefinancierd en een vergoedingsrecht heeft van € 701.084,-. Zijn belang bij verkoop en vergoeding van zijn inbreng, is groter dan het belang van de vrouw bij levenslange bewoning. Voor zover de vrouw doelt op artikel 8a van de huwelijkse voorwaarden, merkt de man het volgende op. Uit dit artikel van de huwelijkse voorwaarden volgt niet dat de vrouw gerechtigd is tot levenslange bewoning van de woning. De omstandigheid dat in het eerste lid van artikel 8a huwelijkse voorwaarden niet wordt genoemd wanneer de termijn van een jaar aanvangt, betekent naar de mening van de man geenszins dat de vrouw ongelimiteerd in de woning zou kunnen blijven wonen. Partijen hebben ook nimmer deze bedoeling gehad bij het maken van deze afspraak in de huwelijkse voorwaarden. 4.2.14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 8a van de huwelijkse voorwaarden niet dat de vrouw gerechtigd is tot levenslange bewoning van de woning. Iedere verdere grondslag voor haar verzoek ontbreekt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Ad. ii bewoning tot aan nakoming afspraak 4.2.15. De vrouw wenst in de woning te blijven bewonen totdat de man de door partijen gemaakte afspraak nakomt. De vrouw stelt dat partijen in onderling overleg zijn overeengekomen dat de vrouw een woning te [plaats] mocht aankopen op haar naam, met een budget van € 1.000.000,-, die de man voor haar zou betalen. De man is deze afspraak niet nagekomen. De vrouw dient in de woning te kunnen blijven wonen totdat zij het bedrag van de man plus inflatiecorrectie heeft ontvangen, deze woning is geleverd en zij deze gereed heeft kunnen maken om te bewonen. De vrouw verzoekt nakoming van die afspraak alvorens zij de woning behoeft te verlaten. 4.2.16. De man betwist dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. De man kan aldus niet aan deze afspraak gehouden worden en de vrouw kan daaraan ook niet de conclusie verbinden dat zij in de woning kan blijven wonen totdat de De man heeft de inleg van € 400.000,- uit zijn vermogen betaald. De waarde van deze effectenrekening is derhalve uitsluitend ontstaan uit het beleggingsresultaat van zijn inleg. De en/of tenaamstelling van de rekening heeft geen betrekking op de goederenrechtelijke aanspraken van de rekeninghouders met betrekking tot het saldo van de rekening, maar uitsluitend op de verbintenisrechtelijke relatie van de rekeninghouders tot de bank. Er wordt slechts mee aangegeven dat ieder van de rekeninghouders zelfstandig over het creditsaldo kan beschikken. Het saldo op de rekening komt geheel aan de man toe. Desalniettemin is de man bereid het saldo van deze rekening bij helfte te delen. 4.2.27. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot toedeling toe, waarbij de rechtbank volgens vaste jurisprudentie als peildatum voor de waardering de datum van de feitelijke verdeling in aanmerking neemt. Dit betekent dat het saldo per die datum het uitgangspunt is. Hieronder zal het verzoek van de man met betrekking tot een vergoedingsrecht aan de orde komen. Vergoedingsrechten 4.2.28. De man maakt met een beroep op artikel 4 lid van de huwelijkse voorwaarden aanspraak op verschillende vergoedingsrechten. Redelijkheid en billijkheid & natuurlijke verbintenis 4.2.29. De vrouw stelt dat de man geen aanspraak kan maken op enig vergoedingsrecht. De man kan de vrouw niet houden – voor zover de vordering van de man gekwalificeerd kan worden als een vordering in de zin van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden – aan de verplichting van artikel 4 op grond van artikel 3:165 BW jo. 6:2 BW jo. 6:248 BW. De man heeft zich aan geen enkele verplichting jegens de vrouw uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden en de wet gehouden en heeft zich op geen enkele wijze ingespannen om in deze zeer complexe zaak waar werkgeverschap en huwelijk door elkaar heen lopen een minnelijk oplossing te bereiken zodat de vrouw in haar levensonderhoud kan voorzien. Ook weigert de man aan de vrouw de benodigde stukken ter beschikking te stellen, zodat zij haar verzoeken niet kan onderbouwen. De huwelijkse voorwaarden bevatten een koude uitsluiting. De uitkomst van de koude uitsluiting