Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:6859
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/187944-25
Datum uitspraak: 11 september 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2025 door het Landgericht Potsdam, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag 1] 1991 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres] ,
thans gedetineerd te [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Arabische taal (Syrisch).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Landgericht Potsdam van 15 april 2025 (dossiernummer: 24 KLs 5/24).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
medeplegen van mishandeling;
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De leidinggevende hoofdofficier van justitie te Potsdam heeft in een brief van 27 augustus 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 nummer 3 van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13.06.2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (2002/584/JBZ) wordt hierbij de terugzending van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 2] .1991, naar Nederland ten behoeve van de strafuitvoering voor het geval van zijn rechtsgeldige veroordeling tot een gevangenisstraf in de procedure 482 Js 40726/23 van het Openbaar Ministerie Potsdam aan u gegarandeerd.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Overige verweren
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon kwetsbaar is, omdat hij kampt met analfabetisme, een traumatisch verleden en misschien ADHD. Daarom heeft de raadsman de rechtbank verzocht een extra detentiegarantie te vragen waarin gegarandeerd wordt dat er in Duitsland rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van de opgeëiste persoon.
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat door de raadsman geen gegevens zijn verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Duitse detentie-instellingen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding om de door de raadsman gewenste garantie te vragen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47, 285, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht en artikel 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Potsdam, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.