Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:682
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,543 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4909
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Hengelo, eiser
(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn bijstandsuitkering en de terugvordering daarvan.
1.2.
Met het besluit van 24 april 2024 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 1 februari 2023 ingetrokken. Met het besluit van 30 mei 2024 (het primaire besluit II) heeft verweerder een bedrag van € 15.845,68 aan teveel ontvangen bijstand in de periode van 1 februari 2023 tot en met 29 februari 2024 teruggevorderd. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar ingediend.
1.3.
Met het bestreden besluit van 12 augustus 2024 op de bezwaren van eiser is verweerder bij de intrekking en terugvordering gebleven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk in de Koerdische taal en de gemachtigde van verweerder.
Wat aan de besluitvorming vooraf ging
2. Eiser ontving vanaf 27 december 2022 bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft bij zijn aanvraag voor zijn bijstandsuitkering opgegeven te verblijven op de [adres] [huisnummer] in Amsterdam (het uitkeringsadres).
3. Op 25 januari 2023 heeft de gemeente Hengelo per e-mail contact opgenomen met verweerder over haar bevindingen naar aanleiding van een onderzoek naar het recht op bijstand van de vriendin van eiser. Deze melding is voor verweerder aanleiding geweest om onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van eiser. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het ‘Rapport uitkeringsfraude’ van 7 maart 2024 (het rapport). Dit onderzoek is afgerond op 7 maart 2024.
4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de volgende onderzoeksbevindingen: tijdens het verhoor op 5 maart 2024 door de sociale recherche heeft eiser verklaard dat hij per 1 oktober 2023 met zijn vriendin naar Hengelo is verhuisd. Op de vraag wanneer eiser bij zijn vriendin in Almere is gaan wonen antwoordde hij dat dit vanaf februari 2023 is geweest, dat was het moment waarop hij bekend raakte met de zwangerschap van zijn vriendin. Daarnaast is uit de door eiser overgelegde bankafschriften over de periode mei 2023 tot en met februari 2024 gebleken dat hij hoofdzakelijk pinbetalingen heeft verricht in Almere en vanaf medio oktober 2023 in Hengelo en omgeving. Eiser heeft verweerder niet geïnformeerd dat hij vanaf februari 2023 samenwoont met zijn vriendin in Almere en hij heeft verweerder ook niet geïnformeerd dat hij per 1 oktober 2023 verhuisd is naar Hengelo. Hiermee heeft eiser zijn inlichtingenplicht geschonden. Daarom vordert verweerder het teveel ontvangen bijstand van eiser terug.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de terugvordering van de bijstandsuitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Intrekking van de bijstandsuitkering
Standpunt eiser
7. Eiser voert aan dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Hij sliep merendeel van de tijd in Amsterdam en hooguit in het weekend bij zijn vriendin. Eiser voert aan dat hij niet aan de door hem op 5 maart 2024 afgelegde verklaring gehouden kan worden, omdat er tijdens dat gesprek niet in zijn moedertaal het Koerdisch is getolkt, maar in het Turks, een taal die hij niet zo goed beheerst. Bovendien was eiser als asielzoeker niet op de hoogte van de regelgeving, waardoor hij meerdere keren contact had opgenomen met zijn contactpersoon bij de gemeente en vragen had gesteld over zaken als woningruil en het opzeggen van zijn woning in verband met de geboorte van zijn kind. Van een bewuste schending van de inlichtingenplicht is er volgens eiser geen sprake. Verder voert eiser aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de periode 1 februari 2023 tot 1 oktober 2023 en de periode na 1 oktober 2023. In de eerste periode had hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. In de tweede periode was hij inderdaad al verhuisd naar Hengelo waar zijn vriendin een woning had gevonden. Eiser heeft verweerder niet meteen ingelicht over de verhuizing naar Hengelo omdat op 29 oktober 2023 zijn kind prematuur is geboren en hij in die periode bezorgd was over de gezondheid van zijn pasgeboren kind.
Standpunt verweerder
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wist dat hij wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie aan de gemeente moest doorgeven. Dat heeft eiser niet gedaan. Ten aanzien van de stelling dat hij de Turkse taal onvoldoende beheerst en daarom niet aan de door hem afgelegde verklaring kan worden gehouden, licht verweerder toe dat de gemeente diverse keren via de tolkentelefoon in de Turkse taal contact heeft gehad met eiser. Hij heeft niet eerder aangegeven dat hij moeite had met de Turkse taal. Dat heeft hij ook niet gedaan toen hij op 5 maart 2023 een verklaring bij de sociale rechercheur aflegde. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de periode waarin eiser in Almere heeft gewoond en de periode vanaf zijn verhuizing naar Hengelo. Eiser heeft noch zijn verblijf in Almere, noch zijn verblijf in Hengelo aan verweerder doorgegeven.
