Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-07-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:6866
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/757874 / HA ZA 24-1136
Vonnis van 9 juli 2025
in de zaak van
de besloten vennootschappen
1. [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,3. [gedaagde 3] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,4. [gedaagde 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,5. [gedaagde 5] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,6. [gedaagde 6] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 3] ,7. [gedaagde 7] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 4] ,8. [gedaagde 8] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,9. [gedaagde 9] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 5] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. T.J.G. Heideveld,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
1De zaak in het kort
1.1.
[gedaagden] heeft jarenlang een kredietfaciliteit bij ING gehad. ING heeft de kredietrelatie met [gedaagden] op 3 juni 2020 beëindigd. [gedaagden] vordert een verklaring voor recht dat ING met deze beëindiging is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, dan wel onrechtmatig tegenover [gedaagden] heeft gehandeld, en dat ING de schade die [gedaagden] daardoor heeft geleden dient te vergoeden. Ook vordert [gedaagden] een schadevergoeding nader op te maken bij staat. Primair stelt zij dat ING volgens de kredietvoorwaarden niet bevoegd was om de kredietrelatie te beëindigen. Subsidiair stelt zij dat de beëindiging van de kredietrelatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, onder meer vanwege de langdurige klantrelatie, de timing van de beëindiging tijdens de coronapandemie en de zekerhedenpositie van ING.
1.2.
De vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen. ING was op grond van de kredietvoorwaarden bevoegd om de kredietrelatie te beëindigen en deze beëindiging was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 oktober 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord van 8 januari 2025 met producties;
- het tussenvonnis van 5 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties van ING;
- de akte overlegging aanvullende producties van [gedaagden] ; en
- de mondelinge behandeling van 15 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[gedaagden] is een bedrijf dat zich bezighoudt met de detailhandel in lederwaren en reisartikelen. [naam 1] ( [naam 1] ) is bestuurder en (indirect) aandeelhouder van [gedaagden]
3.2.
[gedaagden] is ruim 40 jaar klant geweest van ING en haar rechtsvoorgangster. Op de kredietfaciliteit die zij bij ING had afgesloten waren de Algemene Kredietvoorwaarden van ING (AKV) van toepassing.
3.3.
Op 3 augustus 2016 heeft ING het beheer van de kredietfaciliteit van [gedaagden] overgedragen aan haar afdeling intensief beheer, vanwege (onder meer) het feit dat de voorgaande jaren verlies werd gemaakt en de cash flow niet toereikend was om de aflossingen te betalen.
3.4.
Op 31 mei 2018 heeft ING het beheer van de kredietfaciliteit van [gedaagden] weer teruggeplaatst bij het reguliere beheer.
3.5.
ING heeft op 13 november 2018 mondeling aan [gedaagden] meegedeeld dat het beheer van de kredietfaciliteit van [gedaagden] opnieuw werd overgedragen aan haar afdeling intensief beheer. In een brief van 22 november 2018 heeft ING toegelicht dat de reden daarvoor was dat [gedaagden] met liquiditeitsproblemen kampte en dat zij zich zorgen maakte over de continuïteit van [gedaagden] In dezelfde brief heeft ING toegezegd om het rekening courant krediet van [gedaagden] tijdelijk, tot uiterlijk 23 december 2018, met € 100.000,-- te verhogen.
3.6.
[gedaagden] heeft hierop bij brief van 30 november 2018 geantwoord dat ING [gedaagden] op haar eigen verzoek weer bij intensief beheer had geplaatst. [gedaagden] heeft in deze brief ook een aantal voorgenomen wijzigingen in haar bedrijfsvoering aangekondigd, waaronder de sluiting van haar winkels in [vestigingsplaats 6] en [vestigingsplaats 5] en – bij een goed bod – de verkoop van het winkelpand in [vestigingsplaats 6] .
3.7.