is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, de zorgplicht die echtgenoten jegens elkaar hebben (1:81 BW) en de redelijkheid en billijkheid die op deelgenoten van toepassing is. Dit gezien het verschil in inkomens en vooral vermogen, de lange duur van het samenleven en het huwelijk en het gegeven dat de vrouw altijd in de BV van de man heeft gewerkt en daar een bloeiende onderneming van heeft weten te maken. Ook de man heeft de meerdere malen zelf aangegeven de huwelijkse voorwaarden niet redelijk en billijk te vinden. De vrouw verwijst naar e-mails die de man heeft gestuurd naar de notaris en zijn financieel adviseur waarin hij aangeeft dat hij de huwelijksvoorwaarden niet redelijk vindt omdat de vrouw keihard heeft gewerkt in de onderneming en goed werk heeft verricht. Hieruit blijkt duidelijk dat de man een dringende morele verplichting voelde om de zaak financieel recht te gaan trekken. Daarmee strookt niet het verzoek van de man om het door hem betaalde terug te vorderen. Er is sprake van een natuurlijke verbintenis. De man heeft met de financiering van de [adres 1] , de vakantiewoning en de beleggingsrekening voldaan aan een dringende morele verplichting om de vrouw na ontbinding van het huwelijk verzorgd achter te laten. Het betreft een prestatie die de vrouw op grond van moraal en fatsoen toekomt en niet meer kan worden teruggeëist, zodat niet kan worden toegekomen aan zijn vergoedingsrecht op basis van de huwelijkse voorwaarden 4.2.30. De man voert verweer. De man betwist dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat hij aanspraak maakt op zijn vergoedingsrecht. Partijen hebben duidelijke afspraken gemaakt in de huwelijkse voorwaarden waarvan hij nakoming verzoekt. Dat de man een e-mail heeft gestuurd waarin hij verklaart dat de huwelijkse voorwaarden niet redelijk meer waren, De vrouw is goed beloond voor haar werkzaamheden voor de vennootschap van de man, de vrouw is zonder enige investering mede-eigenaar geworden van de woning aan de [adres 1] én de vakantiewoning te [vakantieadres] (waardoor zij profiteert van de waardestijgingen van deze panden) en de beleggingsrekening in Canada is mede op haar naam gesteld. Daarnaast heeft de man de vrouw diverse schenkingen gedaan gedurende het huwelijk. Deze feiten en omstandigheden wijzen er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat de man met de betaling van de aankoopprijs van de [adres 1] heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis waardoor hem geen vergoedingsrecht toekomt. De financiële positie van partijen was voorafgaand aan en tijdens het huwelijk verschillend, maar dat neemt niet weg dat de vrouw over een vermogen beschikte en dat haar vermogen gedurende het huwelijk is uitgebreid. Dit leidt ertoe dat dit verweer van de vrouw eveneens niet slaagt. Hierna zal per vermogensbestanddeel besproken worden wat de hoogte is van de door de man verzochte vergoedingsrechten. De woning aan de [adres 1] 4.2.34. De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 701.084,- aan de man ter zake zijn vergoedingsrecht. 4.2.35. De man stelt een bedrag van in totaal € 1.402.168,- aan privévermogen in de woning te hebben geïnvesteerd, zodat hij op basis van artikel 4 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft van dit bedrag. Met inbegrip van kosten koper heeft hij € 1.334.216,- voldaan voor de aankoop van de woning. Ook heeft hij de aankoopcourtage van € 6.050,- betaald. Daarnaast heeft de man ten behoeve van het herstel/onderhoud van het dakterras, de kozijnen en het schilderwerk van de woning een bedrag van € 58.697,- voldaan. Tot slot heeft de man in de jaren 2022 en 2023 een bedrag van € 3.205,- aan kosten van de opstalverzekering betaald. In totaal heeft de man derhalve tenminste (€ 1.334.216,- + € 6.050,- + € 58.697 + € 3.205,-) € 1.402.168 ten behoeve van de aankoop, herstel, onderhoud en behoud van de woning uit zijn vermogen voldaan. Aangezien de vrouw bij de levering van de woning 50% eigendom heeft verkregen, had zij hiervan 50% voor haar rekening dienen te nemen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft de man op grond artikel 4 lid van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht op de vrouw van € 701.084,-. 