Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-09-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:6792
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 23/2417 en 24/703 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2025 in de zaken tussen de naamloze vennootschap [bedrijf]., uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: mr. A. Franken van Bloemendaal), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , het college (gemachtigde: mr. H.J. van der Wal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de geweigerde omgevingsvergunningen voor een verbouwing van het pand aan de [adres 1] in Amsterdam (het pand). 1.1. Het college heeft deze aanvragen met de besluiten van 4 juli 2022 en 7 april 2023 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 16 maart 2023 en 19 december 2023 is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven. 1.2. Eiseres heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Op de zitting van 19 februari 2024 is de behandeling van de zaak met nummer AMS 23/2417 aangehouden. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2025 gevoegd op zitting behandeld. Ter zitting waren aanwezig: [de persoon] en mr. A. Franken van Bloemendaal namens eiseres en mr. H.J. van der Wal en mr. drs. E.H. Mattie namens het college. Totstandkoming van de besluiten 2. Eiseres is eigenaar van het pand. Op 22 maart 2022 heeft eiseres een eerste aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor een verbouwing van het pand. De voorgenomen verbouwing betrof – kort samengevat – het toevoegen van een vijfde bouwlaag met bestemming daarvan tot woning. De uitvoering daarvan zou hoofdzakelijk bestaan uit het ‘tussenschuiven’ van een extra verdieping. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2022 afgewezen (primair besluit I). Het bezwaar van eiseres is door het college met het besluit van 16 maart 2023 afgewezen (bestreden besluit I). 2.1. Uit het bestreden besluit I volgt dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Het college legt hieraan ten grondslag dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” (het bestemmingsplan). Met het realiseren van de extra bouwlaag worden de maximale bouw- en goothoogtes overschreden. Het college heeft besloten geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken. Het college wijst hierbij op de uitgevoerde kwaliteitstoets. Hieruit volgt dat het belang van het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht en het belang van het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat zwaarder wegen dan het belang van de aanvrager bij het verhogen van het pand met een extra bouwlaag. Het college wijst verder op een door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) uitgevoerde toets, waaruit volgt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. 2.2. Op 31 januari 2023 heeft eiseres een tweede aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het toevoegen van een vijfde woonlaag aan het pand. Ditmaal zou de uitvoering bestaan uit – kort samengevat – het toevoegen van een extra kapverdieping. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2023 afgewezen (primair besluit II). Eiseres heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens deze bezwaarprocedure heeft eiseres op 3 augustus 2023 een gewijzigd bouwplan ingediend en het college verzocht op dit gewijzigde bouwplan te beslissen. De voorgestelde wijziging hangt samen met een second opinion van Pince van der Aa Erfgoedadviesbureau van 25 januari 2023. De wijziging houdt een gewijzigde versie in van het bouwplan zoals ingediend bij de eerste vergunningaanvraag (het ‘tussenschuiven’ van een extra verdieping). Het college heeft met een memo van 20 september 2023 op de second opinion gereageerd. Eiseres heeft op 11 oktober 2023 hierop gereageerd. Het bezwaar van eiseres is door het college Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan alleen worden verleend, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. 4.10. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. De verschillende bouwplannen 4.11. De rechtbank gaat bij de bespreking van de beroepsgronden telkens uit van de meest recente vergunningaanvraag. De beroepsgronden van eiseres zijn hiertegen gericht en ook ter zitting is dit zo besproken. Het bestreden besluit II vormt dus het uitgangspunt. Daar waar van dit uitgangspunt wordt afgeweken, zal dat expliciet worden vermeld. Ingrijpende verbouwing? 4.12. Het college heeft de voorgenomen verbouwing als een ingrijpende verbouwing aangemerkt. In verband met eerdere verbouwplannen (die ook bestonden uit verhoging met één bouwlaag) was voor dit pand reeds in 2018 een kwaliteitstoets uitgevoerd. Het college heeft daarom deze eerder uitgevoerde kwaliteitstoets in de beoordeling van de huidige bouwplannen betrokken. 4.13. Eiseres betwist dat het om een ingrijpende verbouwing gaat. Een kwaliteitstoets is daarom volgens haar niet vereist. Eiseres heeft in dit verband gewezen op eerder aan het pand uitgevoerde verbouwingen die niet als ingrijpend zijn aangemerkt, terwijl deze grootschalig en ingrijpend waren. 