ING heeft hierop per e-mail van 3 december 2018 gereageerd dat de overdracht naar intensief beheer niet op verzoek van [gedaagden] had plaatsgevonden, maar op basis van de redenen zoals genoemd in haar brief van 22 november 2018. Ook heeft ING [gedaagden] in deze e-mail verzocht om spoedig een prognose en begroting voor 2019 aan te leveren. [gedaagden] heeft deze informatie vervolgens bij ING aangeleverd.
3.8.
Op 14 december 2018 heeft ING de tijdelijke verhoging van het rekening courant krediet van [gedaagden] – op verzoek van [gedaagden] – met 6 weken verlengd tot 5 februari 2019.
3.9.
Op 6 februari 2019 heeft er een overleg tussen (vertegenwoordigers van) ING en [gedaagden] plaatsgevonden. ING heeft daarna in een brief van 12 februari 2019 meegedeeld dat uit een door [gedaagden] opgestelde prognose en begroting voor 2019 geen liquiditeitstekort leek te volgen, maar dat bij de bespreking op 6 februari 2019 was gebleken dat [gedaagden] wel degelijk met liquiditeitstekorten kampte. ING heeft [gedaagden] in deze brief ook (weer) een tijdelijke verhoging van het rekening courant krediet met € 80.000,-- toegezegd, zodat [gedaagden] de voorgenomen reorganisatiemaatregelen kon doorvoeren. Daarnaast zou zij de aflossingen van 1 januari en 1 april 2019 ten bedrage van € 15.000 tijdelijk opschorten. Zij heeft [gedaagden] daarbij gewaarschuwd dat als de resultaten in 2019 zouden tegenvallen, zij de liquiditeitsproblemen van [gedaagden] niet meer zou invullen met extra krediet en dat [gedaagden] in dat geval zelf zou moeten zorgen voor kapitaalversterking. ING heeft [gedaagden] in deze brief ook geadviseerd om na te denken over alternatieven en om een externe adviseur met ervaring in turnaround aan te trekken om [gedaagden] daarbij te begeleiden.
3.10.
ING heeft [gedaagden] op 3 mei en 24 juni 2019 verzocht om de cijfers van de eerste helft van 2019 en een uitwerking van de reorganisatieplannen te verstrekken. [gedaagden] heeft daarna de cijfers over de periode januari tot en met augustus 2019 aan ING verstrekt.
3.11.
ING heeft [gedaagden] bij brief van 6 december 2019 bericht dat zij nog niet kon bepalen of voortzetting van de kredietfaciliteit in 2020 verantwoord was, omdat het bedrijf van [gedaagden] sinds 2014 ieder jaar, met uitzondering van 2017, verlieslatend was geweest en uit de door [gedaagden] verstrekte cijfers over 2019 (tot en met augustus) een verlies van € 126.000,-- volgde. Ook benadrukte ING dat [gedaagden] de uitgewerkte reorganisatieplannen nog niet had verstrekt en adviseerde zij [gedaagden] opnieuw om een externe adviseur met ervaring in turnaround in te schakelen. Voorts heeft ING [gedaagden] in deze brief verzocht uiterlijk 15 januari 2020 de volgende informatie aan te leveren:
“- Definitieve cijfers accountant 2018.
- Plan van aanpak om de rentabiliteit te verbeteren.
- Latest estimate 2019
- Prognose 2020
- Liquiditeitsoverzicht geheel 2020 incl. investeringen, aflossingen en reductie belastingdienst.
- Overzicht achterstand belastingdienst en de gemaakte afspraken hierover.”
3.12.
[gedaagden] heeft hierop bij brief van 5 januari 2020 gereageerd dat zij de benadering van ING tegenover haar bedreigend vond en ING verzocht om op korte termijn een fysieke bespreking te plannen.
3.13.
ING heeft [gedaagden] bij e-mail van 15 januari 2020 bericht dat een bespreking op korte termijn weinig zin had, omdat [gedaagden] eerst de gevraagde informatie moest verstrekken. Ook heeft ING de termijn van haar informatieverzoek in deze e-mail verlengd naar 28 januari 2020.
3.14.
