Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:7071
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,250 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6499
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Bozia),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om compensatie kinderopvangtoeslag over het jaar 2011.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met een besluit van 31 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde waren aanwezig. Namens verweerder waren zijn twee gemachtigden aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft op 12 mei 2021 verzocht om compensatie kinderopvangtoeslag over het jaar 2011. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Met het bestreden besluit is verweerder, onder verwijzing naar een advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, bij de afwijzing gebleven. In dit advies staat dat niet aannemelijk is geworden dat de verlaging op 5 december 2013 van kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelswijze van verweerder. De herziening van de toeslag op 5 december 2013 is namelijk gebaseerd op door eiseres overgelegde gegevens. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor compensatie op grond van artikel 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), onder meer niet omdat voor haar een kwalificatie van opzet of grove schuld ontbreekt.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder het verzoek om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig en vooringenomen heeft gehandeld door haar niet om nadere informatie te vragen naar aanleiding van een op 23 augustus 2012 door eiseres opgestuurd antwoordformulier waarin eiseres een wijziging heeft doorgegeven. In het antwoordformulier heeft eiseres doorgegeven dat haar dochter alleen in de eerste helft van 2011 opvang had genoten. Eiseres had voordien echter doorgegeven dat haar dochter het hele jaar 2011 opvang heeft genoten. Eiseres ging er vanuit dat verweerder de jaaropgave van de kinderopvanginstelling met het juiste aantal in 2011 genoten opvanguren al had. Verweerder mocht in deze situatie niet uitgaan van de gegevens die eiseres in het antwoordformulier heeft ingevuld en had daarom navraag moeten doen bij eiseres. Op de zitting heeft eiseres nog toegelicht dat in haar geval zoveel vreemde en onzorgvuldige dingen zijn gebeurd, dat het niet anders kan dan dat sprake was van vooringenomenheid. Zo heeft eiseres op 23 augustus 2012 niet één, maar twee jaaropgaven van de kinderopvanginstelling bij het antwoordformulier gevoegd. Het juiste formulier is echter bij verweerder zoek geraakt. Ook volgt uit de uitdraai van het beoordelingssysteem van verweerder dat zonder aanleiding onderzoek is gedaan naar eiseres en is het vreemd dat het bezwaarschrift van eiseres van 12 december 2013 bij verweerder is zoekgeraakt. Eiseres stelt dat dit alles te maken had met haar Turkse achternaam.
6. Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht bepaalt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem (a) sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of (b) van onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem.
7. Eiseres volgde in 2011 een universitaire studie en haar dochter ging naar de opvang. Eind 2010 heeft eiseres voor haar dochter kinderopvangtoeslag aangevraagd voor geheel 2011 waarna aan haar een voorschotbedrag is toegekend van € 8.366. Op
1 februari 2011 heeft zij voor 2011 een wijziging in opvanguren doorgegeven, waarna het bedrag is bijgesteld naar € 8.819. Op 23 augustus 2012 heeft eiseres in een antwoordformulier opgegeven dat zij over 2011 in totaal 993 opvanguren had afgenomen tegen een totaalprijs van € 5.866,80. Bij dit antwoordformulier was een jaaropgave van 25 januari 2012 gevoegd van de kinderopvanginstelling waaruit blijkt dat over de maanden januari tot en met juni 2011 992,70 uren kinderopvang waren afgenomen tegen een totaalprijs van € 5.866,80. Met een besluit van 5 december 2013 heeft verweerder de definitieve kinderopvangtoeslag voor 2011 bijgesteld naar € 4.421,- en bepaald dat eiseres € 4.398,- moest terugbetalen. Dit bedrag had eiseres niet. Zij leefde destijds van een bijstandsuitkering. Het heeft haar veel stress bezorgd, zowel voor haar dochter als voor haarzelf. Naar aanleiding van het door eiseres ingediende bezwaar tegen het besluit van 5 december 2013 is dat besluit herzien en is de kinderopvangtoeslag over 2011 op basis van nieuwe gegevens met een besluit van 19 juli 2014 naar boven bijgesteld naar € 8.643.
8. De rechtbank is het eens met verweerder dat hij heeft mogen afgaan op de informatie die eiseres aan hem heeft doorgegeven en dat hij geen aanleiding had om bij haar te verifiëren of wat in het antwoordformulier van 23 augustus 2012 stond, klopte. Daarbij is van belang dat wat in het antwoordformulier was ingevuld strookte met de informatie in de bijgevoegde jaaropgave. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat hij af mag gaan op de informatie die eiseres aan hem doorgeeft en dat het aan een ouder is om juiste en volledige gegevens door te geven. Op de zitting heeft verweerder nog toegelicht dat het normaal is dat dit soort correcties na afloop van een toeslagjaar worden doorgegeven. Dat heeft ermee te maken dat dingen anders kunnen lopen dan vooraf voorzien. Een kind kan bijvoorbeeld na een half jaar van de opvang gaan of naar een ander soort van opvang gaan. Het is dan altijd aan de ouder om een dergelijke wijziging door te geven en er wordt dan normaalgesproken niet bij de ouder nagevraagd of de doorgegeven wijziging klopt. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende overtuigend toegelicht dat op 5 december 2013 sprake is geweest van een reguliere neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag. Niet is gebleken dat bij dat besluit sprake is geweest van vooringenomenheid vanwege de achternaam van eiseres.
9. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat de argumenten waarmee eiseres op de zitting nog heeft getracht aan te tonen dat sprake is geweest van vooringenomenheid, te laat zijn aangevoerd. Door deze punten zo laat in de procedure aan te voeren overvalt zij verweerder en de rechtbank en handelt zij in strijd met de goede procesorde. Eiseres heeft niet toegelicht waarom zij deze argumenten niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. De rechtbank laat ze daarom buiten beschouwing.
10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Koning, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.