Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:706
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,574 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-365871-24
Datum uitspraak: 4 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2020 door the District Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court of Lublin van 8 mei 2019 met kenmerk IV K 201/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. De opgeëiste persoon is in augustus 2014 gehoord door de politie in Polen en heeft toen een adresinstructie ontvangen. Het Nederlandse openbaar ministerie heeft aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of de opgeëiste persoon daarbij ook is gewezen op de consequenties van het eventueel niet-naleven van die adresinstructie. De verdediging meent dat niet vastgesteld kan worden dat dit is gebeurd. Mede hierom is het niet aan de opgeëiste persoon te wijten dat hij niet bereikbaar was voor officiële correspondentie. Daarnaast weet de Poolse politie al sinds oktober 2015 dat de opgeëiste persoon niet meer op het door hem opgegeven adres woont en toch lijkt officiële correspondentie naar dat adres te zijn verzonden. Zijn familie woont tot op heden op het toen door de opgeëiste persoon opgegeven adres en die zeggen niets ontvangen te hebben. Daarbij is relevant dat het vijf jaar heeft geduurd tot er een zitting was en dat het feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. Hierdoor is het mogelijk dat de opgeëiste persoon zich niet realiseerde dat er nog een strafzaak speelde. Al met al zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet geëerbiedigd door de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet in de weg staat aan overlevering. Uit de aanvullende informatie van
9 januari 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon is geïnformeerd over de consequenties van het eventueel niet-naleven van de adresinstructie. Het is in strijd met het vertrouwensbeginsel om te twijfelen aan juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit zonder enige onderbouwing. Hoewel een aantal jaren is verstreken tussen de ontvangst van de adresinstructie in 2015 en de eerste zitting in 2019, blijkt uit de aanvullende informatie van
9 januari 2025 dat de opgeëiste persoon sinds oktober 2015 niet meer op het door hem opgegeven adres verblijft en geen adreswijzigingen heeft doorgegeven. Dit heeft de opgeëiste persoon ter zitting bevestigd. Hiermee heeft de opgeëiste persoon in 2015 al stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht aanwezig te zijn ter zitting en kan worden afgezien worden van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De opgeëiste persoon heeft volgens de aanvullende informatie van 27 december 2024 op
28 augustus 2014, tijdens het vooronderzoek (the pre-trial proceedings), een adresinstructie ontvangen en daarvoor getekend. Hij was aldus op de hoogte van de strafrechtelijke procedure die (mogelijk) zou worden gestart. Vervolgens is de oproep voor de terechtzitting naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd, alsook de aanklacht. Beide stukken zijn niet opgehaald en daarom retour gezonden. Na onderzoek van de politie bleek dat de opgeëiste persoon in ieder geval sinds oktober 2015 niet meer woonachtig was op het door hem opgegeven adres. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze door de uitvaardigende autoriteit verstrekte gegevens.
Hoewel de zitting een aantal jaren na de ontvangst van de adresinstructie heeft plaatsgevonden, was de opgeëiste persoon dus al sinds 2015 niet meer bereikbaar voor justitie op het door hem opgegeven adres. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij geen adreswijzigingen heeft doorgegeven.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het wel of niet geïnformeerd zijn over de consequenties van het niet-naleven van de adresinstructie maakt dit niet anders. Het lag op de weg van de opgeëiste persoon zich bereikbaar te houden voor de justitiële autoriteiten na het eerste verhoor.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat niet is voldaan aan deze eisen ten aanzien van de feiten, omdat deze feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. De Nederlandse wet kent namelijk geen strafbaarstelling voor het exploiteren van prostitutie of het deelnemen aan een organisatie met als doel het organiseren van sekswerk, zolang er geen minderjarigen bij betrokken zijn en geen sprake is van een uitbuitingssituatie. Blijkens aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit waren alle prostituees meerderjarig en was van een uitbuitingssituatie geen sprake.