[gedaagden] heeft hierop bij e-mail van eveneens 15 januari 2020 gereageerd dat ING het gesprek met haar blijkbaar niet aan wilde gaan en dat zij de door ING gevraagde informatie zal verstrekken, maar niet vóór 28 januari 2020. [gedaagden] gaf hiervoor als reden dat zij de cijfers voor 2019 eerst definitief wilde laten opmaken, mede om kosten te besparen.
3.15.
ING heeft [gedaagden] bij brief van 17 januari 2020 bericht dat zij bereid was om [gedaagden] nog een laatste keer uitstel te geven – tot 1 februari 2020 – om de gevraagde informatie te verstrekken. ING heeft [gedaagden] in deze brief ook gewaarschuwd voor de (mogelijke) beëindiging van de kredietrelatie uit hoofde van artikel 9.1 sub b van de AKV, omdat [gedaagden] in gebreke was met het aanleveren van de gevraagde financiële informatie.
3.16.
In januari 2020 heeft [gedaagden] [naam 2] ( [naam 2] ) als extern adviseur ingeschakeld.
3.17.
Op 28 januari 2020 vond er een bespreking tussen (vertegenwoordigers van) ING, [gedaagden] en [naam 2] plaats, waarbij [naam 2] heeft toegezegd dat hij een reorganisatieplan voor [gedaagden] zou uitwerken en dit uiterlijk begin maart 2020 aan ING zou verstrekken.
3.18.
[naam 2] heeft zijn reorganisatieplan voor [gedaagden] op 19 maart 2020 naar ING gemaild. Dit plan (‘ [gedaagden] 2.0’) bevatte een ‘plan A’ en een ‘plan B’. ‘Plan A’ hield onder andere in dat [gedaagden] drie winkels zou sluiten, waaronder de winkels in [vestigingsplaats 6] en [vestigingsplaats 5] . Ook bevatte ‘plan A’ een verzoek om de kredietfaciliteit uit te breiden met € 250.000,--, waarvan € 120.000,-- bestemd was voor het opvangen van geprognosticeerde verliezen in 2020. ‘Plan A’ bevatte verder een aflossingsvoorstel, waarbij werd opgemerkt dat aflossing in de eerste jaren geen optie was. ‘Plan B’ kwam in feite neer op sluiting van alle winkels van [gedaagden] en het verhuren of verkopen van het vastgoed om vanuit een mogelijke overwaarde het pensioen van [naam 1] veilig te stellen.
3.19.
Op 20 maart 2020 hebben ING, [naam 2] en [gedaagden] telefonisch contact gehad over het door [naam 2] opgestelde reorganisatieplan.
Geschil
4.1.
[gedaagden] vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat ING toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de kredietovereenkomst dan wel onrechtmatig tegenover [gedaagden] heeft gehandeld door de kredietrelatie met [gedaagden] te beëindigen en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [gedaagden] geleden schade;
ING veroordeelt tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat; en
ING veroordeelt in de kosten van het geding.
4.2.
[gedaagden] legt aan haar vorderingen primair ten grondslag dat ING volgens de kredietvoorwaarden niet bevoegd was om de kredietrelatie te beëindigen, omdat de door ING aangevoerde beëindigingsgronden op het moment van de beëindiging niet aan de orde waren. Subsidiair legt [gedaagden] aan haar vorderingen ten grondslag dat de beëindiging van de kredietrelatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
4.3.
ING voert verweer, waarop hierna, voor zover nodig, zal worden ingegaan.
Beoordeling
5.1.
De vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen. ING is namelijk niet tekort geschoten in de nakoming van de kredietovereenkomst en heeft niet onrechtmatig tegenover [gedaagden] gehandeld. ING moet bij haar dienstverlening zorgvuldig zijn en zo goed mogelijk rekening houden met de belangen van haar klanten. Zij heeft deze zorgplicht tegenover [gedaagden] niet geschonden. Zij was op grond van de kredietvoorwaarden namelijk bevoegd om de kredietrelatie met [gedaagden] te beëindigen en die beëindiging was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
ING was volgens de kredietvoorwaarden bevoegd om de kredietrelatie te beëindigen
5.2.