4.2.36. De vrouw voert verweer en verzoekt tot afwijzing van het verzoek van de man. De man heeft niet aangetoond dat hij het door hem gestelde bedrag uit eigen vermogen heeft voldaan. De betaling van de [adres 1] is gedaan met een dividenduitkering uit de onderneming van de man en dus niet met privévermogen. Bovendien behoren de kosten koper, aankoopcourtage, kosten voor onderhoud en de kosten voor de opstalverzekering. tot de kosten van de huishouding en vallen niet onder artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden van partijen. 4.2.37. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij de door hem genoemde kostenposten met privévermogen heeft voldaan. Ook dividend uit de onderneming van de man betreft privé-inkomen van de man. De vrouw stelt dat de man een aantal kostenposten heeft voldaan in het kader van de kosten van de huishouding en daarom niet vallen onder artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat de kosten die de man gedurende het huwelijk heeft voldaan ten behoeve van het herstel/onderhoud van het dakterras, de kozijnen en het schilderwerk van de woning ter grootte van in totaal € 58.697,-, als kosten van de huishouding dienen te worden aangemerkt. Op basis van de huwelijkse voorwaarden komt de man aldus een vergoedingsrecht jegens de vrouw toe € 671.735,-. Dit vergoedingsrecht dient de vrouw aan de man te vergoeden bij de verdeling van de woning. De vakantiewoning 4.2.38. De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 89.325,- aan de man ter z De man verwijst naar artikel 8a van de huwelijksvoorwaarden waarin is opgenomen dat de vrouw een jaar in de woning mag blijven wonen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn. Op 6 maart 2022 is dit jaar voorbij omdat de scheidingsmelding door de vrouw reeds is gedaan op 6 maart 2021. Om die reden is de man primair van oordeel dat de vrouw per 6 maart 2022 een huur verschuldigd is aan de man, hetgeen de vrouw tot op heden heeft nagelaten. Subsidiair doet de man een beroep op artikel 1:165 BW juncto artikel 3:169 BW. De man stelt dat de vrouw, in tegenstelling tot de man, vanaf de scheidingsmelding op 6 maart 2021 het volledige gebruiksgenot heeft van de woning. Daarnaast vreest de man dat de vrouw haar medewerking niet zal verlenen aan verkoop van de woning als zij geen enkele vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de woning. De man zoekt aansluiting bij een rendement dat bij de huidige markt op een bankrekening en beleggingsproducten kan worden gehaald van 2,5%. De man verzoekt daarom te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van 2,5% van de waarde verschuldigd is. Een en ander te voldoen op het moment dat de woning notarieel geleverd wordt. 4.2.48. De vrouw voert verweer en stelt dat zij zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn in de woning kan blijven wonen tot in ieder geval een jaar nadat de echtscheidings-beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw verwijst daarbij naar artikel 8a lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn nog altijd gehuwd. De man heeft ook op grond van artikel 1:81 BW de plicht om de vrouw gedurende het huwelijk het nodige te verschaffen. Partijen zijn verder in artikel 7 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de afspraken ten aanzien van de kosten van de huishouding ook van toepassing zijn indien partijen in onderling overleg niet samenwonen. Om die redenen dient dit verzoek te worden afgewezen. Artikel 3:169 BW strekt er onder meer toe de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die daardoor verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. De man is zijn verplichting om in 2023 een huis in [plaats] voor de vrouw te kopen niet nagekomen. Wanneer de man deze verplichting was nagekomen, had zij de woning aan de [adres 1] allang verlaten. Om die reden kan zij nu niet achteraf worden aangesproken op het betalen van een gebruiksvergoeding omdat de vrouw door toedoen van de man nog in de [adres 1] woont. Indien en voor zover er al sprake zou zijn van schade, dient deze louter en alleen voor rekening van de man te komen. De man heeft op basis van de huwelijkse