4.14. De rechtbank is van oordeel dat het college de bouwplannen als een ingrijpende verbouwing heeft mogen aanmerken. Het pand is gelegen in een door UNESCO als werelderfgoed aangewezen gebied. Het voorgenomen bouwplan omvat – kort samengevat – het volbouwen van de achterzijde van de vierde bouwlaag en het aanbrengen van een vijfde bouwlaag. Daarmee is sprake van een aanzienlijke verbouwing die vanaf de straatzijde duidelijk zichtbaar is en daarmee invloed heeft op het straatbeeld. Dat eerdere verbouwingen aan hetzelfde pand door het college niet als ingrijpend zijn aangemerkt, doet hieraan niet af. Dit betreffen immers verbouwingen aan de binnenzijde en achterzijde van het pand die niet in het straatbeeld zichtbaar zijn. 4.15. Omdat het college de bouwplannen terecht als een ingrijpende verbouwing heeft aangemerkt, mocht het college de kwaliteitstoets in de beoordeling betrekken. De kwaliteitstoets 4.16. Uit de kwaliteitstoets volgt – kort samengevat – dat stedenbouwkundig en cultuurhistorisch sprake is van hoge waarde en dat ook bouwhistorisch sprake is van waarde. Architectuurhistorisch is geen sprake van waarde. Het advies houdt in dat ophoging van het pand een onevenredige aantasting van de eerstgenoemde waarden betekent. 4.17. Volgens eiseres vertoont de kwaliteitstoets zodanige gebreken, dat het college het advies niet zonder meer aan het besluit ten grondslag had mogen leggen. Hiertoe stelt eiseres – onder verwijzing naar een door Pince van der Aa opgestelde second opinion – dat in de kwaliteitstoets niet inzichtelijk en begrijpelijk is gemotiveerd waarom de locatie stedenbouwkundige, cultuurhistorische en bouwhistorische waarden vertegenwoordigt en waarom de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden hoog zijn bevonden. Het college verzuimt bovendien aan te geven hoe de bouwplannen inbreuk maken op deze waarden. 4.18. Volgens vaste rechtspraak mag het college een advies van een door hem ingeschakelde deskundige in beginsel volgen. Het overnemen van een advies hoeft in beginsel niet nader toegelicht te worden, tenzij het advies naar zijn inhoud of wijze Eiseres stelt zich inhoudelijk op het standpunt dat deze weigeringsgrond niet van toepassing is. Eiseres wijst erop dat in het bestemmingsplan wordt gesproken over de diepte van gebouwen en niet van separate bouwlagen. Omdat de diepte van het gebouw als geheel niet wijzigt, is deze weigeringsgrond niet aan de orde. 4.28. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt van eiseres. Zoals hiervoor is vermeld, houdt het bouwplan in dat de achterzijde van de vierde bouwlaag wordt volgebouwd en dat een vijfde bouwlaag wordt aangebracht. De bouwdiepte van het gebouw neemt daardoor toe. Dat de daaronder gelegen bouwlagen op dit moment reeds een grotere bouwdiepte hebben en dat de plannen die de bestaande grotere bouwdiepte niet overschrijden, betekent niet dat de bouwdiepte van het pand niet toeneemt als gevolg van de toegenomen verbouwing. Onevenredige gevolgen voor woon- en leefklimaat 4.29. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan tot onevenredige gevolgen voor het woon- en leefklimaat leidt. Het college baseert dit oordeel op een vermeende onevenredige aantasting van de lichttoetreding van de panden aan de [adres 2] en [adres 3]. Eiseres wijst erop dat zij met een rapport heeft onderbouwd dat de lichttoetreding nog steeds acceptabel is en binnen de eisen van het Bouwbesluit 2012 valt. 4.30. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Het rapport waarop eiseres wijst, betreft een bezonningsstudie. Zoals het college in het bestreden besluit heeft toegelicht, zijn lichttoetreding en bezonning niet dezelfde begrippen. Het college concludeert dat door ophoging van het pand de lichttoetreding op de panden [adres 2] en [adres 3] verslechtert, waardoor het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. De rechtbank acht deze conclusie toereikend gemotiveerd. Dat lichttoetreding naar belendende panden verslechtert, is een logisch gevolg van ophoging van het pand. Het college mag deze omstandigheid in haar belangenafweging meewegen. Daarbij behoeft het college geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de vraag of de lichttoetreding binnen de eisen van het Bouwbesluit 2012 valt. 4.31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op het voorgaande, voldoende gemotiveerd waarom zij geen gebruik maakt van haar mogelijkheid van het bestemmingsplan af te wijken. Dit geldt zowel voor de motivering van het bestreden besluit I als voor het bestreden besluit II, aangezien de motivering van het college in beide besluiten op dit punt overeenkomt. De besluiten lijden niet aan een motiveringsgebrek. Geen evenredige belangenafweging? 5. Volgens eiseres heeft geen evenredige afweging van alle belangen plaatsgevonden. Eiseres stelt dat het belang van het creëren van extra woonruimte door het college niet is meegewogen. Dit had volgens eiseres wel gemoeten en ertoe moeten leiden dat de aangevraagde vergunning had moeten worden verstrekt. Eiseres wijst in dit verband op de bestaande woningnood. Het kabinet heeft aangegeven dat, daar waar het kan, woningen opgehoogd moeten worden. Het optoppen van een woning zoals deze sluit aan op die wens. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat het tekort aan woningen niet betekent dat het creëren van woonruimte moet prevaleren boven het belang van ruimtelijke kwaliteit, de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht en het belang van het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat voor huidige en toekomstige bewoners. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering voldoende inzicht biedt in de wijze waarop de verschillende belangen zijn afgewogen. Dat aan het belang van eiseres bij extra woonruimte geen doorslaggevend gewicht is toegekend, maakt de belangenafweging niet onevenredig. Strijd met gelijkheidsbeginsel? 6. Eiseres voert tot slot aan dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat in vergelijkbare gevallen van ‘Orde 3’ panden wel omgevingsv