ING stelt dat zij de kredietrelatie met [gedaagden] heeft beëindigd op grond van artikel 9, lid 1, sub b, h en o van de AKV. Uit deze bepaling volgt dat de kredietfaciliteit (onder andere) automatisch eindigt als:
de kredietnemer niet op tijd de informatie verstrekt die de bank nodig heeft (sub b);
er sprake is van een belangrijke verandering of beperking in het bedrijf of het beroep van de kredietnemer (sub h); of
er voldoende reden is om aan te nemen dat de kredietnemer zijn schuld aan de bank niet of niet op tijd kan betalen (sub o).
5.3.
In de beëindigingsbrief van 3 juni 2020 staat dat de kredietrelatie van [gedaagden] op grond van de AKV, in het bijzonder artikel 9, lid 1, sub h en o, automatisch eindigt. Hoewel ING in deze brief niet expliciet een beroep heeft gedaan op artikel 9, lid 1, sub b van de AKV, blijkt uit haar brieven van 6 december 2019 en 17 januari 2020, waarnaar zij in haar beëindigingsbrief verwijst, dat de kredietrelatie mede op basis van artikel 9, lid 1, sub b van de AKV is beëindigd. ING heeft [gedaagden] in de periode vóórafgaand aan de beëindiging van de kredietrelatie namelijk herhaaldelijk gevraagd om informatie te verstrekken om te kunnen bepalen of voortzetting van de kredietfaciliteit verantwoord was. ING heeft daarbij expliciet gewezen op artikel 9, lid 1, sub b, van de AKV en het risico van beëindiging van de kredietrelatie. Ondanks dat ING de termijn voor het verstrekken van de gevraagde informatie twee keer heeft verlengd, heeft [gedaagden] niet aan dit informatieverzoek voldaan. Alleen al om deze reden was ING volgens de kredietvoorwaarden, en specifiek artikel 9 lid 1 sub b van de AKV, bevoegd om de kredietrelatie te beëindigen. De stelling van [gedaagden] dat zij de cijfers over 2019 niet binnen de door ING gestelde termijn zou verstrekken, omdat zij deze – mede vanwege kostenbesparingen – eerst definitief wilde (laten) maken, maakt het voorgaande niet anders. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van [naam 2] vanaf januari 2020, nu niet is gebleken dat [gedaagden] daardoor niet meer aan het informatieverzoek van ING hoefde te voldoen.
De beëindiging was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
5.4.
Als uitgangspunt geldt dat de beëindigingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid niet onbegrensd zijn en dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele beëindigingsbevoegdheid gebruikmaakt. Of dit laatste het geval is, moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de beëindiging.
5.5.
[gedaagden] heeft in dit kader aangevoerd dat zij al veertig jaar klant was bij ING. Hoewel zij eerder wel liquiditeitsproblemen heeft gehad, had zij op het moment van de beëindiging van de kredietrelatie geen achterstanden in de betaling van aflossingen en rente en was er op dat moment geen sprake van overstanden. Zij had op dat moment zelfs concreet uitzicht op betere resultaten met haar winkels in [vestigingsplaats 6] , [vestigingsplaats 3] , [vestigingsplaats 4] en [vestigingsplaats 1] en de omzet zat eind 2019/begin 2020 in een stijgende lijn. Op aandringen van ING had zij begin 2020 [naam 2] als turnaround manager aangesteld om [gedaagden] in overleg met ING toekomstbestendig te maken. [gedaagden] vertrouwde erop dat op basis van het rapport ‘ 2.0’ de kredietrelatie zou worden voortgezet. ING heeft die indruk ook gewekt door na aanstelling van [naam 2] niet meer te spreken over beëindiging van de kredietrelatie. Desondanks heeft ING ineens de kredietrelatie beëindigd, terwijl [gedaagden] op dat moment door de coronacrisis juist veel belang had bij voortzetting. ING had op het moment van beëindiging een zeer sterke zekerhedenpositie en (dus) een laag kredietrisico. De verhypothekeerde panden in [vestigingsplaats 6] en [vestigingsplaats 1] waren, blijkens twee taxatierapporten uit 2019, samen € 2.250.000,-- waard, tegenover een schuld van € 1.067.122,04. ING had de kredietrelatie dus niet mogen beëindigen, gezien het belang van [gedaagden] bij voortzetting daarvan. In elk geval had ING niet al haar producten hoeven beëindigen, maar had zij ook een deel van de kredietfaciliteit in stand kunnen laten.