voorwaarden en de afspraak die tussen partijen geldt bovendien de verplichting om voor de duur van het leven van de vrouw een woning aan haar ter beschikking te stellen. Een verzoek tot een gebruiksvergoeding is in strijd met deze verplichting. De vrouw is gezien de wanprestatie ten aanzien van de overeenkomst van 16 juli 2023, van mening dat zij geen enkele vergoeding of huur verschuldigd zal zijn aan de man totdat zij een woning voor het bedrag van € 957.339 - € 1.150.000 te vermeerderen met kosten koper en een woning heeft kunnen aankopen, geleverd heeft kunnen krijgen en een redelijke termijn van negen maanden na de levering heeft gehad om de woning te renoveren en in te richten. 4.2.49. De rechtbank wijst het primaire verzoek van de man af. Partijen zijn in artikel 8a lid 1 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de vrouw een jaar na de echtscheiding in de woning mag blijven wonen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn. Van een situatie als bedoeld in artikel 8a lid 4 van de huwelijkse voorwaarden is thans geen sprake, zodat de grondslag voor deze vordering ontbreekt. Ten aanzien van de door de man subsidiaire verzochte gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank a In geen geval heeft de man aangeboden een woning uitsluitend op naam van de vrouw te kopen. Dit volgt ook niet uit artikel 8a van de huwelijkse voorwaarden. In het licht van de echtscheiding ging er zoveel rond en de man kwam met hulp van vrienden tot de conclusie dat het niet verstandig was nu – naast de [adres 1] – nog een woning voor de vrouw te financieren zonder dat de gehele echtscheiding en de vermogensrechtelijke afwikkeling geregeld was. Om die reden heeft de man zich genoodzaakt gevoeld zijn aanbod om een woning op zijn naam voor de vrouw te financieren in te trekken. De man heeft op 2 oktober 2023 zijn aanbod daartoe ingetrokken. Van een afdwingbare afspraak zoals door de vrouw gesteld is door de herroeping hiervan door de man, dan ook geen sprake. Ook de rechtsgrond van de subsidiaire stelling van de vrouw, dat deze “afspraak” thans leidt tot een veel hoger bedrag vanwege indexering en waardestijging in de markt, ontbreekt. 4.2.56. Tussen partijen is niet in geschil dat zij aanvankelijk hadden afgesproken dat de man een woning voor de vrouw in [plaats] zou financieren. Partijen verschillen evenwel van mening over de voorwaarden waarop. In geschil is of het de bedoeling van partijen was dat deze woning op naam van de vrouw zou komen te staan, dan wel dat de man hiervoor een lening aan de vrouw zou verstrekken. Op de vrouw rust in dit kader de stelplicht en bewijslast. De man heeft uitgelegd dat het zijn bedoeling was een woning te kopen die op zijn naam zou komen, en dat de vrouw deze woning van de man zou huren. Een en ander in lijn met artikel 8a van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Het was nooit de bedoeling van de man om een woning te financieren die vervolgens volledig op naam van de vrouw zou komen te staan. De man heeft dit ook niet eerder voor andere ex-partners van hem gedaan zoals de vrouw stelt. De man heeft alleen een hypothecaire geldlening aan een van zijn ex-partners verstrekt voor de aanschaf van een woning, waarover zij rente aan hem verschuldigd is. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man en het feit dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de man een ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan dat hij een woning zou financieren die op naam van de vrouw zou worden gezet, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af. Passende vergoeding ex artikel 1:95a BW, dan wel 6:248 BW, dan wel 6:258 BW 4.2.57. De vrouw verzoekt te bepalen dat op grond van voornoemde wetsartikelen de man gehouden is om ten behoeve van de vrouw een woning te kopen en te betalen van € 817.500,00 (€ 815.000,00 + € 2.500,00) aan overbieden, te indexeren naar het moment van toewijzing van dit verzoek rekening houdende met de waarde van de stijging in de markt. 