Beoordeling
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
8.2.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.
8.3.
Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
8.4.
De rechtbank oordeelt dat de onderzoeksbevindingen zoals opgenomen in het rapport, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor het door verweerder ingenomen standpunt dat eiser in de periode van 1 februari 2023 tot en met 29 februari 2024 zijn hoofdverblijf niet op zijn uitkeringsadres in Amsterdam heeft gehad. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de eigen verklaringen van eiser in het gesprek met de sociale recherche op 5 maart 2024 blijkt dat eiser vanaf februari 2023 bij zijn vriendin in Almere verbleef. Volgens vaste rechtspraak mag, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen worden uitgegaan van de juiste weergave van de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Niet is gebleken dat eiser de Turkse taal onvoldoende beheerst. De stelling dat eiser van Koerdische afkomst is en Turks niet zijn moedertaal is, is hiertoe onvoldoende. Bovendien vermeldt het handgeschreven en door eiser ondertekende rapport dat de door hem afgelegde verklaring wel aan hem is voorgelezen. Ook is niet gebleken dat eiser op 5 maart 2024 heeft geklaagd dat er geen tolk in zijn moedertaal aanwezig was. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser eerder gebruik heeft gemaakt van een Turkse tolk in zijn contacten met de gemeente en was in het kader van zijn inburgeringstraject ingedeeld in een groep bestaande uit Turkstalige deelnemers. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaring van eiser niet bruikbaar is vanwege het ontbreken van een officiële tolk in eisers moedertaal.
8.5.
Verder kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat eisers hoofdverblijf in Almere en later Hengelo ook wordt ondersteund door de door eiser overgelegde bankafschriften. Daaruit blijkt namelijk dat eiser vanaf mei 2023 hoofdzakelijk pinbetalingen in Almere en vanaf medio oktober 2023 hoofdzakelijk in Hengelo en omgeving heeft verricht. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen de periode waarin hij in Almere heeft gewoond en de periode na de verhuizing naar Hengelo. Dat eiser zijn hoofdverblijf gedurende de bovengenoemde periode niet in Amsterdam had, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op al het voorgaande voldoende aannemelijk gemaakt door verweerder.
8.6.
Ten aanzien van het inlichten van verweerder over zijn woon- en leefsituatie, overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar heeft eiser op verschillende momenten met de gemeente gesproken over zijn relatie met zijn vriendin in Almere en de behoefte aan een grotere woning vanwege de komst van hun kind, maar eiser is niet volledig open geweest over de ontwikkelingen in zijn woonsituatie. Eisers relatie met zijn vriendin en zijn verblijf in Almere zijn gebeurtenissen waarvan eiser had kunnen weten dat die relevant zouden kunnen zijn voor zijn recht op een uitkering. Door verweerder niet onverwijld in te lichten over zijn woon- en leefsituatie heeft verweerder niet kunnen onderzoeken en vaststellen of eiser in de te beoordelen periode recht had op een uitkering.
8.7.
Gelet op de onderzoeksresultaten is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geschonden. Verweerder heeft de bijstandsuitkering daarom terecht ingetrokken.
Terugvordering van de bijstandsuitkering
Standpunt eiser
9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet geheel of gedeeltelijk heeft afgezien van terugvordering. Eiser is geconfronteerd met een forse schuld. Daar staat geen inkomen tegenover. Verder stelt eiser dat hij wel degelijk heeft gecommuniceerd met de gemeente. Dat signalen die een mogelijke aanwijzing hadden kunnen zijn voor de gemeente om een onderzoek te starten, door verweerder zijn genegeerd, is verweerder aan te rekenen. Ook het feit dat verweerder geen duidelijke uitleg heeft gegeven op vragen van eiser is verweerder aan te rekenen. Temeer omdat eiser in het geheel niet thuis was in de regelgeving, maar wel met vragen zat.
Beoordeling
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt voorop dat verweerder kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.Het is aan een betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Wat door een betrokkene wordt aangevoerd, zal daarbij ruim moeten worden uitgelegd.
9.2.
In de uitspraak van 10 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een ruimere invulling gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw. De CRvB overweegt dat de wetgever de bijstandverlenende instantie een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven bij het beslissen of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Bij de gebruikmaking daarvan moet de bijstandverlenende instantie een belangenafweging maken. Dat brengt, voor zover hier van belang, mee dat het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een evenwichtige belangenafweging. Tegenover het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel ontvangen is, staat het belang van de betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. In dat verband moet naar het oordeel van de CRvB niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het bestuursorgaan is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de vraag of er aanleiding is om af te zien van terugvordering vanwege een dringende reden niet alle relevante feiten en omstandigheden en belangen heeft meegewogen. Het bestreden besluit berust hierdoor niet op een evenwichtige belangenafweging. De rechtbank baseert dit oordeel op het volgende.
