Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:7074
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,527 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/156098-25
Datum uitspraak: 11 september 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 april 2025 door the Regional Court in Bielsko-Biała, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentie adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een combined judgement of the District Court in Bielsko-Biała van 10 oktober 2019, met kenmerk III K 278/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, tien maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd nu niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen bij het proces dat heeft geleid tot het samenvoegingsvonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een samenvoegingsvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Ten aanzien van de vraag of aan de weigeringsgrond toepassing moet worden gegeven of dat daarvan kan worden afgezien, stelt de rechtbank vast dat uit aanvullende informatie van 4 september 2025 blijkt dat het proces dat tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid niet op verzoek van de opgeëiste persoon is aangevangen. Het vonnis is immers “ex officio”, dat wil zeggen op initiatief van the District Court in Bielsko-Biała, gewezen. Daarnaast kan de rechtbank op basis van de aanvullende informatie niet vaststellen dat aan de opgeëiste persoon duidelijk is gemaakt dat de in een eerdere (onderliggende) zaak gegeven adresinstructie ook zou gelden voor het proces dat tot het samenvoegingsvonnis heeft geleid.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was of had kunnen zijn van de procedure die heeft geleid tot het samenvoegingsvonnis. Om die reden is geen sprake van een situatie waarin hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de zitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid aanwezig te zijn, dan wel waarin zijn afwezigheid ter zitting aan onzorgvuldigheid van zijn kant was te wijten. Daarom wordt de overlevering geweigerd.
Gelet op het voorgaande hoeven de onderliggende vonnissen niet te worden getoetst aan artikel 12 OLW en behoeven de overige verweren geen bespreking.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bielsko-Biała (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
STELT VAST dat de overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.