4.2.58. De vrouw stelt dat er een wijziging van de rechtsgevolgen van de huwelijkse voorwaarden plaats dient te vinden met toepassing van artikel 6:248 BW. De uitwerking van de huwelijkse voorwaarden is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het aangaan van de huwelijkse voorwaarden had tot doel de risico’s verbonden aan het ondernemerschap van een echtgenoot het hoofd te bieden. Bij een echtscheiding zou de koude uitsluiting niet tot gevolg mogen hebben dat zij kan fluiten naar de vermogensvermeerdering die tijdens het huwelijk optrad als gevolg van het succesvolle ondernemerschap. De vrouw stelt dat zij gecompenseerd dient te worden voor het feit dat zij altijd mee heeft gewerkt in de onderneming van de man maar niet meedeelt in de waardevermeerdering van deze onderneming. Deze correctie dient te geschieden door het toekennen van een vergoeding. Ook is er sprake van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW, de man wil de vrouw niet terug in de onderneming waardoor de vrouw nu werkloos is. De vrouw is ziek. Bovendien zijn er door de onderneming van de man nimmer sociale premies voor de vrouw afgedragen, waardoor zij geen WW zal ontvangen ook geen WIA. De man stelt zelfs dat er geen sprake is geweest van een arbeidsrelatie. Door de opstelli Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. Artikel 6:258 BW is ten opzichte van artikel 6:248 lid 2 BW een bijzondere regeling die betrekking heeft op extreme gevallen die nopen tot een wijziging of gehele, dan wel gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst. In die zin is sprake van een bepaalde rangorde tussen deze bepalingen en slaagt wanneer een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW geen doel treft, een beroep op artikel 6:258 BW evenmin. 4.2.62. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar betoog dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Partijen zijn goed geïnformeerd door de notaris bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, zo volgt uit de huwelijkse voorwaarden. De man heeft daarnaast gedurende het huwelijk de vrouw € 200.000,- geschonken, laat de vrouw meeprofiteren van de waardestijgingen van de woning aan de [adres 1] , de waardestijging van de vakantiewoning en de waardestijging van de beleggingsrekening. Ook was de salariëring van de vrouw voor haar werkzaamheden in de onderneming goed. Gelet op deze opsomming volgt de rechtbank de vrouw niet in haar betoog dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat de man eerder aan de notaris per e-mail heeft aangegeven de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet langer redelijk te achten maakt dit niet anders. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht in welk licht zijn e-mail moet worden gelezen. De man hoopte dat de vrouw bij hem zou blijven en heeft om die reden informatie ingewonnen. De man stelt dat het nooit zijn bedoeling is geweest om de huwelijkse voorwaarden te wijzigen. Dit kwam uit de koker van de vrouw, aldus de man. Het vermogen is afkomstig van de moeder van de man en hij wil onder geen beding dat dit wordt aangetast, hetgeen de vrouw van meet af aan heeft geweten. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:258 BW is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Kosten huishouding 4.2.63. De vrouw verzoekt te bepalen dat zij een vordering op de man heeft uit hoofde van de door haar teveel betaalde kosten van de huishouding. 4.2.64. De man heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw dit verzoek te laat heeft ingediend en dat hij onvoldoende gelegenheid heeft om zich daartegen te verweren. 4.2.65. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) een verzoeker bevoegd is, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Toepassing van artikel 130 Rv brengt met zich mee dat een verandering of vermeerdering buiten beschouwing kan worden gelaten op de grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank stelt vast dat de vrouw niet eerder dan een dag voor de zitting dit verzoek heeft gedaan. De man is door deze gang van zaken geschaad in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. Het verlenen van een aanvullende schriftelijke ronde aan de man zal tot onnodige vertraging van het geding leiden. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek als tardief en derhalve in strijd met de goede procesorde moet worden aangemerkt. Hoewel de vrouw heeft toegelicht dat zij niet eerder over de gewenste financiële gegevens beschikte omdat de man dit weigerde te versturen, volgt de rechtbank de conclusie van de vrouw niet dat zij daarom niet eerder een verzoek kon indienen. De vrouw had eerder een verzoek kunnen en moeten formuleren op basis van de gegevens die zij wel tot haar beschikking had. De vrouw had in ieder geval haar eigen uitgaven en bijdragen inzichtelijk kunnen maken. De rechtbank zal dit verzoek dan ook buiten beschouwing laten. 4. Indien de behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte echter op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. 4.3.9. Beide partijen gaan uit van de hofnorm, maar zij hebben hieraan op een geheel andere wijzing invulling aangegeven. De vrouw stelt dat haar behoefte op basis van de hofnorm € 108.831,- per maand bedraagt en de man stelt dat de behoefte van de vrouw op basis van de hofnorm € 8.779,- bedraagt. Deze zaak leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor toepassing van de hofnorm. Toepassing van de hofnorm zou in dit geval leiden tot een onredelijke uitkomst gelet op het inkomen en vermogen van partijen. De door de vrouw gestelde behoefte op basis van de hofnorm ontbeert naar het oordeel van de rechtbank iedere realiteitszin. Ook is onduidelijk van welk inkomen partijen hebben geleefd. 4.3.10. De rechtbank neemt daarom de door de vrouw in productie 34 die bij haar brief van 4 juli 2025 is overgelegde ‘ behoeftelijst obv [adres 1] ’ als uitgangspunt. De rechtbank hanteert niet de behoeftelijst van de [adres 2] omdat de vrouw daar al niet meer woont sinds 2019. De behoeftelijst van de [adres 2] geeft niet de welstand weer waarin de vrouw zich nu bevindt en ziet daarom niet op de redelijk te verwachten kosten. In 2019 zijn partijen apart gaan wonen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen in 2019 niet apart zijn gaan wonen met het oog op de echtscheiding. Partijen voerden deels een aparte huishouding maar zij bestempelden hun relatie als een zogenoemde LAT-relatie. Om die reden gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van de man om als peiljaar 2018 te hanteren. De vrouw heeft haar behoeftelijst met een flink aantal stukken onderbouwd zodat de rechtbank dit als uitgangspunt neemt. Deze behoeftelijst ziet op het jaar 2024 zodat de daadwerkelijke behoefte nog geïndexeerd dient te worden naar het jaar 2025. De man heeft op enkele punten van de behoeftelijst verweer gevoerd zodat de rechtbank deze punten apart zal bespreken. De behoeftelijst van de vrouw is als volgt: Om privacy-redenen is de afbeelding verwijderd. Onder D. Wonen - G. huur. € 4.783,30 per maand. Deze post zal de rechtbank niet meenemen. De rechtbank heeft reeds onder 4.2.21 overwogen dat de vrouw nog een jaar in de [adres 1] mag blijven wonen zodat de vrouw voorlopig geen huurlasten heeft. Nadat de vrouw de [adres 1] moet verlaten, is de man verplicht om een woning voor de vrouw aan te kopen waarbij dan de maximale reële huurwaarde niet gelegen is boven de dan geldende sociale huurgrens. De rechtbank kan om die reden bij haar berekening nog geen rekening houden met woonlasten aan de zijde van de vrouw. - M. Reserveringen onderhoud woning (binnen): € 383,85 per maand. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, inhoudende dat dit een dubbeltelling betreft, neemt de rechtbank deze post niet mee. Onder E. Vakanties De vrouw heeft in totaal een bedrag van € 4.662,- opgevoerd aan vakantiekosten per maand. De rechtbank volgt de man in zijn verweer dat dit exorbitant hoog is, mede gelet op de door partijen geschetste en onderbouwde levensstijl die de rechtbank comfortabel maar niet uiterst luxueus zou willen benoemen. - Kosten woning Frankrijk: € 2.807,- per maand. De rechtbank houdt geen rekening met dit volledige bedrag, gelet op het verweer van de man. De vrouw heeft geen woning in Frankrijk, dus ook geen vaste lasten voor een woning in Frankrijk. De rechtbank acht een bedrag van € 1.000,- per maand redelijk, mede gelet op het feit dat de vrouw op dit moment geen vakantiekosten voor haar kinderen voor haar rekening behoeft te nemen. Onder