5.6.
Vast staat dat [gedaagden] vanaf 2014, met uitzondering van 2017, verlieslatend is geweest. Het grootste deel van deze periode was zij ondergebracht bij de afdeling intensief beheer. In 2018 en 2019 heeft ING de kredietruimte van [gedaagden] twee keer tijdelijk verruimd om de liquiditeitsproblemen van [gedaagden] op te vangen. In februari 2019 heeft ING daarbij benadrukt dat als de resultaten in 2019 weer zouden tegenvallen, zij de liquiditeitsproblemen van [gedaagden] niet meer zou invullen met extra krediet. Ook heeft zij toen geadviseerd na te denken over alternatieven en om een externe adviseur met ervaring in turnaround aan te trekken voor begeleiding daarbij, welk advies [gedaagden] pas een jaar later, begin 2020, heeft opgevolgd. ING heeft [gedaagden] daarnaast op 6 december 2019, 13 en 17 januari 2020 verzocht om binnen korte termijn informatie te verstrekken, waarbij ING heeft benadrukt die informatie nodig te hebben om te kunnen bepalen of voortzetting van de kredietfaciliteit van [gedaagden] in 2020 verantwoord was. ING heeft daarbij expliciet gewezen op artikel 9, lid 1, sub b, van de AKV en het risico van beëindiging van de kredietrelatie. [gedaagden] mocht er dan ook niet op vertrouwen dat met het enkele aanstellen van een turnaroundmanager de eventuele beëindiging van de kredietrelatie van de baan was.
5.7.
In maart 2020 werd vervolgens het rapport ‘ [gedaagden] 2.0’ namens [gedaagden] aan ING opgeleverd waarin twee scenario’s werden geschetst. ‘Plan A’ waarbij o.a. de winkels in [vestigingsplaats 6] en [vestigingsplaats 5] gesloten zouden worden en een verruiming van de kredietfaciliteit van € 250.000,-- nodig was om onder meer de verwachte verliezen van 2020 op te vangen. Hierbij werd ook opgemerkt dat aflossing de eerste jaren geen optie zou zijn. Bij ‘Plan B’ zouden alle winkels worden gesloten en het onroerend goed zou worden verkocht of verhuurd. Op basis van dit rapport heeft ING (terecht) geconcludeerd dat de continuïteit van [gedaagden] zonder nieuwe kredietfaciliteit in het geding was en dat het er niet naar uit zag dat zij aan haar betalingsverplichtingen tegenover ING zou kunnen blijven voldoen zonder aanvullend krediet. Uiteindelijk heeft ING de kredietfaciliteit opgezegd. Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste omstandigheden was dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Dat er op dat moment sprake was van een coronacrisis en [gedaagden] al veertig jaar klant was bij ING maakt dat niet anders. Die omstandigheden doen immers niet af aan het feit dat [gedaagden] er al jaren niet in slaagde haar liquiditeitspositie op orde te krijgen zonder extra ondersteuning van ING en ING het vertrouwen in de continuïteit was verloren.
Conclusie
5.10.
Nu ING volgens de kredietvoorwaarden bevoegd was om de kredietrelatie met [gedaagden] te beëindigen en deze beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar was, heeft ING de op haar rustende zorgplicht tegenover [gedaagden] niet geschonden. Er is dus geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de kredietovereenkomst. Evenmin is sprake van een onrechtmatige daad. De gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding worden daarom afgewezen.
De proceskosten
5.11.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.094,00
Dictum
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
Artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), zie ook HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929.
Hof Amsterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:162, r.o. 5.2.