Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:6799
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,878 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/173097-25
Datum uitspraak: 10 september 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 20 juni 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 augustus 2024 door Regional Court in Poznań (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment van het Regional Court in Katowice van 28 juni 2016, met kenmerk XXI K 228/15, waarover in hoger beroep is geoordeeld bij het arrest van the Court of Appeal in Katowice van 9 december 2016, met kenmerk II AKa 412/16.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg én in hoger beroep heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 10 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Uit het EAB volgt voorts dat de straf aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd met een proeftijd van 5 jaren. Deze straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf bij bevel van the Distric Court in Grodzisk Wielkopolski van 30 juni 2020 met kenmerk II Ko 54/20, in hoger beroep beoordeeld door the Regional Court in Poznan van 2 november 2020 met kenmerk V Kzw 796/20. De reden voor omzetting van de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelegen in het feit dat de opgeëiste persoon betalingsverplichtingen niet nakwam.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW; Detentieomstandigheden in Polen
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden op grond van artikel 11 OLW omdat aan Polen de garantie moet worden gevraagd dat zij in detentie medische zorg, psychische hulp in het bijzonder, krijgt wanneer zij aan Polen wordt overgeleverd. Uit de medische informatie in de brief van 14 augustus 2025 van de GGZ, Delfland blijkt namelijk dat zij kampt met ernstige psychische problemen. Zij is depressief na het overlijden van haar echtgenoot en krijgt medicatie. Het is daarom van belang om te weten welke psychische hulp zij in Polen kan krijgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de medische omstandigheden geen reden zijn tot aanhouding van de zaak. Er is namelijk geen algemeen gevaar voor schending van de grondrechten vastgesteld met betrekking tot de psychische zorg in detentie-instellingen in Polen.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit volgt dat dit anders is ten aanzien van gedetineerden met psychische of psychiatrische problematiek. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Van een algemeen gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor veroordeelde gedetineerden in Polen die kampen met psychische problemen, is dan ook geen sprake. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het gestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Regional Court in Poznań voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. Biçer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.