9.4.
Verweerder heeft diverse contacten tussen eiser en zijn contactpersonen bij de gemeente onvoldoende betrokken bij de belangenafweging. Zo heeft eiser op 16 mei, 8 augustus en 19 december 2023 zijn contactpersoon benaderd met vragen en voor advies. In een verslag van een chat-gesprek via Whatsapp op 19 december 2023 tussen eiser en zijn contactpersoon is het volgende te lezen: “Mijn dochter is net geboren, ik heb de laatste tijd met haar te maken, ik heb twee dagen geleden contact opgenomen met de school, nieuwe inschrijvingen starten in januari, ik ga in januari naar school.” In een interne e-mailwisseling op 8 augustus 2023 binnen de gemeente wordt de volgende boodschap doorgegeven over een door eiser gestelde vraag aan zijn contactpersoon: “Tot slot vroeg kl. aan mij of hij een grotere woning kan krijgen omdat hij een dochter verwacht samen met zijn partner (wonend in Almere).” In het verslag van een chat-gesprek op 8 augustus 2023 tussen eiser en zijn contactpersoon waarin een antwoord wordt gegeven op deze vraag van eiser staat het volgende: “Het krijgen van een grotere woning is niet de verantwoordelijkheid van de gemeente. Alleen de 1e woning, daar zorgt de gemeente samen met COA voor. Als je uit kinderen krijgt en je woning klein is dan moetje via de RAAK reguliere wijze een andere woning krijgen […]. Dus de kans datje een andere woning krijgt op korte termijn, voordat je vrouw bevalt is heel klein. Ik hoop dat ik je vraag zo voldoende heb beantwoord.”De rechtbank wijst daarnaast op eerdere contacten waarin eiser meermaals aan de gemeente kenbaar had gemaakt veel in Almere te zijn vanwege zijn vrienden en vriendin, de wens om de taallessen in Almere te volgen en niet in Amsterdam te willen zijn.
9.5.
De rechtbank overweegt dat verweerder al deze informatie als een signaal had moeten behandelen voor nader onderzoek. Het lag op de weg van verweerder om gelet op deze informatie bij eiser op z’n minst door te vragen om te achterhalen of er relevante ontwikkelingen speelden in zijn woon- en gezinssituatie. Door dit na te laten heeft verweerder ook een aandeel in de ontstane situatie waardoor eiser de ten onrechte ontvangen uitkering dient terug te betalen. Had verweerder eerder opgetreden, dan was de uitkering eerder gestopt en was het terug te vorderen bedrag niet onnodig opgelopen. Verweerder had dus eerder dan 5 maart 2024 kunnen handelen en ingrijpen maar heeft dit niet gedaan. De rechtbank overweegt dat verweerder daarnaast bij de terugvordering onvoldoende rekening heeft gehouden met de door eiser naar voren gebrachte redenen waarom hij verweerder niet onverwijld heeft ingelicht over zijn woonsituatie.
9.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de relevante feiten, omstandigheden en belangen van eiser onvoldoende heeft meegewogen bij het terugvorderingsbesluit. Het bestreden besluit is, voor zover het op de terugvordering ziet, reeds hierom in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor zover het betrekking heeft op de terugvordering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het ziet op de terugvordering van de bijstandsuitkering. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten of zelf een beslissing over de terugvordering te nemen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen de terugvordering (het primaire besluit II) met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij alsnog een afweging van alle relevante feiten en omstandigheden moeten maken. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan, en specifiek het eigen aandeel van verweerder bij de ontstane situatie. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
10.2.
Omdat beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 augustus 2024 voor zover daarin is beslist dat een bedrag van € 15.845,68 euro aan teveel ontvangen bijstand in de periode van 1 februari 2023 tot en met 29 februari 2024 wordt teruggevorderd;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
CRvB 11 januari 2022, ECLI:CRVB:2022:73 en CRvB 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:188.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw.
Zie de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2195, in navolging van de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 en de conclusie van advocaat-generaal prof. mr. dr. R.H. de Bock van 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086.
ECLI:NL:CRVB:2024:2195, r.o. 4.9.5 en 4.9.6.
Productie 6, p.2.
Productie 6, p. 4.
Productie 6, p.3.
Zie gespreksverslag 19 januari 2023, 14:26 uur (Gesprek DMH intake), productie 6, p. 7.
Algemene wet bestuursrecht.