De rechtbank zal dus moeten beoordelen of er argumenten zijn om af te zien van weigering van de overlevering voor deze feiten vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Deze beoordeling zal de rechtbank hierna onder 5 uitvoeren, in het kader van de toepassing van de weigeringsgrond ex artikel 6a OLW.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
5.1
Gelijkstelling
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Uit de brief van 4 december 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 3 september 2024 is geregistreerd als een duurzaam in Nederland verblijvende EU-burger. Het oorspronkelijk verblijfsrecht gaat terug tot 13 augustus 2018. De rechtbank is op grond van deze informatie van oordeel dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 7 januari 2025 volgt dat verblijfsbeëindiging niet aan de orde is vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid van de feiten. Hiermee bestaat niet de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
5.2.
Gevolgen van de gelijkstelling met een Nederland ex artikel 6a OLW
Standpunt van de verdediging
De rechtbank heeft eerder afgezien van weigering op grond van artikel 7 OLW in gevallen waar sprake was van meerdere feiten waarvan er één of een aantal niet strafbaar waren naar Nederlands recht. In die gevallen kan accessoir overgeleverd worden. Dit gebeurt dan onder verwijzing naar het gebrek aan aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde, dat de dader en slachtoffers afkomstig zijn uit het uitvaardigende land en dat het één of een aantal van meerdere feiten betreft terwijl de overige feiten wel aan het vereiste van dubbele strafbaarheid voldoen. In deze zaak is de strafbaarheid van de feiten wellicht te herleiden naar de katholieke cultuur die in Polen erg leeft. Het is daarnaast niet duidelijk wie schade heeft geleden door de feiten, aangezien geen dwang of geweld is toegepast bij de vrouwen die het werk uitvoerden. De opgeëiste persoon heeft zijn leven in Nederland opgebouwd, kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en wenst niet terug te keren naar Polen. Bovendien betreffen het feiten van meer dan tien jaar geleden. Dit alles in samenhang bezien leidt ertoe dat de rechtbank de overlevering dient te weigeren vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid.
Het weigeren van de overlevering met strafovername voor feiten die niet strafbaar zijn naar Nederlands recht botst met de regeling in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) en is hierom niet een geschikte oplossing, maar dient uiterst subsidiair toegepast te worden indien de rechtbank voornoemde beredenering niet volgt.
Standpunt van de officier van justitie
Het weigeren van de overlevering met strafovername lijkt een logische keuze omdat het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon in Nederland ligt, gelet op de (voornamelijk economische) binding die de opgeëiste persoon met Nederland heeft. Het is echter zo dat de WETS niet de mogelijkheid biedt om bij strafovername af te zien van weigering voor het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Weigering met strafovername is in deze zaak hierom niet mogelijk. Indien de rechtbank de mogelijkheid hiertoe wel ziet, refereert het openbaar ministerie zich aan haar oordeel. Straffeloosheid dreigt echter als de rechtbank de overlevering weigert vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Deze beslissing zou dan ook in strijd zijn met de achterliggende doelen van Europese samenwerking in het kader van overlevering.
Resocialisatie en straffeloosheid dienen tegen elkaar te worden afgewogen en ook dient meegenomen te worden dat een volledige weigering de opgeëiste persoon belemmert in het gebruik van zijn recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie. Hierom dient de overlevering te worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
Indien sprake is van gelijkstelling met een Nederlander kan op grond van artikel 6a OLW de overlevering worden geweigerd, als de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Ten aanzien van het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het vonnis van the District Court of Lublin van 8 mei 2019 heeft de rechtbank onder 4 vastgesteld dat de feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. Zij ziet echter aanleiding om, ondanks het ontbreken van dubbele strafbaarheid, de weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW niet toe te passen en de tenuitvoerlegging van de voor die feiten in Polen opgelegde straf over te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Feiten
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, vierde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a van toepassing is, dient de overlevering te worden geweigerd.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Lublin, Polen.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.