F. Overige uitgaven/leven - F. Planten: € 102,67 per maand De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 50,- per maand gelet op het verweer van de man dat het door de vrouw genoemde bedrag niet realistisch is. Onder H. Overige kosten - f. opleidingen: € 229,17 per maand Deze kosten Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw met het uit haar vermogen te behalen rendement in haar eigen levensonderhoud voorziet. De man trekt hieruit de conclusie dat de vrouw afgerond een inkomen uit vermogen van minstens € 30.000,- per jaar heeft. Met het ontvangen bedrag uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zal de vrouw plusminus een bedrag van € 1.000.000,- ontvangen zodat verlangd kan worden dat zij tenminste € 1.500,- per maand gedurende 10 jaar kan interen. De vrouw hoeft haar vermogen immers niet aan te wenden om een woning te kopen, gelet op artikel 8a huwelijkse voorwaarden. Ook zal de vrouw, als zij weer woonlasten krijgt, lage woonlasten krijgen. 4.3.15. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt wel behoeftig te zijn. De vrouw stelt dat zij vanaf oktober 2025 geen inkomsten meer heeft. Haar uitkering stopt op dat moment en zij zal niet voor andere sociale voorzieningen in aanmerking komen gelet op haar vermogen, waar zij nog niet volledig over kan beschikken. De vrouw is nog altijd ziek waardoor zij niet in staat is om elders te werken. De plek die de vrouw vervulde binnen de onderneming van de man, wordt inmiddels ingevuld door de zoon van de man uit een eerdere relatie, waardoor zij binnen de onderneming niet meer werkzaam kan zijn. De vrouw betwist voorts het door de man gestelde rendement te kunnen behalen met haar vermogen. Gelet op de weigerachtige houding van de man is de vrouw de afgelopen periode behoorlijk ingeteerd op haar vermogen. 4.3.16. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw nu ziek en arbeidsongeschikt is is de rechtbank, mede gelet op haar leeftijd en specifiek arbeidsverleden, van oordeel dat de vrouw op dit moment geen resterende verdiencapaciteit heeft. De rechtbank zal voor de berekening van de aanvullende behoefte dan ook geen rekening houden met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Draagkracht van de man 4.3.17. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man over voldoende draagkracht beschikt. De man stelt niet meer dan € 3.918,- bruto per maand te kunnen betalen. 4.3.18. De rechtbank is het met de vrouw eens dat de man zijn financiële positie onvoldoende heeft toegelicht. Het is de rechtbank onder meer niet duidelijk in hoeverre de man in staat is dividend aan zichzelf uit te keren, wat de omvang van zijn vermogen op zijn buitenlandse bankrekeningen betreft en welk rendement hij daarover verwerft. De rechtbank heeft wel uit de stukken af kunnen leiden dat de onderneming van de man een eigen vermogen heeft van drie miljoen euro en er jaarlijks vaste inkomensstromen aan royalty’s binnenkomen van circa € 350.000,-. Daarnaast is de rekeningcourantschuld van de man relatief laag. Ook heeft de man in het verleden aanzienlijke dividenduitkeringen kunnen doen. Nu de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn huidige financiële situatie, gaat de rechtbank er vanuit dat de man over voldoende draagkracht beschikt. De rechtbank stelt het bedrag aan partnerbijdrage op € 17.672,- bruto per maand. Zie de aangehechte berekening. Alimentatietermijn 4.3.19. De vrouw verzoekt de alimentatietermijn, ingevolge het bepaalde in artikel 1:157 lid 3 BW, op tien jaar te bepalen. 4.3.20. De man erkent dat de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden in beginsel tien jaar duurt. De man stelt echter dat op grond van de wet, artikel 1:160 BW, de onderhoudsplicht eerder kan eindigen als de man (of de vrouw) komt te overlijden. De alimentatietermijn kan dus korter zijn dan 10 jaar. 4.3.21. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud, in afwijking van artikel 1:157 lid 1 BW, op grond van artikel 1:157 lid 3 BW jo. artikel 8b van de huwelijkse voorwaarden van partijen eindigt na tien jaren. Gelet hierop heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijst. De bijdrage in de kosten van levensonder